Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
donderdag 26 september 2013

Voorpublicatie Martin Luther King-biografie

Lees het eerste hoofdstuk

Door: Godfrey Hodgson
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Een droom uitgesteld

Wat gebeurt er met een uitgestelde droom?

Droogt hij op
als een druif in de zon?
Of ettert hij als een zweer,
die dan openbarst?

Misschien zakt hij alleen door
als onder een zware last.

Of explodeert hij?
— Langston Hughes

Op de ochtend van de grote dag leek Washington op een stad waar elk moment de revolutie kon uitbreken. Veel mensen bleven binnen. De kruispunten van de brede verkeersaders, die de nette blanke buitenwijken in het noordwesten van de stad diagonaal doorkruisen, werden bezet door eenheden zwaarbewapende militairen. De angst in wat, ondanks het chic-progressieve vernisje, nog altijd een Zuidelijke stad was, was de diepgewortelde angst van de slavenhouders voor de slavenopstand. Duizenden demonstranten naderden de stad. In welke stemming zouden ze zijn? Hoe zouden ze zich gedragen? 

In het centrum, bij het Lincoln Memorial, was het vanaf het begin duidelijk dat deze angsten ongegrond waren, en dat ze afbreuk deden aan de stemming van die dag. De menigte was veel groter dan verwacht, en veel vreedzamer. Uiteindelijk kwamen minstens een kwart miljoen mensen opdagen, of misschien wel 300.000. Ze waren echter zowel blank als zwart. Ze hadden hun kinderen meegenomen. Ze hadden hun beste kleren aan, en de stemming was welwillend, zelfs verheven. Nadat het op deze zomerdag warmer was geworden, staken ze hun ontblote benen in de vijver voor het monument. De sfeer was niet die van een rel, maar van een feestdag. 

Achter de schermen – en het hoofdkwartier van de mars bevond zich onmiddellijk achter het grote beeld van de zittende Abraham Lincoln in het marmeren monument bij de Potomac-rivier – was de sfeer echter uiterst gespannen, al was hier geen sprake van een opstandige stemming. Er werd een machtsstrijd uitgevochten naar aanleiding van de vlammende toespraak die was geschreven door een van dr. Kings bondgenoten, John Lewis, de toenmalige voorzitter van het Student Nonviolent Coordinating Committee (SNCC, uitgesproken als ‘Snick’), die inmiddels een gewaardeerd oud-Congreslid voor Georgia is. Evenals de andere sprekers had Lewis de avond ervoor een kopie van zijn geplande toespraak ingeleverd. Hierin viel hij de burgerrechtenwet van de regering-Kennedy aan als iets wat te weinig voorstelde, en bovendien te laat kwam. ‘Zwarten,’ zei hij, ‘zouden de zaak in eigen hand nemen en buiten alle officiële instituties om hun eigen machtsbasis opbouwen’. Ze zouden ‘door het Zuiden marcheren, dwars door het hart van Dixie, net als Sherman had gedaan, en na hun geweldloze acties een verschroeide aarde achterlaten.’ 

Dit was nu precies wat de organisatoren, de ervaren vakbondsleider A. Philip Randolph en zijn subtiele ideoloog Bayard Rustin, niet wilden horen. Het doel van de mars was niet het bang maken van blanke mensen, maar hen gerust te stellen. Het ging erom een nog altijd aarzelende blanke meerderheid in zowel het Noorden als het Zuiden ervan te overtuigen dat de zwarten slechts vroegen dat hun constitutionele rechten werden geëerbiedigd, en dat ze dit niet op een vijandige, intimiderende toon vroegen, maar met de stem van kalm moreel gezag. Het doel was om druk uit te oefenen op het Congres, zodat dit eindelijk de emancipatiewetgeving zou aannemen die negen zomers daarvoor was beloofd door het Hooggerechtshof, toen het oordeelde dat juridische segregatie in strijd was met het amendement op de Amerikaanse grondwet dat honderd jaar eerder, na de Burgeroorlog, was aangenomen. 

