Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2013

ONDERZOEK: Hoe de dood een taboe werd

Na de Reformatie stond begraven niet meer in het teken van zielenheil

Door: Rob Hartmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Sinds God niet uit alleen uit Jorwerd vertrok, maar ook uit nagenoeg de gehele moderne samenleving, hebben de meeste mensen slechts één zekerheid: we gaan allemaal dood. Dit is zo vanzelfsprekend dat het niet nodig lijkt daar veel woorden aan vuil te maken. Maar de werkelijkheid is anders.

De manier waarop mensen omgaan met de dood verandert niet alleen voortdurend, ook blijkt het een onderwerp dat hen enorm bezighoudt en op allerlei niveaus hun leven beïnvloedt. Vandaar dat het zinvol is dat historici onderzoeken hoe samenlevingen hiermee omgaan, aangezien het lot van de doden veel zegt over de preoccupaties, overtuigingen en onzekerheden van de levenden.

Funerair historicus Wim Cappers doet al dertig jaar onderzoek naar de ontwikkelingen die zich in Nederland vanaf de zestiende eeuw op dit terrein hebben voorgedaan en heeft de resultaten hiervan onlangs samengevat in zijn monumentale, ruim 900 bladzijden tellende dissertatie Aan deze zijde van de dood.

Hoewel de ondertitel Funeraire componenten van seculariserende cultuurlandschappen in Nederland 1576-2010 een hoogst abstract discours doet vermoeden, gaat het hier om gedetailleerde studies naar concrete zaken. Zoals de wijze waarop het leger omging met gesneuvelde militairen, het redden van drenkelingen en de discussie over schijndood, het ontstaan van wetgeving op het gebied van de lijkbezorging, de modernisering van uitvaarten, het ontstaan van begraafplaatsen, de funeraire architectuur en de wijze waarop de herinnering aan overledenen levend werd gehouden.

Centraal staat steeds de wisselwerking tussen maatschappelijke ontwikkelingen en veranderingen in de funeraire cultuur. Volgens Cappers is op dit gebied de geschiedenis van de afgelopen vijfhonderd jaar te beschrijven aan de hand van een drietal begrippen: rituele leegte, medische zekerheid en burgerlijk fatsoen.

Als gevolg van de Reformatie verdwenen alle rituelen rond het sterven waarmee de nabestaanden probeerden bij God te bemiddelen, zodat de overledene naar de hemel zou gaan. Door het leerstuk van de predestinatie was zoiets zinloos geworden, zodat de begrafenis niet langer in het teken van het zielenheil stond – wat gevolgen had zowel voor het openbare karakter ervan als voor de beleving van de nabestaanden. Deze ‘rituele leegte’ was volgens Cappers kenmerkend voor de ‘secularisering van het levenseinde’, die vanaf de zeventiende eeuw duidelijk zichtbaar werd.

Vanaf het einde van de achttiende eeuw ging de medicalisering een rol spelen, wat begon met een verbod – om hygiënische redenen – op begraven in en rond de kerk. Doordat de nadruk steeds meer kwam te liggen op het aardse bestaan, ontstond er ook meer behoefte aan zekerheid over het moment van overlijden. Artsen kregen hierbij een belangrijke taak en waren na verloop van tijd de enigen die de dood en het tijdstip van overlijden mochten vaststellen, terwijl er een wettelijke termijn kwam waarbinnen de begrafenis moest plaatsvinden.

Nadat in 1915 crematie wettelijk was toegestaan, won het begrip ‘natuurlijke dood’ aan belang, aangezien na de verassing geen forensisch onderzoek meer mogelijk was.

Het burgerlijk fatsoen leidde ertoe dat uitvaarten netjes, maar vooral sober dienden te zijn. In de geleidelijk seculariserende samenleving, gericht op welvaart en aards geluk, kwam er op de dood een maatschappelijk taboe te rusten en werd de lijkbezorging uniformer en soberder. Aan het einde van de twintigste eeuw, toen het geloof in de maakbare samenleving afkalfde, signaleert Cappers een nieuwe funeraire omwenteling, waarbij de persoonlijke invulling van de uitvaart en rituelen van eigen makelij een steeds grotere rol gaan spelen.