Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2012

Damiaan: een praktische heilige

Door: Hans Schoots
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De opofferingsgezindheid van de Belgische pater Damiaan trok al tijdens zijn leven internationale aandacht. Na zestien jaar trouwe dienst in de melaatsenkolonie Molokai in Hawaï overleed hij in 1889. Net als zijn schaapjes bezweek de herder aan de gevreesde bijbelse ziekte.

Jozef de Veuster, de latere pater Damiaan, werd in 1840 geboren bij het dorp Tremolo ten noorden van Leuven. Hij kwam uit een niet al te arme familie van boeren en handelaren. Zijn ouders waren katholieken die de kerkelijke plichten zonder overdrijving vervulden. Dat iemand uit een gezin de kerk ging dienen, was toen heel gewoon: dochter Eugénie trad in het klooster. Maar toen uiteindelijk vijf van de zeven overlevende kinderen Gods roeping volgden, raakte het ouderlijke enthousiasme bekoeld.

Er zijn verhalen over Jozefs jeugd die beweren dat hij al jong geroepen was, al zijn de meeste verzinsels. Beroemd is de legende waarin hij als vierjarige het wereldse kermisgedruis in het dorp ontliep om te gaan bidden in de kerk. In werkelijkheid was hij verdwaald en naar de enige plaats gelopen die hem bekend voorkwam.

In de agrarische gemeenschap waartoe Jozef als jongeling behoorde, onderscheidde hij zich als een fysiek ingestelde, harde werker, die zich prima thuis voelde in de dorpskroeg; een daadkrachtige figuur die zich door weinig liet tegenhouden wanneer hij zich eenmaal iets had voorgenomen.

Vooral de intrede van zijn oudere broer Auguste bij de congregatie van de Heilige Harten wakkerde Jozefs geloofsijver aan en op zijn negentiende meldde ook hij zich bij de paters van de Heilige Harten in Leuven. Hij koos de naam Damiaan. Het duurde nog jaren voor hij, dankzij ijverig studeren, priester kon worden. Maar uit zijn brieven blijkt vanaf het begin een diep en oprecht geloof. Latere critici noemden hem boers en ruw, wat zijn bewonderaars juist als een compliment beschouwden.

Auguste, die nu pater Pamphile heette, droomde ervan als missionaris in de Stille Zuidzee te gaan werken, en Damiaan volgde hem ook in dat verlangen. In 1863 werd Pamphile aangewezen voor uitzending naar de Hawaïaanse eilanden. Toen hij enkele dagen voor het vertrek ziek werd, wierp Damiaan zich op als vervanger. Hij was toen nog niet tot priester gewijd; dat gebeurde pas het jaar daarop in Honolulu.

De zeereis met een driemaster vanuit Bremerhaven duurde meer dan vier maanden en Damiaan zou Europa nooit meer terugzien. Hij wist bijna niets van de wereld waarnaar hij op weg was.

Het woord ‘missionaris’ doet wellicht denken aan ongerepte gemeenschappen in het Afrikaanse oerwoud, maar Hawaï was een onafhankelijk koninkrijk en Honolulu een stad met een moderne haven. De Hawaïanen waren ten goede en ten kwade vertrouwd met Europeanen en Amerikanen. In meerderheid waren ze al tot het protestantisme bekeerd door Amerikaanse predikers, wat voor de paters van de Heilige Harten een belangrijke reden was om de eilanden als missiegebied te beschouwen. Damiaan kreeg in Hawaï zijn eigen parochianen en bouwde voortvarend her en der kerken en kapellen, waarbij hij zelf zo nodig het zwaarste werk op zich nam.

In 1873 werd Damiaan op eigen verzoek naar de leprakolonie Kalawao op het eiland Molokai gestuurd. Europeanen en Amerikanen hadden een aantal besmettelijke ziekten naar de eilanden meegebracht waartegen de bewoners geen weerstand hadden, waardoor het inwonertal in een eeuw tijd tot minder dan een kwart was teruggelopen.

De laatste plaag was lepra. De angst ervoor was zo groot dat de melaatsen werden afgezonderd op het onherbergzame schiereiland Kalawao, onderaan een 600 meter hoge rotswand. Er was nog geen medicijn tegen lepra en de zieken gingen verminkt en vol stinkende zweren hun einde tegemoet. Wie eenmaal in Kalawao zat, verbleef daar drie of vier jaar tot de dood erop volgde.

Damiaan was een hulpvaardig en praktisch ingesteld mens, en het geloof speelde een grote rol bij wat op Hawaï al binnen enkele dagen bekend stond als ‘zijn opoffering’. Katholieke en protestantse gelovigen begonnen geld in te zamelen zodra de mare over de ‘christelijke held’ op de eilanden de ronde deed.

Damiaan en de paters van de Heilige Harten waren zich zeer bewust van de parallel met Jezus. Ook die had zich ingelaten met melaatsen die door iedereen waren verstoten. De paters stelden zich tot taak de werken en het lijden van Jezus na te volgen en daaruit trok Damiaan de uiterste consequentie. Welk risico hij nam was duidelijk, al vertrouwde hij lang op zijn goede gestel en steun van boven. Iemand met een goede gezondheid hoefde, ook al was hij besmet, geen lepra te ontwikkelen en Damiaan werd met recht wel eens ‘de atleet van God’ genoemd.