Er deed zich een praktisch probleem voor. De organisatoren van de mars wilden graag laten zien dat hun eisen werden onderschreven door een zo breed mogelijke coalitie, waar ook vakbondsleiders en religieuze leiders deel van uitmaakten. Nu kwam echter het bericht binnen dat kardinaal Patrick O’Boyle, de aartsbisschop van Washington, ontstemd was. Met al het gezag van een kerk waartoe de president en ongeveer een kwart van de Amerikaanse bevolking behoorden, dreigde hij zich terug te trekken, tenzij John Lewis zijn mond ging spoelen. 

Er zou met respect naar John Lewis worden geluisterd, maar de enorme menigte was niet gekomen om hem te horen. De man van het moment was dr. Martin Luther King jr. Als zoon van een taaie predikant uit de oude school van de Ebenezer Baptist Church in Atlanta, had King bij de Dexter Avenue Church in Montgomery, de hoofdstad van Alabama, naam gemaakt als een dominee die de grandeur van het Oude Testament en de populistische gedrevenheid van het traditionele zwarte christendom combineerde met een uitstekend inzicht in de moderne theologie en het sociale denken. 

Hij was vierendertig jaar oud, klein – nog geen 1.70 m – en elegant gekleed in Ivy Leage-stijl, met een brede mond onder een keurig getrimd snorretje. Hij had een donkere, opwindende stem, die laag begon en kon aanzwellen tot hij een onweerstaanbare, gedeelde hartstocht overdroeg op de gelovigen in zijn kerk of zijn volgelingen op straat. Toen hij aan de Boston University afstudeerde had hij met het idee gespeeld om academisch theoloog te worden, en er waren aanbiedingen geweest van veilige universiteiten in het Noorden. Dat hij dominee werd had, zei hij zelf, meer te maken met het voorbeeld van zijn vader en de tradities van een predikantenfamilie dan met een diepgevoelde ‘roeping’, hoewel zijn christelijk geloof onwankelbaar was. Achter een aantrekkelijk uiterlijk en het ongeëvenaarde vermogen om een publiek te emotioneren, ging een complexe persoonlijkheid schuil, die zowel hartstochtelijk en zinnelijk als scherpzinnig en solide was.

Een politiek leider werd hij, bijna tegen wil en dank, tijdens de busboycot door de zwarte inwoners van Montgomery. Deze was uitgebroken na de beroemde weigering van Rosa Parks om op te staan voor een blanke passagier en naar het achterste deel van de bus te gaan, zoals de door gemeentelijke verordeningen opgelegde gewoonte voorschreef. De busboycot, Kings moed en zijn charismatische gaven als redenaar zorgden ervoor dat hij een van de leiders werd van een verdeelde ‘neger’beweging, en van een ontwaakt en geprikkeld volk. In Montgomery en spoedig ook daarbuiten had King zich aan het hoofd van massale protesten geplaatst. Hij was regelmatig in de gevangenis gezet en op andere manieren ‘smadelijk behandeld’. 

In Birmingham, de ruige staalstad die in heel het Zuiden het sterkste bastion van segregatie was, had hij momenten van diepe wanhoop gekend, maar hij was er weer bovenop komen. Zo niet triomfantelijk – de blanke leiders van Birmingham waren te koppig om negers te laten triomferen – dan in ieder geval wel succesvol. Uiteindelijk had hij president Kennedy en Democratische politici zover gekregen dat ze actie ondernamen. En vanuit de gevangenis van Birmingham had hij zijn brief aan de blanke geestelijkheid geschreven, waarin hij hen op magistrale wijze de les las omdat zij de neger hadden gevraagd te wachten. Nu, hier in Washington, had hij de kans om de noordelijke helft van de Democratische Partij zich zo te laten schamen dat ze de vooroordelen en trots van hun Zuidelijke collega’s, die zich als stamhoofden van hun eenpartijstaten in het Congres hadden verschanst, opzij zouden schuiven. 

