Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 11/2012

Hoe de Amerikanen de Europese Unie pushten

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De eenwording van Europa is deels van Amerikaanse makelij. In de jaren vijftig streefde Washington naar een federatie van West-Europese staten, die sterk genoeg zou zijn om een Sovjetaanval te weerstaan – zonder Amerikaanse hulp. Het kind Europa moest op eigen benen gaan staan, maar klampte zich vast aan moeder Amerika’s rokken.


Nooit meer oorlog in Europa. Na twee verwoestende wereldoorlogen waren radicale stappen geboden om herhaling te voorkomen. Duitsland moest samen met aartsrivaal Frankrijk en andere Europese landen een hechte economische en politieke gemeenschap vormen, waarin het in ieders eigen belang zou zijn de vrede te bewaren. Idealistische Europese leiders startten in de jaren vijftig een integratieproces, waarvan de huidige Europese Unie de voorlopige uitkomst is. En al verkeert ‘Europa’ momenteel in zwaar weer vanwege de eurocrisis, het voldoet al 67 jaar aan zijn voornaamste taak: de vrede bewaren tussen de West-Europese machten.

Zo ongeveer luidt het standaardverhaal over de Europese eenwording. Het klopt allemaal, maar het is slechts het halve verhaal. Wat eraan ontbreekt is de rol van de Verenigde Staten. De EU was mogelijk niet tot stand gekomen zonder de druk die de Amerikanen in de jaren vijftig uitoefenden op de landen van West-Europa om een economische, politieke en militaire eenheid te vormen.

‘Er is geen echte oplossing voor het Europese probleem voordat een Verenigde Staten van Europa definitief tot stand is gebracht.’ Deze woorden schreef de Amerikaanse generaal Dwight Eisenhower, als eerste opperbevelhebber van de NAVO, in 1951 aan zijn minister van Defensie, Robert Lovett. Eisenhower verwoordde wat in Washington de gangbare opvatting was. Amerika voerde een beleid dat sterk ‘pro-Europees’ was, sterker zelfs dan dat van alle West-Europese landen.

Het ‘Europese probleem’ waar Eisenhower op doelde bestond uit twee kwesties, die nauw samenhingen. Het grootste probleem was de militaire dreiging van de Sovjet-Unie, die aan het eind van de Tweede Wereldoorlog half Europa had bezet met een immense troepenmacht. Als de Russen zich even kwaad zouden maken, dan plantten zij binnen de kortste keren hun rode vlag in Scheveningen en Bordeaux.

De tweede kwestie betrof de positie van Duitsland. Voorkomen moest worden dat dit land opnieuw een bedreiging werd voor de vrede. Na de ondergang van Hitlers heerschappij was Duitsland verdeeld in vier bezettingszones: Amerikaanse, Britse en Franse zones in het westen en een Sovjet-Russische zone in het oosten. Hoewel Oost en West het naar buiten toe deden voorkomen alsof ze Duitsland gezamenlijk als één land wilden besturen, waren ze het er al in de zomer van 1945 over eens dat opsplitsing onvermijdelijk en wenselijk was.

Wat een harmonieuze boedelscheiding moest worden, liep echter uit op een vechtscheiding waarbij de echtelieden elkaar de schuld gaven. Met name de pogingen van Sovjetleider Stalin om, tegen eerdere afspraken in, controle te krijgen over de Bosporus voedden de angst bij de westerse bondgenoten dat hij ook Duitsland in zijn geheel aan het Sovjetimperium wilde toevoegen. Na vele vruchteloze topoverleggen gingen Oost en West als vijanden uit elkaar. In januari 1947 voegden de Amerikanen en de Britten hun bezettingszones samen; de Fransen sloten zich spoedig aan.

Anders dan oorspronkelijk bedoeld bood de Duitse deling geen garantie voor vrede. Moskou beschouwde de West-Duitse staat in oprichting als een bedreiging voor zijn eigen belangen in Oost-Duitsland. De Amerikanen op hun beurt braken zich het hoofd over de vraag hoe de West-Duitsers militair konden worden beschermd tegen een eventuele Russische aanval.