Hij was dan ook onaangenaam verrast toen de autoriteiten hem, ondanks een goede gezondheid, verboden de leprakolonie te verlaten. Naast eenzaamheid was zijn grootste zorg dat hij hierdoor niet kon biechten. De nood werd zo hoog dat hij eens op zee vanaf een bootje zijn zonden over het water riep naar een priester aan boord van een ander schip. Over de golven kreeg hij de absolutie. Later werd zijn bewegingsvrijheid verruimd.

Oorspronkelijk zou Damiaan voor beperkte tijd naar de leprakolonie gaan en daarna worden afgelost, maar de publieke waardering voor zijn belangeloze daad was groot; de hulpbehoevende bewoners van Kalawao wilden hem houden, en hij vroeg zelf toestemming voor een permanent verblijf. De kerk had eerst bedenkingen, maar kon niet meer terug.

De kolonie werd al wel door artsen bezocht en de Hawaïiaanse overheid had in de kolonie voorzieningen gebouwd. Een deel van de financiering kwam nog steeds daarvandaan. Algauw woonden er in de hutten en houten huisjes tussen de 800 en 1000 leprozen, van wie de helft katholiek was. Damiaan werkte timmerend en zagend aan de verbetering van de omstandigheden in Kalawao en bouwde een eigen houten kerk, de Sint-Philomena. Hij sprak van ‘wij melaatsen’ en leefde familiair met de zieken, maar trakteerde hen zo nodig op een donderpreek.

Intussen probeerden protestantse functionarissen op Hawaï zijn werk zwart te maken en kreeg hij moeilijkheden met de boven hem gestelden van zijn eigen kerk. Toen Damiaan aankwam op Hawaï zat er een bisschop met wie hij het goed vinden, maar diens opvolger Hermann Köckemann werd zijn grote tegenspeler. Damiaan was een nogal koppige man en de nieuwe bisschop eiste gehoorzaamheid en ergerde zich aan de populariteit van de pater, ook al had Damiaan die niet bewust gezocht. Köckemann beschuldigde hem ervan ‘persoonlijke glorie’ na te streven.

Kranten schreven namelijk regelmatig over Kalawao. Artsen die de kolonie bezochten, bereikten met hun verslagen een massapubliek. Professor Charles Stoddard van Notre-Dame University in de Verenigde Staten publiceerde een boek dat in vele talen de wereld over ging.

Schrijver Robert Louis Stevenson – auteur van Schateiland en Dr. Jekyll en Mr. Hyde – had een nog veel groter bereik en verdedigde Damiaan in een vlammend pamflet tegen zijn critici. Hij bezocht Kalawao kort na Damiaans dood en sprak er met velen. ‘Voor goede oude Damiaan, over wiens zwakheden en erger ik misschien wel alles heb gehoord, heb ik nu nog meer achting,’ schreef hij aan zijn moeder. ‘Hij was een Europese boer, vuil, kwezelachtig, leugenachtig, onverstandig, sluw, grandioos in zijn edelmoedigheid, zijn openheid en zijn fundamenteel goede humeur… Een man met alle menselijke smurrie en nietigheid, maar des te meer een heilige en held.’

Dat de media hun aandacht ook al tijdens zijn leven volledig op Damiaan richtten, was gezien zijn ongewone persoonlijke offers te begrijpen. Maar daardoor bleven de inspanningen van anderen, zoals de Hawaïaanse overheid en andere kerkelijke instellingen, grotendeels buiten beeld. De conflicten waarin Damiaan verzeild raakte, waren voor een deel gevolg van deze gang van zaken. Terwijl de overheid Damiaan door dik en dun bleef steunen, keerden anderen zich tegen hem.

Een ander conflictpunt was het geld dat in diverse buitenlanden werd ingezameld voor de leprakolonie. In Engeland behoorden de prins van Wales en de vooraanstaande predikant van de anglicaanse kerk Hugh Chapman tot de initiatiefnemers van een steunfonds. Zij stelden als voorwaarde bij de giften dat Damiaan het geld zelf zou beheren, waarmee ze de katholieke hiërarchie doorkruisten.

Van het eerste geld kocht Damiaan stoffen en een naaimachine om de bewoners van Kalawao te kleden. ‘Katholieke’ uitgaven wilde hij er niet van doen om de schenkers niet voor het hoofd te stoten.

Ongeveer elf jaar na zijn komst naar Kalawao kreeg Damiaan zelf lepra. Vertrouwelingen vertelde hij over de helse pijnen die hij leed. Zijn superieuren ontzegden hem medische hulp in de hoofdstad Honolulu. Toen hij daar toch heen ging, werd hij met tegenzin toegelaten in een zusterklooster, waar vervolgens een rij van Hawaïaanse hoogwaardigheidsbekleders, onder wie de koning, hem eer kwam bewijzen. Na vijf dagen keerde Damiaan terug naar Kalawao.