Rustin en dr. King deden hun best om Lewis op andere gedachten te brengen. Geen van beiden slaagde hierin. Lewis was klein, donker en onbuigzaam. Alleen Randolph, de patriarchale leider van de vakbond van zwart slaapwagonpersoneel, was in staat hem ervan te overtuigen dat zijn retoriek de hele onderneming in gevaar bracht. In feite kwam het gevaar van twee kanten. Het zou slecht zijn om de blanke progressieven, de kerkelijke leiders en de rabbi’s van zich te vervreemden, aangezien hun steun nodig was om de burgerrechtenwet door het Congres te loodsen. Het zou echter nog erger zijn als er een wig werd gedreven tussen aan de ene kant dr. King en zijn gematigde bondgenoten, en aan de andere kant de jonge heethoofden van het SNCC; als Lewis’ hartstochtelijke redevoering al te zwaar gecensureerd werd, zouden zij hun vertrouwen wel eens kunnen opzeggen.

In wanhopige haast, terwijl de bijeenkomst op het punt stond te beginnen, herschreven Lewis’ collega’s van het SNCC echter het beeld van Lincoln zijn toespraak op een draagbare typemachine. Ze haalden niet de hele angel eruit. Lewis beloofde nog steeds ‘het gesegregeerde Zuiden in duizend stukken te slaan, en weer in elkaar te zetten naar beeld en gelijkenis van God en de democratie’. 

Tegen de tijd dat hij akkoord was gegaan met de afgezwakte tekst had de menigte geluisterd naar protestliederen van enkele sterren van de politieke folkmuziek die op dat moment in de mode was. Daar was Josh White, met de beroemde, tegen het lynchen gerichte ballad ‘Strange Fruit’; Joan Baez, beeldschoon in een katoenen jurk en op sandalen; en de jonge, akoestische Bob Dylan. Randolph had de manifestatie geopend en de menigte welkom geheten bij wat hij omschreef als ‘de grootste demonstratie uit de geschiedenis van dit land’. ‘Wij zijn de voorhoede,’ verklaarde hij, ‘van een enorme morele revolutie voor banen en vrijheid.’ 

Toen Lewis zijn toespraak had gehouden, was het tijd voor de spreker voor wie al die duizenden mensen gekomen waren. Vanaf zijn allereerste woorden raakte hij een snaar die verbonden was met de grootse tradities uit de Amerikaanse geschiedenis. ‘Vijfmaal twintig jaar geleden,’ begon hij, en in deze enorme menigte was er geen man of vrouw die niet kon beseffen dat hij met deze woorden – een parafrase van de openingswoorden van Lincolns fameuze rede in Gettysburg – zichzelf de mantel omhing van de man die achter hem zo majestueus oprees. King sprak in het trage ritme van de baptistenpredikant, en met een retorische truc die hij zelf bedacht had. Telkens als hij aan het einde van een passage kwam, haastte hij zich naar de openingszin van de volgende alinea, waarna hij even pauzeerde en zodoende zijn gehoor even in spanning hield voordat de vloedgolf van zijn woorden losbrak en in een enorme stroomversnelling voortraasde. 

De redevoering was zowel een preek als een politieke verklaring. Hij sprak tegelijkertijd tot verschillende soorten publiek. De duizenden die vlak voor hem op de Mall van Washington stonden sprak hij rechtstreeks toe. Over hun hoofden heen richtte hij zich ook tot de zwarten in het Zuiden en de blanken in het Noorden, tot de tientallen miljoenen Amerikaanse blanken die nog geen standpunt hadden ingenomen maar die bereid waren zich ervan te laten overtuigen dat de tijd gekomen was om een einde te maken aan die gênante Zuidelijke gewoontes, maar die er tegelijkertijd niets voor voelden zich te laten meeslepen in een raciale strijd. Hij richtte zich ook tot de machtelozen op de plantages in het Zuiden en boze zwarten in de getto’s van het Noorden, en vóór alles tot de machtigen, die zich slechts anderhalve kilometer verderop bevonden, net buiten het bereik van zijn stem, op Capitol Hill. Daarom vlocht hij verschillende talen door elkaar, voor verschillende toehoorders. Hij maakte gebruik van de emotionele kracht van het Oude Testament, met een echo van de statige muziek uit Händels Messiah. Ook verwees hij naar de heilige teksten van Amerika’s seculiere religie, waarbij de grootse oneliners uit Jeffersons Onafhankelijkheidsverklaring en Lincolns rede uit Gettysburg doorklonken. 

