Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2013

Opiumhandel VOC in Bengalen

Slapend Rijk worden in India

Door: Remco Raben
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Bengalen was in de zeventiende en achttiende eeuw een van de bloeiendste handelsgebieden op aarde. Aziatische en Europese kooplieden, ook die van de Verenigde Oostindische Compagnie, stroomden naar Bengalen om te profiteren van de handel in suiker, zijde, salpeter en in toenemende mate opium. De handel in het verdovende middel was een bron van enorme smokkelpraktijken.

Vlekken waren het, de Nederlandse ‘factorijen’ in Bengalen, kleine enclaves in een rijk agrarisch gebied dat doorsneden werd door de meanderende aftakkingen van de geweldige Ganges. Niet bepaald wat je je bij een kolonie voorstelt. Dat waren de handelsposten van de VOC in deze streken dan ook niet. Het grote schilderij van Hendrik van Schuylenburgh laat het ook zien: de post was niet meer dan een pakhuis: wat woningen en een tuin met een muur eromheen.

In Bengalen was de VOC geen bestuurder, maar handelaar. De Compagnie verschanste zich er niet achter de muren van het fort, maar bewoog zich in het maaswerk van de Bengaalse samenleving. De Nederlandse directeuren raakten er geïnfecteerd door hun omgeving: ze ontwikkelden zich tot gewiekste handelaren voor eigen profijt en gedroegen zich als Bengaalse edellieden.
 

Geschiedenis


Bengalen was vruchtbaar, dichtbevolkt en welvarend. Het lag op het kruispunt van een rijk achterland en drukke handelsroutes in de Baai van Bengalen, en profiteerde van de enorme opkomst van de handel in de Indische Oceaan. Dat ontging ook de mogolvorsten niet, die zich in het begin van de zestiende eeuw in noordelijk India hadden gevestigd. In 1576 had de grote keizer Akbar het sultanaat van Bengalen veroverd en het een provincie in zijn grote mogolrijk gemaakt.

Bengalen ontwikkelde zich tot een economisch powerhouse, dat dreef op een combinatie van buitenlandse handel en commerciële landbouw. De Bengaalse maatschappij werd beheerst door een ingewikkeld netwerk van mogolbestuurders, landheren en geldschieters. Men trof er kooplieden uit alle delen van India en verder weg: Armeniërs, Perzen en handelaren uit Atjeh en de Maldiven – een grote zeevarende natie in die tijd.
 

De mogol joeg de Portugezen het land uit omdat ze teveel invloed kregen, Nederland kreeg toestemming om een handelskantoor te openen. 


Aanvankelijk waren de Portugezen erg machtig in Bengalen en ze wendden al hun invloed aan het hof van de mogol aan om Nederlanders en Engelsen uit de regio te houden. De Portugezen trokken steeds meer invloed naar zich toe. Zo hieven ze eigenmachtig belasting op de schepen op de Hougli-rivier.

Dat ergerde de nieuwe mogol Sjah Jahan, die in 1628 was aangetreden, dusdanig dat hij in 1632 de Portugezen het land uit joeg en de Nederlanders en Engelsen toestemming gaf een handelskantoor te openen. Sjah Jahan zag belangrijke handelspartners in de Europeanen, omdat hij afhankelijk was van de buitenlandse aanvoer van zilver en goud. De nieuwe begunstigden begrepen dat er met de mogols niet te spotten viel en pasten op niet dezelfde fout als de Portugezen te maken.
 

Ougely


Het ‘Ougely’ dat Van Schuylenburgh in 1665 schilderde, was de hoofdvestiging van de VOC in Bengalen. Sinds 1656 was de loge gevestigd in Chinsura (nu Chusura), een kleine veertig kilometer ten noorden van Calcutta. In de Compagniesmond heette de vestiging Hougli of Hooghly, omdat het aan de rivier van die naam lag, enkele dagen varen van de monding.

De VOC bezat veel vestigingen langs de kusten van India. In Coromandel (in het huidige Tamil Nadu), waar veel katoen vandaan kwam, en Malabar, dat het belangrijkste pepergebied van de VOC was, beheerste de Compagnie een groter territorium. Maar in Bengalen strekte haar formele gezag niet verder dan de muren van de factorij.
 

De geringe invloed van de VOC in Bengalen kwam deels omdat het rijk militair niet onderdeed voor de Nederlanders. 


