Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2013

Wilhemina preekt de revolutie

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

 Op 6 december 1942 verklaarde koningin Wilhelmina dat na de oorlog in het Koninkrijk geen plaats was ‘voor verschil van behandeling op grond van ras of landsaard’. Haar woorden waren onbedoeld revolutionair.

Zondag 13 december 1942 is de sfeer onder de bezoekers van een politieke bijeenkomst in het theater Bellevue te Paramaribo opmerkelijk uitgelaten. De zorgen om de oorlog en de toenemende frustratie en woede om het autoritaire optreden van gouverneur Kielstra lijken voor even naar de achtergrond verdwenen.

Aanleiding tot de vergadering en de relatief opgewekte stemming vormt de rede die koningin Wilhelmina een week eerder, op zondag 6 december, op Radio Oranje heeft uitgesproken. De vorstin, die tijdens haar leven nooit enige Nederlandse kolonie zou bezoeken, verklaarde bij deze gelegenheid dat ‘vernieuwing noodig is in den staatkundigen bouw van het Rijk’. En hoewel Wilhelmina benadrukte niet op de zaken vooruit te willen lopen, sprak zij niettemin van een toekomstig ‘Rijksverband, waarin Nederland, Indonesië, Suriname en Curaçao tezamen deel zullen hebben, terwijl zij ieder op zichzelf de eigen inwendige aangelegenheden in zelfstandigheid […] zullen behartigen’.

Deze rede van Wilhelmina wordt wel beschouwd als de aankondiging van het einde van het Nederlandse kolonialisme. En in retrospectief is daar veel voor te zeggen. Want luttele jaren later zou ‘Indonesië’ zich bij monde van Soekarno onafhankelijk verklaren. Bovendien zouden de Nederlandse bezittingen in de Caraïben met de ondertekening van het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden in 1954 inderdaad een formeel zelfstandige positie binnen het Koninkrijk verwerven.
 
Dat alles was echter in december 1942 nog niet te voorzien. Zeker niet door Wilhelmina en haar regering in Londen. De koningin en de ministers hadden van daaruit nauwelijks zicht op wat zich in de koloniën afspeelde. En ze hadden al helemaal geen notie van wat er omging in de hoofden van de overzeese ‘inheemse’ onderdanen. Voor Wilhelmina en haar oorlogskabinet was de radiorede bovendien niet zo revolutionair als zij achteraf lijkt. Ze paste vrijwel naadloos in de oude Nederlandse traditie, waarin ingrijpende hervormingen van het koloniaal bestuur werden aangekondigd die in de praktijk weinig voorstelden.

Dat wisten de Surinaamse nationalisten van het eerste uur ook. Wanneer het staatshoofd in een radiorede verkondigde dat in het hernieuwde ‘Rijksverband’ geen plaats was voor ‘verschil van behandeling op grond van ras of landsaard’, betekende dat heus niet automatisch dat haar ‘witte’ en ‘zwarte’ onderdanen voortaan gelijke rechten zouden hebben. Zo was het niet de bedoeling dat alle volwassen Surinamers en Antillianen – net als hun ‘witte’ rijksgenoten aan de
Noordzee – om de zoveel jaar naar de stembus zouden mogen om afgevaardigden voor een wetgevend orgaan te kiezen.
        
Als Wilhelmina’s uitgesproken intenties al een echte, ingrijpende verandering aankondigden, dan was het die van de gewijzigde machtsverhoudingen op het wereldtoneel. In Paramaribo wist men donders goed dat het Nederlandse oorlogskabinet door de Amerikaanse bondgenoten was gedwongen een antikoloniale verklaring te laten uitgaan, die moest aansluiten bij de officiële oorlogsdoelstellingen van de geallieerden. Juist daarom, aldus een van de vroege Surinaamse nationalisten, legde hun beweging ‘er zo sterk de nadruk op dat aan die nieuwe verhoudingen niet te ontsnappen zou zijn’.
        