De protestmars, en de beweging die hij naar dit hoogtepunt had geleid, waren geen eindpunt, zei hij, maar een begin. ‘De wervelwinden van de opstand zullen de grondvesten van ons land doen schudden tot de schitterende dag der gerechtigheid opdoemt.’ Sommigen vragen zich af, zei hij, of de pleitbezorgers van burgerrechten ooit tevreden zullen zijn. ‘We kunnen nooit tevreden zijn,’ antwoordde hij, totdat het kwaad van segregatie, van politiegeweld en discriminatie uitgebannen is, zolang ‘de neger in Mississippi niet kan stemmen en de neger in New York gelooft dat hij niets heeft om voor te stemmen.’ ‘Nee! Nee!’ riep hij tijdens het eerste hoogtepunt van zijn rede. ‘We zijn niet tevreden en we zullen niet tevreden zijn tot’ – en hier verwees hij naar een krachtig vers uit Amos, dat al sinds zijn theologiestudie een van zijn favoriete Bijbelteksten was – ‘het recht als water golft en gerechtigheid immer vloeit als een sterke beek.’ 

De eerste alinea’s van de toespraak las hij voor. Op zijn hotelkamer in Washington had hij die nacht tot vier uur aan de tekst gewerkt. Toen had hij het idee gekregen om een stijlfiguur te gebruiken die hij een jaar eerder had uitgeprobeerd in een toespraak in Detroit. In woorden die de hele wereld zich herinnert, vertelde hij het grote gezelschap dat voor hem stond, en dat zich bijna een kilometer lang uitstrekte over de Mall, dat hij een droom had gehad. En die droom was dat ‘op een dag op de rode heuvels van Georgia de zonen van vroegere slaven en de zonen van vroegere slavenhouders naast elkaar kunnen zitten aan de tafel der broederschap’, en dat zijn vier kleine kinderen ‘niet zullen worden beoordeeld op de kleur van hun huid maar op hun karakter’. 

Vervolgens greep hij weer terug op de taal van het Oude Testament, op de woorden van de profeet Jesaja, om de emotionele kracht van zijn retoriek nog verder op te voeren. ‘Alle dalen zullen verhoogd worden,’ riep hij, ‘en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is, dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot een vallei gemaakt worden. En de heerlijkheid des Heren zal geopenbaard worden, en al het levende tezamen zal dit zien.’ Zo bewoog hij zich van droom naar hoop, van zijn eigen visioen naar de gedeelde trots van het Amerikaanse volkslied, en aan het eind greep hij naar de diepste regionen van zijn visioen, waar definitief een streep werd gezet onder de trauma’s waardoor zowel slaven als slavenhouders achtervolgd werden. Laat de vrijheid klinken, zei hij, op de dag dat ‘alle kinderen van God, zwarte mensen en blanke mensen, joden en niet-joden, protestanten en katholieken, de handen ineenslaan en de woorden zingen van de negerspiritual: “Eindelijk vrij! Eindelijk vrij! Dank God almachtig, wij zijn eindelijk  vrij!”’