De meest simpele oplossing – de Duitsers wapens geven waarmee ze zichzelf konden verweren – was tegelijk het minst realistisch. Stalin zou zo’n stap opvatten als een provocatie, terwijl ook de Franse regering grote bedenkingen had tegen het herbewapenen van de grote buur, die in de voorgaande halve eeuw tweemaal haar grondgebied was binnengevallen.

Er leek niets anders op te zitten dan dat Amerikaanse soldaten in West-Duitsland zouden blijven om het gebied – en daarmee heel West-Europa – tegen de Russen te verdedigen. Maar daar hadden de Amerikanen geen trek in. ‘Bring the boys home’ – zo kon de stemming in Amerika na vier jaar oorlog worden samengevat. Wat te doen?

De oplossing die de regering in Washington voor ogen stond, was: een verenigd Europa. Als zij de West-Europese naties ertoe kon bewegen een unie te vormen, zou in één klap het hele Europese probleem uit de wereld zijn. Als ‘derde macht’ zou Europa militair sterk genoeg zijn om zich de Sovjets van het lijf te houden. Tegelijkertijd zouden de Duitsers binnen een verenigd Europa nooit meer hun buren kunnen bedreigen. Hierdoor hadden de Europeanen de Amerikaanse GI’s niet meer nodig, zodat die konden terugkeren naar het vaderland.

Wilde deze opzet slagen, dan dienden allereerst de West-Duitsers psychologisch gewonnen te worden. Zij moesten de deling van hun land accepteren en zich aansluiten bij het democratische Westen. Een belangrijk instrument om dit doel te bereiken was de Marshallhulp, die in april 1947 van start ging. In vier jaar tijd gaven de Amerikanen zo’n 13 miljard dollar aan West-Duitsland en andere landen in West-Europa.

Landen die wilden profiteren van de Marshallhulp, moesten lid worden van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking. Zo dwong Amerika de Europeanen een begin te maken met het afbreken van onderlinge handelsbarrières. Ook op het terrein van defensie zochten sommige staten toenadering. Op 17 maart 1948 sloten Frankrijk, Groot-Brittannië en de Benelux-staten in Brussel een militair bondgenootschap.

De Amerikanen hoopten dat militaire samenwerking in Europa hun aanwezigheid overbodig zou maken. Maar de Europeanen zagen de Amerikanen liever komen dan gaan. De lidstaten van het Brussels Pact, waaronder Nederland, beschouwden hun initiatief als opstapje naar een Atlantische alliantie. Hierin zouden de Verenigde Staten de leiding moeten nemen en de grootste militaire bijdrage leveren.

Met name de Fransen waren bang door Amerika in de steek te worden gelaten. In dat geval zou het Rode Leger hun grondgebied eenvoudig kunnen overlopen. Weliswaar zouden de Amerikanen vervolgens de Russen verslaan met hun atoomwapens, waarop zij eind jaren veertig nog het monopolie bezaten. Maar tegen die tijd was Frankrijk al een rokende puinhoop.

Premier George Bidault was persoonlijk enthousiast over het Amerikaanse idee van een geïntegreerd Europa, vooral omdat Duitsland zo onschadelijk kon worden gemaakt. ‘Duitsland hoort bij het Westen, Duitsland ligt in Europa,’ zei hij in 1947 tegen een verheugde Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, George Marshall. Parijs probeerde een leidende rol te spelen bij de prille Europese integratie en het proces in eigen voordeel te sturen. Maar dit mocht er nooit toe leiden dat Amerika zijn rol van grote broer opgaf.