Op 13 december werd in het Bellevue-theater te Paramaribo de grondslag gelegd voor de Unie van Suriname: een gematigd nationalistische beweging, waarvan de afkorting ‘US’ de Hollanders moest herinneren aan hun totale militaire en economische afhankelijkheid van de Verenigde Staten van Amerika, de USA.
         De Verenigde Staten waren een nieuwe, assertieve wereldmacht, die zich erop liet voorstaan vrijheid en zelfbeschikkingsrecht onder alle volkeren van de wereld te willen bevorderen en verdedigen. Een grootmacht ook die weinig geduld had met Europese naties die niet wilden erkennen dat de verhoudingen in de wereld gedurende de afgelopen halve eeuw ingrijpend waren veranderd en nog veel ingrijpender zouden veranderen.
 
Hoe anders was de situatie een halve eeuw eerder, in 1898. Een lieftallige, achttienjarige koningin Wilhelmina besteeg in dat jaar de troon van het tweede koninkrijk aan de Noordzee ‘waar de zon nooit onderging’. Ook toen had Wilhelmina gloedvol gesproken van ‘een nieuw tijdperk van ons nationaal bestaan, dat zal rusten op de basis van vrijwillige samenwerking, wederkeerigen eerbied en verdraagzaamheid tusschen de volken van het nieuwe Koninkrijk’.
        
Menig koloniaal ambtenaar zal er met instemming van hebben kennisgenomen. Velen onder hen hadden de bestseller Max Havelaar prominent in de boekenkast staan. Zij die hem ook gelezen hadden, wisten dat zij als koloniaal ambtenaar een uiterst nobele taak hadden te verrichten als ‘opheffer’ en beschermer van de inlander tegen de ‘knevelarij’ van inheemse autocraten.
        
Dat diezelfde inheemse autocraten hun macht voor een aanzienlijk deel te danken hadden aan de militaire steun van het koloniaal bestuur, en hun ‘dwingelandij’ dus helemaal niet zo traditioneel was als het werd voorgesteld in de koloniale handboeken, was iets wat Multatuli en zijn vele bewonderaars niet onder ogen konden of wilden zien.
        
Maar het allermooiste aan Wilhelmina’s gloedvolle woorden – vanuit Nederlands gezichtspunt uiteraard – was dat er geen enkele noodzaak bestond de ultieme conclusies eruit te trekken. De ‘inheemse’ bewoners van de koloniën waren namelijk niet op de hoogte van de Hollandse aspiraties. Dat was dan weer een voordeel van de erbarmelijke staat van het onderwijs in de koloniën en de belabberde infrastructuur. Bovendien – en dat was waarschijnlijk het belangrijkst – was er geen kritische, ambitieuze wereldmacht die over de schouder van Nederland meekeek.
 
In die jaren heerste Groot-Brittannië over de westerse koloniale roedel. En met de ondertekening van het Verdrag van Londen in 1871 wist Nederland zich verzekerd van de Britse erkenning van het Nederlandse bestuur over de gehele Indische archipel. Wat de Caraïbische bezittingen betreft, die waren zo verliesgevend dat ze werden beschouwd als weinig meer dan lastige kiezels in de schoen van het koloniale rijk. Als de Britten al geïnteresseerd waren geweest in de Nederlandse bezittingen in de Caraïben – en dat waren ze nadrukkelijk niet –, dan hadden ze deze failliete koloniale boedel ongetwijfeld voor een vriendenprijsje kunnen overnemen.
        
Zo kwam het dat Wilhelmina in 1898 nog volkomen onweersproken kon redevoeren over ‘vrijwillige samenwerking, wederkeerigen eerbied en verdraagzaamheid’, terwijl op datzelfde moment het Nederlands-Indische leger in Atjeh hele kampongs platbrandde na de onwelwillende bewoners aan de bajonetten te hebben geregen.
        
Uiteindelijk zou de veroveringsoorlog in Noord-Sumatra, die decennia voortwoekerde, zo’n 35.000 Atjeeërs het leven kosten. De wreedheden die het korps marechaussee onder gezag van gouverneur Van Heutsz tegen de lokale bevolking beging, werden door een Nederlandse waarnemer omschreven als ‘daden die men op de donkerste bladzijden van het Oude Testament kan terugvinden’.
        
Wilhelmina lijkt daar niet de minste moeite mee te hebben gehad. Van Heutsz was van jongs af aan haar grote held. Ook lijkt zij de bloedige machtsuitbreiding in de Indische archipel niet als strijdig te hebben beschouwd met haar verkondiging in de troonrede van 1901 dat Nederland in Indië als ‘Christelijke mogendheid’ een ‘zedelijke roeping’ had.
        