Het is de bekendste politieke toespraak uit de twintigste eeuw geworden, in Amerika en de gehele wereld. Toen in 2007 de Guardian de teksten van de grootste redevoeringen van de eeuw publiceerde, stond de jonge dr. King, de vermoorde buitenstaander, naast Winston Churchill. Van ‘I Have a Dream’, zoals de rede bekend is geworden, zijn miljoenen exemplaren verkocht, in boekvorm en in allerlei soorten opnamen. Het manuscript waarvan een deel van de rede werd voorgelezen is bij Sotheby’s geveild voor een onbekend maar heel hoog bedrag. De schriftelijke nalatenschap van King heeft op een veiling 32 miljoen dollar opgebracht. Over het auteursrecht van zijn woorden zijn verschillende processen gevoerd. Twee bedrijven, Apple Computers en de Franse telecomgigant Alcatel, hebben een deel van de tekst gebruikt in reclamespotjes. Naar Martin Luther King zijn in de Verenigde Staten honderden straten, boulevards en pleinen vernoemd, en aangezien hij ook een eigen feestdag heeft verkeert hij in het quasi-apostolische gezelschap van George Washington, Thomas Jefferson, Andrew Jackson en Abraham Lincoln. De redevoering, de auteur en de Droom zijn deel geworden van de postmoderne wereld, waarin culturele iconen internationale merken worden. 

Ondertussen zijn niet alleen de inhoud van de redevoering, het doel en het effect ervan vergeten, verkeerd begrepen en zelfs opzettelijk onjuist geïnterpreteerd, maar geldt dit tevens voor de man die deze toespraak hield en voor de essentie van zijn Droom. King wordt vaak ten onrechte herinnerd als een ongevaarlijke, betrekkelijk conservatieve leider – terwijl zijn visie in werkelijkheid buitengewoon radicaal en onverbiddelijk was – en als een dominee. Maar hoewel hij inderdaad een gelovig christen was, was zijn boodschap altijd uitdrukkelijk politiek van aard. Hij wordt door velen gezien als een leider die vooral belangrijk was voor de zwarten in het Zuiden, terwijl hij ook het Amerikaanse leven in het Noorden wilde veranderen, voor zwarten én voor blanken. Hij wordt gezien als de pleitbezorger van Afro-Amerikanen; van gelijkheid voor de wet; en hij begon te geloven dat het zijn opdracht was om economische gelijkheid voor allen te bewerkstelligen. 

Zijn grote redevoering vormde het scharniermoment tussen de veeleisende en gevaarlijke opdracht om de zwarten in het Zuiden officieel volledige burgerrechten te geven, en de minder glorieuze, veel frustrerender taak om zowel zwarte als blanke mensen – niet alleen in het Zuiden maar ook in het Westen en Noorden – economische kansen en als mens een gelijkwaardige positie te bieden. Vanaf het begin ging het King erom dat overal de burgerrechten gegarandeerd werden, niet alleen in het Zuiden, en zelfs niet alleen in de Verenigde Staten. Hij was fel tegen kolonialisme en racisme, waar zich dat ook voordeed. 

Beter dan wie ook wist hij dat die eerste taak, het afschaffen van juridisch gesanctioneerde segregatie, al zwaar genoeg was geweest. Maar op deze triomfantelijke dag kon zelfs hij niet vermoeden hoe moeilijk de volgende opdracht zou zijn. 

Kings toespraak tijdens de mars op Washington was werkelijk een keerpunt in de geschiedenis van de Verenigde Staten. Men kan stellen dat zonder die rede Barack Obama nooit tot president gekozen had kunnen worden. De betekenis van Kings rede is echter vaak op subtiele wijze misvormd door dat wat erna gebeurde. Onmiddellijk, en deels als gevolg van Kings optreden, diende president Kennedy bij het Congres een wetsvoorstel in dat pas werd aangenomen nadat hij vermoord was. Kennedy’s opvolger, Lyndon Johnson, was niet alleen een uiterst behendig politiek tacticus, maar als Zuiderling was hij zich veel meer dan Kennedy bewust wat er in deze tijd van raciale spanningen allemaal op het spel stond. Toen de zomer van 1964 aanbrak, was de wetgeving met betrekking tot de burgerrechten aangenomen door het Congres. Het jaar erop slaagde Johnson erin, door stroop te smeren en druk uit te oefenen, de Voting Rights Act door het Congres te krijgen. Johnson wist van tevoren dat dit voor de Democratische Partij, die hij zijn leven lang gediend had, een politieke catastrofe zou zijn. Deze wet veroorzaakte een politieke aardverschuiving. Blanke conservatieve Zuiderlingen, van wie gezegd werd dat ze nog op een ‘gele hond’ zouden stemmen als het beestje door de Democraten genomineerd was, liepen nu over naar de Republikeinen. 