Dit was ook de opvatting van de Britten, die weinig zagen in Europese eenwording. Minister van Buitenlandse Zaken Ernest Bevin zei in 1950 tegen een Amerikaanse diplomaat dat Groot-Brittannië ‘geen deel van Europa’ uitmaakte en ‘niet een soort Luxemburg’ was. De regering in Londen wilde een zelfstandige rol spelen als middelgrote wereldmacht, steunend op het (post)koloniale Gemenebest en in nauwe samenwerking met de Verenigde Staten. Wat Europa betrof nam Londen geen enkele stap zonder garanties van de Amerikanen dat zij hun verplichtingen ten aanzien van de veiligheid van dit werelddeel zouden nakomen.

De Nederlandse regering dacht er net zo over. Zij was bang dat Frankrijk binnen Europa te veel macht kreeg. Toen Parijs eind 1949 – onder Amerikaanse druk – voorstelde een douane-unie bestaande uit Frankrijk, Italië en de Benelux op te richten, lag Den Haag dwars door te eisen dat Groot-Brittannië en West-Duitsland zouden meedoen. Het eerste wilden de Britten zelf niet, het tweede was voor de Fransen onaanvaardbaar.

Het Duitse probleem werd intussen steeds nijpender. Toen in de westelijke bezettingszones de D-mark was ingevoerd, reageerde de Sovjet-Unie op 24 juni 1948 door West-Berlijn af te grendelen van de buitenwereld. De blokkade duurde bijna een jaar, zette de Oost-Westverhoudingen op scherp en maakte pijnlijk duidelijk dat de Amerikanen in Europa niet gemist konden worden. Op 4 april 1949 richtten Amerika, Canada en tien West-Europese landen de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) op. Europa was nu verzekerd van Amerikaanse bescherming.

Toch was president Harry Truman niet van plan tienduizenden soldaten aan de andere kant van de oceaan te stationeren. Amerika vertrouwde op zijn nucleaire monopolie. In geval van een Sovjetinvasie zouden de NAVO-troepen in Europa niet meer dan een vertragende rol spelen.

Deze strategie werd echter in één klap onderuitgehaald toen de Russen op 29 augustus 1949 hun eerste atoombom tot ontploffing brachten. Hierdoor was een Amerikaanse overwinning opeens niet meer zeker. Wilde Europa voor het Westen behouden blijven, dan zouden de bondgenoten de vijand aan de buitengrens moeten tegenhouden. Dit vereiste een legermacht die zich qua omvang kon meten met het Rode Leger.

Deze nieuwe forward defense-strategie had grote gevolgen voor de positie van de gloednieuwe West-Duitse Bondsrepubliek. De NAVO zou immers een eventuele Sovjetaanval op Duitse bodem moeten opvangen. Maar de Duitsers zouden niet accepteren dat hun land als bufferzone werd gebruikt wanneer zij geen inspraak kregen in de NAVO-besluitvorming. Daarnaast was het niet meer dan eerlijk dat ze een bijdrage leverden aan hun eigen defensie. De conclusie was even logisch als controversieel: Duitsland moest lid worden van het bondgenootschap en zo snel mogelijk worden herbewapend.

Het was de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Dean Acheson die in september 1950 de knuppel in het hoenderhok gooide. ‘Amerika is bereid een stap te zetten die uniek is in de geschiedenis,’ verklaarde hij tijdens een bijeenkomst met de NAVO-partners in New York. De Europese lidstaten deinsden echter terug voor het idee van een onafhankelijke Duitse militaire macht. Slechts door hen met de boodschap ‘Take it or leave it’ voor het blok te zetten, kreeg Acheson toch bijna alle Europese landen in het gareel.

Alleen de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman hield zijn poot stijf. Van anti-Duitse gezindheid kon hij niet worden beticht, want een paar maanden eerder had hij zijn plan gelanceerd om de Franse en Duitse steenkoolproductie onder supranationaal toezicht te plaatsen, waarmee hij de aanzet gaf tot de oprichting van een Europese Gemeenschap van Kolen en Staal (EGKS). Ook tegen het herbewapenen van de Duitsers had Schuman persoonlijk geen bezwaren, maar hij wist dat zijn kiezers daar anders over dachten.