Men kan zich afvragen waarom de VOC, die elders op allerlei manieren trachtte om productiegebieden van belangrijke goederen in te lijven, in Bengalen slechts een kleine teen aan de grond kreeg. Een reden was dat de Compagnie er te maken had met een machtig rijk dat militair op geen enkele manier onderdeed voor de VOC. Bovendien kwamen de belangrijke producten niet uit Bengalen zelf, maar uit het achterland.

Toch kreeg Bengalen een vooraanstaande plaats in het handelssysteem van de VOC in Azië, vooral vanwege suiker, textiel en zijde, en later vooral salpeter – een essentieel bestanddeel van buskruit – en opium. Er kon geen sprake van zijn dat de VOC de belangrijkste producten monopoliseerde, zoals ze elders vaak placht te doen: de mogols en lokale bestuurders keken wel uit om een buitenlandse mogendheid te veel macht te geven in deze lucratieve provincie.
 

Kleine VOC-gemeenschap



Het aantal Compagniesdienaren in heel Bengalen beliep meestal enkele honderden, met een kortstondig hoogtepunt van zeshonderd rond 1730. De top bestond uit een kleine groep mannen, die elkaar natuurlijk op de zenuwen gingen werken; in zo’n kleine gemeenschap in de VOC-post broeiden al snel de afgunst en verveling.

De hooggeplaatste dienaren woonden dan ook niet in het fort, maar in luxueuze bungalows langs de rivier, waar ze zich een somptueuze levensstijl aanmaten. Zo zien we op Van Schuylenburgs schilderij hoe de directeur van de factorij in een palankijn en onder begeleiding van tientallen dienaren wordt rondgedragen. Een eeuw later zou Johannes Matthias Ross bekendstaan om zijn quasivorstelijke huishouden. Volgens Britse zegslieden mocht niemand hem bij het weggaan de rug toekeren en waren zijn banketten overvloedig ‘but as dull as Rotterdam’.
 

De in Bengalen gestationeerde mannen gingen elkaar al snel op de zenuwen werken, er was sprake van grote verveling.


Bengalen was een van de meest kosmopolitische en geanimeerde plaatsen ter wereld. Isaac Titsingh, die er tussen 1785 en 1792 directeur was, vertoefde graag in Engelse kringen. Hij was er lid van de Asiatic Society, een wetenschappelijk genootschap, en wist zich in Calcutta, een metropool met 200.000 inwoners, uitstekend te vermaken met ‘bals, masquerades, comedies en concerten […] alsof het geld reegende’. Soms leek het inderdaad of het geld uit de hemel kwam. Dat was ook wel nodig, want het leven in Bengalen was veel duurder dan in Europa.

De banden tussen de Nederlandse en andere Europese elites waren vaak inniger dan tussen de dunne bovenlaag en het gewone volk van soldaten en ambachtslieden. Ook jegens Bengali koesterden de Compagniesdienaren veel wantrouwen. Het hele oriëntalistische arsenaal werd in stelling gebracht om de Bengalen te beschrijven. Johan Stavorinus, die er rond 1770 vertoefde, vond de Bengali ‘lui, wellustig, en vreesachtig’, maar ze waren ook ‘zeer schrander’, hoewel toch ook weer ‘geneigd tot steelen’. Het viel nog niet mee als Nederlander in de tropen.
 

Los en ongebonden


Toch bedriegt de schijn. In de werkelijkheid buiten de schilderijlijst onderhielden de Nederlanders een intensief contact met Bengali. In een beroemd geworden passage schreef de Nederlandse predikant Jacobus Canter Visscher, die in het Zuid-Indiase Cochin gestationeerd was, over de afwezigheid van een dominee in Chinsura: ‘Het leven van de Europeanen in ’t algemeen is daar zo los en ongebonden, en de Hoererie zo algemeen, dat het alle maat te buiten gaat, en misschien zendt men om die reden aldaar geen leraar.’

De felle zon in het beschaafde en kosmopolitische Bengalen wierp dus ook donkere schaduwen. De mannen-alleen van de Compagnie onttrokken zich aan het scherp toeziende oog van een dominee en volgden blijmoedig hun instincten met de Bengaalse vrouwen.
 

De handel in Bengalen bood bijna onbeperkte mogelijkheden om bij te verdienen.


Van heel andere aard, maar minstens even intensief waren de contacten met de Bengaalse handelaren en bestuurders. De leverantie van producten voor de VOC gebeurde via makelaars, met wie allerlei ingewikkelde betalingsregelingen bestonden, vaak in de vorm van voorschotten. De zakelijke contacten werden gesmeerd met uitgebreide geschenken. De enorme handelsstromen en voortdurende onderhandelingen met producenten en agenten gaven alle aanleiding om een graantje mee te pikken – voor eigen rekening, maar met gebruikmaking van de contacten van de Compagnie.