Johnson investeerde zijn politieke kapitaal in deze wet, omdat hij geloofde dat de zwarten in het Zuiden zichzelf alleen konden bevrijden als ze mee konden doen aan de verkiezingen. In 1965 hield Johnson op Onafhankelijkheidsdag op Howard University – de in 1867 opgerichte zwarte universiteit in Washington – een toespraak waarin hij wat betreft de volledige raciale gelijkheid verder ging dan enige Amerikaanse politicus voor hem. In wat velen beschouwden als zijn meest edelmoedige redevoering, zei de president dat vrijheid niet genoeg was. Het was niet genoeg om de poort naar een betere toekomst open te zetten. Zwarte Amerikanen moesten geholpen worden bij het binnengaan van deze poort. ‘Dit is de volgende en nog fundamentelere fase van de strijd voor burgerrechten. We streven niet alleen naar vrijheid, maar naar kansen – niet alleen gelijkheid voor de wet, maar menselijk vermogen – niet alleen gelijkheid als een recht en een theorie, maar gelijkheid als feit en resultaat.’ Vanaf dat jaar maakte de regering- Johnson de gelijkheid van zwarte burgers en hun economische vooruitgang tot prioriteit van het overheidsbeleid. De president maakte veel geld vrij voor visionaire plannen die de Afro-Amerikanen aansluiting moesten geven bij de hoofdstroom van het Amerikaanse leven. Voor zwarte kinderen in de Mississippi-delta en de getto’s in het Noorden kwam er het programma Head Start. De sloppenwijken moesten verdwijnen en plaatsmaken voor ‘modelsteden’. Om gelijke kansen te creëren moest er een War on Poverty, een erfenis van Kennedy’s agenda, worden gevoerd. 

Maar in april 1968 was Martin Luther King dood. Zijn keel was kapotgeschoten door een kogel uit een Remington-geweer, afgevuurd door een man die – afgezien van andere motieven die hij mogelijkerwijs gehad heeft – een hekel had aan zwarten. Tegen deze tijd was ook de droom van King inmiddels aan zijn verwondingen bezweken. 

In het voorjaar van 1965, toen Lyndon Johnson de intellectuele sprong van vrijheid naar gelijkheid maakte, raakte de president in Vietnam verwikkeld in een oorlog. De oorlog tegen het Vietnamese communisme zou uiteindelijk beslag leggen op alle middelen die nodig waren om de oorlog tegen de armoede te winnen. De wil om de oorlog aan het thuisfront te winnen werd snel minder. De armoedebestrijders van het Office of Economic Opportunity, van wie velen jonge Afro-Amerikaanse activisten waren, werden geconfronteerd met het koppige verzet van Democratische politici. Toen hij in Chicago campagne voerde voor gelijke rechten bij huisvesting kwam King zelf in botsing met de orthodox-Democratische burgemeester van de stad, Richard Daley – een man die, zoals zelfs zijn persvoorlichter zei, bij gelijke kansen dacht aan ‘negen Ieren en een Zweed’. 

Ook was de zwarte burgerrechtenbeweging verdeeld geraakt. In de zomer van 1965 begonnen de jonge heethoofden van het SNCC, mannen en vrouwen die tijdens hun campagnes in de meest achtergebleven streken van Mississippi en Alabama onvoorstelbare moed hadden getoond, te praten over ‘black power’. Het ging hierbij vooral om ‘bewustwording’, om retoriek die zwarten ervan moest overtuigen dat zij de moed moesten hebben om zelf op te komen voor hun rechten. In blanke oren klonk dit echter ondankbaar, angstaanjagend en uiterst on-Amerikaans. George Wallace, de eigenwijze, kleine ex-bokser die tot gouverneur van Alabama was gekozen met de belofte dat hij vandaag, morgen en tot in de eeuwigheid de segregatie zou verdedigen, marcheerde naar het Noorden. Als kandidaat voor de Democratische nominatie bij de presidentsverkiezingen won hij in de arbeidersbuurten in Maryland, Indiana en Wisconsin – het veronderstelde progressieve Noorden – onrustbarend veel stemmen onder mensen die hun leven lang op de Democraten hadden gestemd. 