Met het gros van de Nederlandse bevolking was Wilhelmina ervan overtuigd dat een koloniserende natie zich eerst moest bewijzen om deze ‘zedelijke roeping’ te kunnen en mogen vervullen. En hoe kon Nederland zich beter waardig tonen dan door – eens en voor altijd – voor het aangezicht van God en de wereld duidelijk te maken wie er in de Indische archipel de lakens uitdeelde?
 
Gedurende vrijwel de gehele regeringsperiode van Wilhelmina bouwde Nederland gestaag voort aan een koloniaal rijk in Indië en op aanzienlijk bescheidener schaal in de Caraïben. Daarbij valt het op dat Nederlandse bestuurders al die jaren bleven worstelen met de exacte juridische status van de overzeese onderdanen van de koningin. Was zo iemand ook automatisch Nederlander? Zelfs als hij of zij gekleurd was of – godbetert – moslim?
        
In 1892 was naar goed Nederlands gebruik gekozen voor een hoogst praktische oplossing van dit uiterst verraderlijke vraagstuk. Omdat de inheemse inwoners van Suriname en de Caraïbische eilanden te gering in aantal waren om een werkelijke bedreiging voor het Nederlandse gezag te vormen, en bovendien hoogst bevattelijk bleken voor het christelijk geloof, zouden zij voortaan formeel als Nederlander worden aangeduid. De inheemse bewoners van Nederlands-Indië – veel groter in getal en grotendeels het concurrerende islamitische geloof toegedaan – werd die status onthouden.
        
Overigens kregen de nieuwe Nederlanders op de Caraïbische eilanden geen politieke rechten. Die verantwoordelijkheid zouden zij nog niet kunnen dragen. Gouverneur Crol van de Boven- en Benedenwindse Eilanden meende dat er wel enkele individuen waren ‘door wie dit verlangd wordt, maar uit begeerte tot voldoening aan eigen eerzucht en niet uit opregten wensch om de belangen van het algemeen te bevorderen’. Pas in 1936 kregen de eilanden een eigen volksvertegenwoordiging. Zo’n 5 procent van de bevolking mocht toen naar de stembus.
        
Suriname kreeg daarentegen al vroeg een deels benoemd vertegenwoordigend lichaam: de Koloniale Staten. In de Tweede Kamer was hiertegen vanuit conservatieve hoek heftig geprotesteerd. De ‘kleurlingen en negers’ van Suriname zouden nog op een dermate ‘lage trap van verstandsontwikkeling staan’ dat van een dergelijk radicale stap weinig goeds kon worden verwacht. Uiteindelijk zou de Kamer toch in meerderheid instemmen met invoering van ‘het constitutionele regeringssysteem’ in ‘overzeesch gewest’ Suriname. Waarschijnlijk ook omdat dit in de praktijk niet erg veel voorstelde. De door Den Haag benoemde gouverneur kon de Koloniale Staten in de meeste gevallen negeren en het (census)kiesrecht bleef ook hier beperkt tot enkele procenten van de bevolking.
 
 In de loop van de twintigste eeuw komt het Nederlandse koloniale beleid op steeds gespannener voet te staan met de aspiraties van de gekoloniseerde onderdanen. Op het groeiende verlangen naar meer autonomie en de opkomst van nationalistische bewegingen in vooral Indië reageren de Nederlandse autoriteiten met het opvoeren van de repressie. Nederlands-Indië verandert in de jaren twintig en dertig langzaam in een politiestaat. Als Nederland in mei 1940 door Duitse troepen onder de voet wordt gelopen, hoeft het dan ook niet op veel sympathie van de Indonesiërs te rekenen.
    
Toch grijpen de Indonesische nationalisten, verenigd in de Indonesische Politieke Federatie (Gapi), de bezetting van het ‘moederland’ niet aan voor een confrontatie met het Nederlands gezag. Wel pleiten ze voor concrete stappen in de richting van een zelfbesturend dominion Indonesia binnen een statenbond met Nederland.
        
Maar het Nederlandse bestuur reageert afwijzend. Zoals het ook afwijzend reageert op een voorstel van de nationalisten, aan de vooravond van de Japanse invasie, om in ruil voor de toegezegde solidariteit over een nieuwe democratische politieke orde te spreken. Het is een allerlaatste handreiking van de nationalisten aan het Nederlands gezag, voordat dit op 8 maart 1942 capituleert voor de Japanse bezetter. De inheemse bevolking verkeert die dag, schrijft een Nederlandse legerpredikant, ‘in een feestroes’.
 