De handel bood bijna onbeperkte mogelijkheden om bij te verdienen. Hoge beambten verdienden in Bengalen fortuinen met particuliere handel – die formeel verboden was, maar nauwelijks een strobreed in de weg werd gelegd. Dat ging soms ver: VOC-dienaren hadden er eigen bedrijven gevestigd, waar zijde en salpeter werd geproduceerd. Maar de grootste winsten werden gemaakt op een andere Bengaalse specialiteit: opium.
 

Opiumhandel


In het achterland van Bengalen – de provincie Bihar – werd al sinds de vijftiende eeuw opium geproduceerd, dat naar andere delen van India werd verscheept. Geleidelijk aan begon de VOC zich meester te maken van de opiumhandel, omdat zij zelf de markten in de Indonesische archipel beheerste.

Daar steeg rond 1680 de vraag naar opium reusachtig toen de Compagnie het monopolie had verworven om de drug in het Centraal-Javaanse rijk Mataram in te voeren. De verdiensten voor de VOC waren aanzienlijk: zo’n 15 procent van de inkomsten in Batavia kwam uit de verkoop van opium.
 

Doordat de VOC de markten in de Indonesische archipel beheerste kon het zich meester maken van de opiumhandel. 


Zo werd de VOC een van de belangrijkste handelaren in narcotica ter wereld en was zij verantwoordelijk voor het creëren van een grote afzetmarkt in Azië – een situatie die nog tot ver in de twintigste eeuw zou duren. In 1679 kregen de vertegenwoordigers in Hougli van de gouverneur-generaal in Batavia te horen dat opium voorrang moest krijgen boven zijde, die tot dan de handel had gedomineerd. In het begin van de achttiende eeuw exporteerde de VOC gemiddeld zo’n 100.000 pond opium per jaar uit Bengalen.

De Compagnie slaagde er niet in om de aanvoer op een constant peil te houden. De mogulgouverneur keek wel uit om de Hollanders het alleenrecht op de opium te verschaffen. Doordat de Compagnie geen formeel gezag had in Bengalen, kon zij concurrenten als de Engelsen moeilijk uit de markt houden.
 

Slapend rijk


Het grootste gevaar schuilde echter in eigen boezem. Opium was een kostbaar en relatief handzaam goedje, zodat er een bloeiende particuliere handel in ontstond. De drug bood de mannen van de Compagnie uitgelezen kansen om slapend rijk te worden. In sommige jaren wisten VOC-dienaren in Bengalen een veelvoud van de officiële VOC-export te verzenden. De hoge VOC-beambten moeten het grootste deel van hun tijd bezig zijn geweest hun eigen clandestiene zaakjes te organiseren in plaats van de Compagnie te dienen.
 

Bengalen was een vette bonus voor het hogere personeel


Geen wonder dat Bengalen een zeer gewilde post was onder VOC-dienaren. Plaatsing in Bengalen was een vette bonus voor het hogere personeel. Nogal wat VOC-beambten hebben in Bengalen een puissant kapitaal kunnen oppotten – in sommige gevallen ging het om een veelvoud van het officiële traktement. Na hun terugkeer naar de Republiek konden zij hun prinselijke levensstijl in Nederland voortzetten, van een fortuin dat in slechts enkele jaren in Bengalen was vergaard.

De particuliere handel schaadde de Compagnie natuurlijk. In 1720 werd zelfs een partij van 30.000 pond illegale opium in Batavia ontdekt. Op verschillende momenten hebben de bewindhebbers – het hoofdbestuur in de Republiek – pogingen gedaan om de privéhandel in te dammen.
 

Fraudeurs


Eind zeventiende eeuw stuurden ze zogeheten fiscaals – speciale opsporingsambtenaren – naar Azië om fraudeurs te pakken. Die stuitten echter op gedegen weerstand van de zittende beambtenkliek en hadden geen succes. Sommigen namen de kans waar om zelf aan de handel mee te doen. Fiscaal Joannes van der Straaten diende zeven jaar lang in Bengalen en maakte 175.000 gulden naar huis over. Zijn formele salaris bedroeg 100 gulden per maand. Hij wist geen enkele smokkelzaak voor het gerecht te krijgen.