Het waren niet alleen arbeiders, en zeker niet alleen racisten en segregationisten, die het gevoel hadden dat de beweging waarvan Martin Luther King nog altijd werd gezien als het symbool en de leider, te ver was doorgeslagen. Aan de ene kant werd King, nog voor zijn dood, door jonge zwarte activisten en ook door een deel van de blanke media gezien als iemand die enigszins ouderwets was, met zijn – in de ogen van velen – pathetisch vasthouden aan het onbegrepen idee van geweldloosheid en zijn naïeve gepraat over christelijke vergevingsgezindheid. Aan de andere kant werd hij door veel blanken gezien als de profeet van een zwarte beweging die verderging dan het realiseren van gelijke burgerrechten, iets waar de meeste Amerikanen min of meer tandenknarsend mee akkoord gingen, en die streefde naar een absoluut on-Amerikaans project waarbij blanken werden gediscrimineerd ten gunste van zwarten. 

Bij de presidentsverkiezingen van november 1968 kwamen al deze opvattingen en misvattingen samen, versterkt door zowel de hevige frustraties over de oorlog in Vietnam en de dreigende nationale vernedering, als door ordeverstoringen en rellen van de campussen van de elite-universiteiten tot de zwarte sloppenwijken van honderden steden in het Noorden. Dit alles zorgde ervoor dat er een einde kwam aan de dominantie van de Democratische Partij, die vijfendertig jaar eerder tijdens de Grote Depressie was begonnen met de verkiezing van president Franklin Roosevelt. Richard Nixon werd gekozen tot president van de Verenigde Staten. De progressieve consensus, die zo meesterlijk was vertegenwoordigd door Lyndon Johnson, werd verpletterd. Met nostalgie en zelfs vol trots werden Martin Luther King, zijn redevoering en zijn kruistocht herdacht, maar het leek alsof hun moment voorbij was. 

Bijna honderd jaar daarvoor, tijdens de euforie van de overwinning op de Confederatie, hadden de Radicale Republikeinen geprobeerd een einde te maken aan het systeem dat de pasbevrijde slaven bleef onderdrukken. Hun geplande Reconstructie* van het Zuiden mislukte en werd in Amerikaanse geschiedenisboeken beschreven als een onjuiste, zelfs abjecte misstap, een ‘actie van dwazen’.** Rond 1968 was de tweede Reconstructie eveneens ten einde. Martin Luther King werd door velen vereerd, maar zijn boodschap werd niet begrepen en werd, in dit nieuwe tijdperk waarin het conservatisme het initiatief leek te hebben, niet langer als relevant beschouwd. Toch was het geen actie van dwazen geweest. Het was iets blijvends, dat tot op zekere hoogte ook gezegevierd heeft. Het leven van Martin Luther King blijft zowel een voorbeeld als een scharniermoment, waardoor de Amerikaanse geschiedenis gekanteld is. 

* Aan het einde van de Amerikaanse Burgeroorlog wilde een deel van de leiders van de Unie, de Radicale Republikeinen, het verslagen Zuiden ‘reconstrueren’ en wederopbouwen zonder slavernij. Hiervoor dienden ze drie amendementen op de grondwet in. Grofweg gezegd werd met het Dertiende Amendement de slavernij afgeschaft, kregen de bevrijde slaven door het Veertiende Amendement burgerrechten, en kende het Vijftiende amendement hun het kiesrecht toe. 

** Een van de Radicale Republikeinen, Albion W. Tourgée publiceerde in 1879 de roman A Fool’s Errand, by One of the Fools. Tourgée werd rechter in het ‘gereconstrueerde’ North Carolina en was een burgerrechtenactivist.





Godfrey Hodgson
Martin Luther King
320 pagina's
Bestel nu




 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.