De Nederlandse regering in ballingschap is vanaf dit moment volledig overgeleverd aan de VS, die vanaf december 1941 officieel aan de oorlog deelnemen. Het zijn immers de Amerikanen die met hun overzeese goederenleveranties en militaire steun de Britse gastheren overeind houden. En het zijn de Amerikanen die als enige westerse macht de Japanse expansie in Zuidoost-Azië kunnen stuiten. En als klap op de vuurpijl: het zijn de Amerikanen die sinds kort de Nederlandse bezittingen in de West verdedigen.
        
De VS hechten groot belang voor de geallieerde oorlogvoering aan Suriname vanwege zijn bauxietproductie voor de vliegtuigindustrie en aan de Nederlandse Antillen vanwege de productie van geraffineerde olie. Ze willen er daarom al vroeg troepen naartoe sturen. Nederland houdt eerst de boot af, omdat het de Amerikaanse intenties wantrouwt. Zullen de Amerikanen na de oorlog wel vertrekken? Maar Roosevelt zet de talmende Nederlandse regering voor het blok. Hij schrijft koningin Wilhelmina een brief waarin hij haar persoonlijk de noodzaak van Amerikaanse landingen onder de neus wrijft. Nederland moet nu wel buigen.
        
De duizenden Amerikaanse soldaten die in Suriname en op de Antillen worden gelegerd, leiden tot een snelle amerikanisering van de plaatselijke cultuur. Het kan dan ook niet anders of de traditionele Amerikaanse retoriek over ‘individuele vrijheid’ en het zelfbeschikkingsrecht van volkeren – die tijdens de Tweede Wereldoorlog ook binnen het zwaar gesegregeerde Amerikaanse leger de nodige wrijvingen veroorzaakt – sijpelt door naar de lokale bevolking.
        
Gevoegd bij de Oranje-gezindheid die in de Caraïbische koloniën altijd beduidend groter is geweest dan in de Indische, moest Wilhelmina’s radiorede hier wel impact hebben – ook al was dat geenszins de bedoeling.
 
Wilhelmina’s toespraak van 6 december stond lang bekend als ‘de 7 decemberrede’. De Nederlandse regering deed zo alsof de belofte van staatskundige vernieuwing aan de bevolking van Indië was gericht. Op het moment van de uitzending was het in Indië namelijk al 7 december; exact een jaar eerder had Japan de Amerikaanse vloot in Pearl Harbor aangevallen. De realiteit was echter dat bijna niemand in Indië de radio-uitzending kon beluisteren. Daar zorgde de Japanse bezetter wel voor.
        
In Nederland was de censuur van de bezettende macht minder effectief. In het interneringskamp Sint-Michielsgestel, waar een groot aantal Oranje-getrouwe Nederlandse notabelen was opgeborgen, werd met ongeloof op de rede van Wilhelmina gereageerd. Ook verzetskrant Trouw vond de toezeggingen van de koningin veel te ver gaan. Een jaar later was de verontwaardiging bij de redactie nog steeds niet weggeëbd. ‘Een kind dat graag groot wil zijn heeft daarmede nog niet het vermogen van een groote,’ viel in een speciaal aan Indië gewijde uitgave te lezen.
         Maar bezet Nederland hoefde niet te vrezen dat het kabinet in Londen het hoofd had verloren en de bevolking van de koloniën plotseling tot zelfbestuur in staat achtte. De reactie van premier Gerbrandy op het Atlantic Charter was veelzeggend. In deze principeverklaring van Roosevelt en Churchill van 12 augustus 1941 werd gesteld dat volkeren hun eigen regering moesten kunnen kiezen. Gerbrandy noemde het ‘een slap stuk’, dat voor de Nederlandse positie irrelevant was.
 
Gerbrandy onderschatte echter het belang van propaganda in oorlogstijd. Bovendien zag hij over het hoofd dat in de Amerikaanse publieke opinie het Europese kolonialisme werd gezien als een anachronisme en als strijdig met Amerikaanse kernwaarden. Roosevelt had bij het formuleren van het Charter handig ingespeeld op deze antikoloniale sentimenten. Hij moest in eigen huis immers een hardnekkige isolationistische tendens – ‘America first!’ – het hoofd zien te bieden.
        