Bengalen was niet de enige plaats waar VOC-dienaren grof bijverdienden, maar het spande wel de kroon. De bewindhebbers in Nederland probeerden streng op te treden, maar de autoriteiten in Azië lieten de privéhandel oogluikend toe, al was het maar omdat de enorme particuliere winsten via wissels naar de Republiek werden overgemaakt. Stortingen voor de wissels waren voor de Compagnie in Bengalen en elders in Azië een belangrijke bron van contanten. Bovendien deden alle hooggeplaatste dienaren mee aan een graaicultuur waarbij de hebzucht van bestuurders en corporate managers vandaag de dag verbleekt.
 

Bengalen was niet de enige plaats waar VOC-dienaren grof bijverdienden, maar het spande wel de kroon.


De handel van de Compagnie zelf mocht er natuurlijk niet te veel onder lijden. Door de enorme smokkel van opium werden de prijzen opgejaagd. Om deze toch te ontmoedigen, richtte de VOC in 1745 een ‘Amfioen Sociëteit’ op. Die mocht in kleine hoeveelheden opium verhandelen en aandelen uitgeven aan VOC-dienaren, tegen vaste flinke vergoedingen aan de Compagnie. De inkoop van opium in Bengalen bleef strikt in handen van de VOC. Op deze manier probeerde zij de privébelangen te kanaliseren.

De Sociëteit, die in Batavia was gevestigd, werd inderdaad een succes, maar vanwege de hoge prijzen van opium ging de smokkel gewoon door.
 

Siraj-ud-Daula


Vanaf het midden van de achttiende eeuw kwam de gouverneur van Bengalen, die zich enkele decennia eerder aan het gezag van de mogolvorsten had ontworsteld, in botsing met de Britse East India Company, die haar gezag gestaag uitbreidde. Vooral nawab Siraj-ud-Daula, die in 1756 aan de macht kwam, was beduidend minder tolerant jegens de Europeanen dan zijn voorganger.

Toen de nawab eiste dat de Britten de volle uitvoerrechten op hun particuliere handel betaalden en hij om dat af te dwingen de Britse vestiging in Calcutta bezette, trok de East India Company ten strijde. Samen met enkele lokale bondgenoten wist ze de nawab en zijn Franse bondgenoten bij de plaats Palashi (Plassey) te verslaan en zich meester te maken van Bengalen.

De Britse overwinning had grote gevolgen voor de handel in de streek. Britse Compagniesdienaren begaven zich intensief in de opiumhandel en dreven de prijzen op. In 1773 vestigde de East India Company een monopolie op alle opiumhandel, wat de VOC nooit was gelukt.
 

In 1795 viel het doek voor de VOC in Bengalen


Hoewel de relaties tussen Nederlanders en Engelsen doorgaans goed waren – zo goed dat ze vaak partners in zaken waren –, ging het geleidelijk bergafwaarts met de VOC in Bengalen. Voor de VOC-dienaren was er steeds minder te doen. Na 1770 waren er nog maar tweehonderd mannen van de Compagnie ter plaatse. Aan het eind van de eeuw was de factorij nog geen schaduw van haar vroegere omvang.

In 1795 viel het doek voor de VOC in de provincie toen de Britten na de Franse inval in de Republiek de factorijen in Bengalen – en Afrika en Azië – innamen. De opiumhandel zou het overleven, want de markt voor verdovende middelen in Java was te lucratief om te laten schieten. Ondertussen liepen de Britten met de grootste winsten weg. Met de Bengaalse opium hadden ze ook een belangrijke sleutel tot de theehandel uit China in handen. Dankzij de import van opium in China konden de Britten namelijk de thee betalen die in Europa zo gewild was.

De Bengaalse opium zou de wereldgeschiedenis veranderen. Waar de vorsten in de Indonesische archipel te weinig macht hadden om de ontregelende kracht van de opium tegen te gaan, probeerden de Chinese keizers de Britse importen tegen te houden. De opiumoorlogen die het gevolg waren, zouden in de negentiende eeuw het machtige China op de knieën dwingen.

Remco Raben
                                                                                                                                                  
 

Meer weten


Voor dit stuk is onder meer gebruikgemaakt van Frank Lequins Isaac Titsingh (1745-1812) (2002) en Het personeel van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (2005), en Koopman in Azië (2000) van Els M. Jacobs.

Wat ouder zijn P.J. Marshalls Bengal. The British Bridgehead (1987) en The Dutch East India Company and the Economy of Bengal (1985) door Om Prakash.

Afbeelding: zeventiende-eeuws portret van keizer Shah Jahan

 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.