Bovenal maakte de Fransman zich zorgen om de reactie van Stalin wanneer bekend zou worden dat de Bondsrepubliek lid werd van de NAVO. Volgens de CIA was het voor meer dan 50 procent zeker dat de Russen dan zouden aanvallen, omdat ze zouden beseffen dat het hun laatste kans was op succes. Ook de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer was bang Moskou te provoceren. Hij wilde het NAVO-verdrag niet ondertekenen voordat er voldoende Amerikaanse troepen in Europa waren gestationeerd om de Russen af te schrikken.

Teneinde meer tijd te winnen lanceerde de Franse premier René Pleven een eigen plan voor een Europese Defensie Gemeenschap (EDG). Er zou een Duits leger moeten komen, dat, om de Sovjets gerust te stellen, onder bevel stond van een Europese, supranationale autoriteit. Groot-Brittannië en Nederland zagen hier niets in, omdat zij per se de Amerikanen erbij wilden houden en daarom hun kaarten op de NAVO hadden gezet. Acheson was laaiend omdat de Fransen hem in de wielen reden.

Maar in Amerika begon het politieke klimaat te veranderen. Eind 1952 won Eisenhower de presidentsverkiezingen. De nieuwe man in het Witte Huis zag de Amerikaanse militaire verplichtingen aan Europa als een te grote belasting voor de eigen bevolking en de schatkist, en riep de troepen liever vandaag dan morgen naar huis. Vandaar dat Eisenhower en zijn minister van Buitenlandse Zaken, John Foster Dulles, steun gaven aan het Pleven-plan. Een Europees leger zou de Amerikaanse taak verlichten en een belangrijke stap zijn op weg naar een federatieve Europese staat.

Het was voor de Amerikanen frustrerend dat de Fransen hun eigen plan niet serieus leken te nemen. Weliswaar ondertekenden op 17 mei 1952 zes landen, waaronder Nederland, het oprichtingsverdrag, maar de Franse regering stelde ratificatie door de nationale assemblée keer op keer uit, wetende dat er geen meerderheid voor was. Uiteindelijk wilden ook de Fransen de Verenigde Staten niet kwijt als beschermheer.

Een getergde Dulles dreigde dat Amerika zich eenzijdig uit Europa zou terugtrekken. Het hielp niets. Voor Eisenhower zat er niets anders op dan doorgaan met het versterken van de NAVO en de Amerikaanse troepenmacht. In 1954 besloot de nieuwe Franse premier Pierre Mendès France dat hierdoor Europa’s veiligheid voldoende was gewaarborgd om het verzet tegen Duitse toetreding tot de NAVO te staken. Het jaar daarop werd de Bondsrepubliek lid.

Eisenhower had de hoop nog niet opgegeven dat hij de druk op het Amerikaanse defensieapparaat kon verminderen. In 1953, vlak na het einde van de Korea-oorlog, kondigde hij een ‘New Look’ aan: voortaan zouden de diverse fronten van de Koude Oorlog zo veel mogelijk door Amerika’s bondgenoten zelf worden bewaakt. Om de Europeanen in staat te stellen zich tegen de Russen te verdedigen, wilde Eisenhower hen aan kernwapens helpen.

Frankrijk was geïnteresseerd. De Amerikaanse dreigdiplomatie van de voorbije jaren had de Fransen namelijk angstig gemaakt dat Washington hen op een dag werkelijk aan hun lot zou overlaten. De Verenigde Staten en Groot-Brittannië overwogen een deel van hun troepen in Duitsland te vervangen door kernwapens, wat zou betekenen dat de forward defense-strategie werd losgelaten en Frankrijk opnieuw kwetsbaar werd. Een eigen nucleair afschrikmiddel was een goed alternatief.

Ook West-Duitsland had nucleaire ambities. Adenauer deelde de Franse angst dat Amerika als puntje bij paaltje kwam niet bereid was Europa te verdedigen, behalve door een atoomoorlog te ontketenen die het hele continent zou vernietigen. De bondskanselier vreesde verder dat Washington het op een akkoordje zou gooien met de Russen, waardoor de Duitse deling onomkeerbaar werd.