Maar dat het Roosevelt ernst is, wordt de Nederlandse regering pas in de loop van 1942 duidelijk. In mei van dat jaar – twee maanden na de Japanse bezetting van Indië – verkondigt de Amerikaanse onderminister van Buitenlandse Zaken Sumner Wells in een toespraak dat ‘het tijdperk van het imperialisme is beëindigd. Het recht op vrijheid van alle volkeren moet worden erkend. De principes van het Atlantic Charter zullen overal ter wereld bevestigd moeten worden.’
        
De toespraak alarmeert de Nederlandse ambassadeur in Washington, A. Loudon, die de regering in Londen wijst op de noodzaak van een ‘positieve formulering’ van ‘de wijze waarop de verhoudingen van het moederland tot de overzeesche gebiedsdelen en de inwendige staatsregeling dier gebiedsdelen’ na de oorlog geregeld wordt. Zo niet, dan zouden de Amerikanen zich weleens weinig gelegen kunnen laten liggen aan de Nederlandse belangen in Zuidoost-Azië.
 
Een maand later stapt koningin Wilhelmina voor het eerst van haar leven in een vliegtuig: ze brengt onder meer een bezoek aan president Roosevelt op diens buitenverblijf in Hyde Park. Daar krijgt zij te horen dat ‘een duidelijke Nederlandse politiek ten aanzien van Nederlands-Indië en een uitspraak daarover’ nodig zijn, ‘zowel voor de publieke opinie in Amerika als voor de oorlogvoering naar Nederlands-Indië en voor vrede in de toekomst’.
        
De rede die Wilhelmina uiteindelijk op 6 december 1942 voordraagt, wordt door de Amerikaanse regering dan ook met instemming begroet. Op de situatie in Indië heeft zij echter geen enkele invloed gehad. Het Indonesische nationalisme heeft dan door de Japanse bezetting een eigen, onstuitbare dynamiek gekregen. Geen officiële verklaring van Nederlandse zijde zal daar nog iets aan kunnen veranderen.
        
Ironisch genoeg sorteren Wilhelmina’s afgedwongen woorden het meeste effect in dat deel van het Koninkrijk waaraan vrijwel niemand bij het opstellen van de rede heeft gedacht: de Nederlandse bezittingen in de Caraïben. Daar komt in 1942, geheel in de geest van Wilhelmina’s redevoering, een dekolonisatieproces op gang, dat uiteindelijk leidt tot de ondertekening van het Koninkrijksstatuut van 1954.
        
En daarmee tot een autonome status van de laatste Nederlandse overzeese bezittingen onder de paraplu van het Koninkrijk. De rede van 6/7-december is hiermee alsnog ‘historisch’ geworden.
 
 
Meer lezen
 
In Afscheid van de koloniën. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012 (2013) wijst journalist John Jansen van Galen de toespraak van Wilhelmina aan als het begin van de Nederlandse dekolonisatie. Daarmee bindt hij de strijd aan met academische historici die volgens hem het belang van Wilhelmina’s rede bagatelliseren.
         Van de door hem bekritiseerde historici zijn de volgende boeken relevant en lezenswaardig: Gert Oostindie en Inge Klinkers, Knellende Koninkrijksbanden. Het Nederlandse dekolonisatiebeleid in de Caraïben, 1940-2000. Deel I, 1940-1954 (2001); Gert Oostindie, De parels en de kroon. Het koningshuis en de koloniën (2006); Cees Fasseur, Wilhelmina. Krijgshaftig in een vormeloze jas (2001) en De weg naar het paradijs en andere Indische geschiedenissen (1995); Wim van den Doel, Zo ver de wereld strekt. De geschiedenis van Nederland overzee, vanaf 1800 (2011).
         Voor een overzicht van de politieke aanloop tot Wilhelmina’s rede vormt L. De Jongs Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog. 11c. Nederlands-Indië III (1986) de beste bron.
        
 
Beluister Wilhelmina’s toespraak via www.historischnieuwsblad.nl/denederlandsemonarchie. Daar vindt u ook alles over de andere Oranjevorsten, bijvoorbeeld een artikel over Wilhelmina’s moeder Emma, en een documentaire over prinses Beatrix.