Er gingen verhalen dat Damiaan vrijmoedig omging met vrouwen, al zijn die nooit door ooggetuigen bevestigd. Mogelijk vanwege bijgeloof over een relatie tussen venerische ziekten en lepra gaven zijn kerkelijke meerderen tot twee keer toe opdracht hem op syfilis te onderzoeken, hoewel zijn artsen dat niet nodig vonden. Damiaan ervoer het als een diepe vernedering en een blijk van wantrouwen. ‘Ik heb steeds mijn belofte van kuisheid nauwkeurig gehouden,’ riep hij uit.

Op 14 april 1889 blies Damiaan in Kalawao zijn laatste adem uit. Tijdens de rouwmis in de Sint-Philomena werd veel gehuild. De franciscanesser zuster Vincent, die getuige was van de begrafenis, noemde het de droevigste processie die ze ooit had gezien. Biografe Hilde Eynikel schrijft: ‘De lamme leunde op zijn stok en leidde zo de blinde. Voorop stapte een man met een groot kruis, daarna volgden de muzikanten en alle leden van alle begrafenisverenigingen, gevolgd door de zusters en hun zwarte groep. Britten, Ieren, een Pool, Amerikanen droegen de kist. Ze fronsten, trachtten niet te wenen.’

Damiaan kreeg op zijn nadrukkelijk verzoek een graf onder de pandanboom vlak bij zijn houten huisje in Kalawao. Men was vergeten zijn timmermanspotlood uit zijn zak te halen, zodat hij samen met dit kenmerkende instrument werd begraven.

Pas een maand na Damiaans dood stond het bericht erover in de grote westerse kranten, want telefoonverbindingen, telex en vliegverkeer bestonden nog niet. Er volgde een nieuwe ronde van belangstelling voor de zelfopofferende pater.

Met het oog op een mogelijke zaligverklaring stuurde de leiding van de congregatie van de Heilige Harten in België een onderzoekscommissie naar Hawaï. Bisschop Köckemann voelde er weinig voor, maar vanuit België hield men aan. Ook pater Pamphile wierp zich voor zijn broer Damiaan in de strijd, met een artikel in de Times en een bezoek aan Engeland. In 1893 werd hij zelf naar Hawaï gestuurd, maar de studeerkamergeleerde voelde zich er misplaatst en keerde spoedig terug.

Op aandringen van de Belgische koning Leopold III werden de stoffelijke resten van Damiaan in 1936 overgebracht naar België en bijgezet in de Sint-Anthoniuskerk in Leuven. Hawaïaanse lepralijders protesteerden tevergeefs. De overtocht ging moeizaam. Eerst verdween de kapitein van het schip dat Damiaan vervoerde spoorloos tijdens een tussenstop in de Baai van San Francisco. Vervolgens viel de kist bij Panama in zee.

De grote belemmering voor de zaligverklaring van Damiaan was dat van hem geen wonderen bekend waren. Moeder Teresa, die zelf in vele landen werkte onder leprapatiënten, had een kleine eeuw na zijn dood geen boodschap aan dat bezwaar. Zij pleitte in 1984 bij paus Johannes Paulus II voor Damiaans heiligverklaring: ‘Ik ken een echt mirakel, het wegnemen van de angst bij de melaatsen om de ziekte te erkennen, te bekennen en om verzorging te vragen.’

En een ander wonder noemde ze ‘de wijziging in de houding van mensen en regeringen tegenover de melaatsen – meer zorg, minder angst en de bereidheid voortdurend te helpen.’ Damiaan was een voorbeeld voor duizenden die in zijn voetsporen traden. In de jaren na zijn dood zijn werd het beheer van de Hawaïaanse kolonie geprofessionaliseerd: voor het werk dat de pater alleen had moeten doen, kwam toen een veelvoud aan krachten beschikbaar.

Rome vond in de archieven alsnog een wonder: een Franse zuster zou in 1895 door het aanroepen van Damiaan van een maandenlange ziekte zijn verlost. In 1995 werd hij zalig verklaard. In 1998 zou een nieuw wonder hebben plaatsgevonden toen een Hawaïaanse genas van uitgezaaide longkanker, nadat zij op het graf van Damiaan had gebeden. In 2009 werd hij op het Sint-Pietersplein te Rome heilig verklaard.


Meer weten
Boeken

De meest degelijke biografie van Damiaan is van de Belgische Hilde Eynikel: Damiaan. De definitieve biografie (1999). Zij schreef daarna nog Hotel Molokai, een portret van Damiaan aan de hand van nieuwe documenten (2009).
Uit de Pacific zelf komt de wat oudere biografie door Gavin Daws: Holy Man. Father Damien of Molokai (1973). Een kerkelijke visie op de spiritualiteit van Damiaan geeft Jan de Volder in De geest van Damiaan (2009). Een kort overzicht (63 bladzijden) is er nog van de hand van Dirk Musschoot: De held van Molokai (2010).

Internet
De congregatie van de Heilige Harten heeft een eigen website over Damiaan: www.damiaanvandaag.be