In oktober 1956 bezwoer Adenauer de Franse ambassadeur in Bonn dat de Europese landen de rijen moesten sluiten tegenover Amerika. De bondskanselier accepteerde een voorstel van Parijs tot nucleaire samenwerking en schaarde zich achter het plan voor een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom).

Ironisch genoeg steunde ook Eisenhower dit nieuwe initiatief, zoals hij ook de vorming van een Europese Economische Gemeenschap (EEG) toejuichte. In 1955 legden de drie Benelux-landen hiervoor de basis. Zij stelden aan Frankrijk, West-Duitsland en Italië voor om de onderlinge tariefmuren af te breken en zo een gemeenschappelijke markt te creëren. Na twee jaar onderhandelen konden vertegenwoordigers van de zes landen op 25 maart 1957 in Rome het glas heffen op de geboorte van zowel de EEG als Euratom.

Terwijl het Verdrag van Rome nog altijd wordt beschouwd als een mijlpaal in het Europese integratieproces, ging het de Amerikanen lang niet ver genoeg. De EEG was ver verwijderd van Eisenhowers ideaal van een Verenigde Staten van Europa. De lidstaten, inclusief Nederland, hielden vast aan hun nationale soevereiniteit.

Dit tot verdriet van de Amerikanen, die begrepen dat zolang er geen centrale Europese autoriteit was met de bevoegdheid om oorlog te voeren, zijzelf voor de verdediging van Europa zouden opdraaien. ‘Volledige soevereiniteit is een luxe die de Europese landen zich niet langer kunnen veroorloven ten koste van Amerika,’ zei Dulles tegen Adenauer toen de twee elkaar op 4 mei 1957 ontmoetten. Maar net als bij alle voorgaande dreigementen bleef het bij woorden. Uiteindelijk kon noch wilde Washington Europa uitleveren aan de Sovjet-Unie.

Toch had het Amerikaanse beleid een gunstige invloed op de Europese eenwording, zij het via een omweg. Met hun herhaalde aankondigingen dat ze zich zouden terugtrekken uit Europa gaven de Amerikanen voeding aan anti-Amerikaanse gevoelens, die ertoe bijdroegen dat Frankrijk en Duitsland naar elkaar toe trokken en samen het voortouw namen om Europa militair, economisch en politiek hechter aaneen te smeden.

Geen moment hebben de Europeanen echter overwogen Amerika van zijn taak als bodyguard te ontslaan. Tot op de dag van vandaag zijn het in de eerste plaats de Amerikanen die Europa tegen agressie van buiten moeten beschermen. Hoe lang de Verenigde Staten hiertoe bereid blijven, is een vraag voor de toekomst.


MEER WETEN
De Californische historicus Marc Trachtenberg heeft de Amerikaanse bijdrage aan de Europese eenwording uitgebreid onderzocht. Een gedetailleerde analyse van het diplomatieke verkeer tussen Washington en de West-Europese hoofdsteden tijdens de eerste twintig jaar van de Koude Oorlog vindt u in A Constructed Peace. The Making of the European Settlement, 1945-1963 uit 1999.

In 2003 verscheen onder Trachtenbergs redactie de bundel Between Empire and Alliance. America and Europe during the Cold War. Hierin staat een artikel van Paul M. Pitman, die uitlegt waarom de regering van Frankrijk de Amerikaanse bondgenoot in de jaren vijftig steeds meer ging wantrouwen. In kortere vorm is deze informatie ook terug te vinden in Van Koude Oorlog naar nieuwe chaos (1993) van de Nederlandse historicus Ronald Havenaar.

Wie wil weten welke positie ons land ten opzichte van Amerika en de Europese eenwording innam, moet Duco Hellema’s Nederland in de wereld. Buitenlandse politiek van Nederland lezen. In 2010 is van dit boek een geactualiseerde uitgave verschenen.

Afbeelding: Het Verdrag van Parijs (1951) legde de basis voor de EGKS.
 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.