Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Tegen het palingtrekken en katknuppelen

Door: Femke DeenHistorisch Nieuwsblad 7/2012

Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Vanaf de negentiende eeuw zetten steeds meer burgers, politici en denkers zich in voor de belangen van dieren. Wie waren die vroege voorvechters voor dierenrechten, en wat bewoog hen?


Op 25 en 26 juli 1886 braken in de Amsterdamse Jordaan hevige gevechten uit tussen de politie en de lokale bevolking. Een aantal politieagenten had geprobeerd een eind te maken aan het palingtrekken, waarbij deelnemers vanuit bootjes een levende paling van een touw moesten trekken die boven de Lindengracht was gespannen. Honderden belangstellenden waren op het volksvermaak af gekomen. Maar palingtrekken was verboden, en een paar politiemannen hadden het touw doorgesneden waaraan de paling hing. Dat was hun niet in dank afgenomen, en een grote rel brak uit. Het zogeheten Palingoproer resulteerde in 25 doden en vele gewonden.

Deze gebeurtenis laat zien hoe groot de verschillen waren in opvattingen over dierenwelzijn in het laatste kwart van de negentiende eeuw. Leden van de elite hadden het verbeteren van het lot van de dieren de afgelopen twee decennia geadopteerd als ‘goede zaak’. Zij gruwden van dit soort volksvermaken waarvan dieren het slachtoffer waren. Maar voor het overgrote deel van de Nederlanders was het beschermen van dieren in deze periode nog geen prioriteit, zoals blijkt uit de populariteit van het palingtrekken. Pas vanaf de jaren 1960 groeide de dierenbescherming uit tot een rechtgeaarde volksbeweging.

Overigens ontfermde ook de Nederlandse elite zich rijkelijk laat over de dieren, vergeleken met andere landen. In Engeland was al in 1824 de Society for the Protection of Animals opgericht, de latere RSPCA. Ook Duitse en Franse dierenbeschermingsorganisaties schoten in de jaren 1830-1840 uit de grond. Maar in Nederland ontstond pas in 1864 het eerste gezelschap dat zich bezighield met de belangen van dieren.

De ’s Gravenhaagsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren was het initiatief van zes Haagse heren. Andere lokale verenigingen volgden snel. Veel leden van de elite sloten zich aan omdat ze niet wilden achterblijven bij hun buitenlandse standgenoten. Ze waren bang een onbeschaafde indruk te maken als ze zich niet bezighielden met het beschermen van dieren.

Dat dieren zo populair waren als goed doel had ook te maken met een wezenlijke verandering in het denken over dieren. Dieren werden niet langer alleen gezien als productiemiddel of als voedsel. Die verandering was in gang gezet door de Wetenschappelijke Revolutie in de zeventiende en achttiende eeuw, toen bleek dat dieren en mensen dezelfde zenuwstructuur hebben. De discussie over de vraag of dieren pijn konden lijden kreeg daardoor een nieuwe impuls.

In de loop van de achttiende eeuw meenden steeds meer mensen dat dieren met mededogen behandeld moesten worden. ‘Diervriendelijke’ teksten in de Bijbel werden aangedragen als bewijs. Tegelijk groeide de overtuiging dat iemand die wreed was tegen dieren, ook wreed kon zijn tegen mensen – nog een reden om kwelzucht tegen dieren tegen te gaan.

Darwins The Origin of Species (1859) bleek een belangrijke katalysator. De overtuiging dat de mens superieur is aan het dier werd door zijn evolutieleer met een daverende klap onderuitgehaald. De mens bleek onderdeel te zijn van de natuur. Dat had belangrijke gevolgen voor de ideeën over de verhoudingen tussen mensen en de natuur. Hoewel het darwinisme op weerstand stuitte, vooral onder confessionelen, omarmde de elite de nieuwe leer. En tot die elite behoorden de eerste leden van de dierenbeschermingsorganisaties.

Onder de vroege dierenbeschermers waren veel aristocraten en academici. Jonkheren, graven, freules en baronessen sloten zich massaal aan bij de georganiseerde dierenbescherming. Ook de gegoede burgerij omarmde de zaak. Die ontwikkeling hing samen met de groei van het verenigingsleven in de negentiende eeuw. Veel burgers raakten betrokken bij (filantropische) verenigingen die tot doel hadden de maatschappij te verbeteren.

Ook het bestrijden van dierenmishandeling zou de zedelijkheid bevorderen, was het idee. Het beschavingsoffensief van de dierenbeschermers richtte zich dan ook op het verbieden van volksvermaak waarvan dieren het onderwerp waren, zoals ganstrekken, katknuppelen, palingtrekken en hanengevechten. Deze aanval was trouwens ook gemunt op het ongedisciplineerde gedrag van het volk waarmee de gebruiken gepaard gingen.

Het belangrijkste doel van de vroege dierenbeschermers was dierenmishandeling strafbaar te stellen. De Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren (de huidige Dierenbescherming), waarin een groot aantal lokale organisaties in 1877 was samengegaan, voerde een grootscheepse campagne om dat voor elkaar te krijgen. Van demonstraties en harde strijd was overigens geen sprake: de belangrijkste middelen van de dierenbeschermers waren brievenacties en petities. Die gebruikten ze om druk uit te oefenen op de volksvertegenwoordigers.

In 1874 richtten tientallen dames uit de belangrijkste Gelderse en Hollandse adellijke geslachten een petitie aan koning Willem III waarin ze hem opriepen dierenmishandeling strafbaar te stellen. Tegelijkertijd zond het internationale congres van dierenbeschermers, waarin veel hoge edellieden actief waren, een brief met dezelfde boodschap aan de koning. Het hielp dat veel leden van de vereniging behoorden tot dezelfde kringen als de volksvertegenwoordigers. Zij konden ook op informele wijze invloed uitoefenen.

De lobby had resultaat. In 1880 stelde minister Anthony Modderman tijdens de behandeling van de ‘Nuttige Dierenwet’ dat dierenmishandeling strafbaar moest zijn. Volgens hem sprak men in de Oudheid over slaven zoals men in de negentiende eeuw over dieren sprak. Overigens ging de gelijkstelling van mensen en dieren velen te ver. Verschillende Kamerleden vielen Modderman aan op zijn uitspraken. Maar het Wetboek van Strafrecht werd aangepast en mishandeling van dieren werd officieel strafbaar.

Wel moest er sprake zijn van bewezen opzet: de mishandeling moest een doel op zich zijn. Dat maakte het lastig om personen te veroordelen die dieren mishandelden als middel om een doel te bereiken, zoals eigenaren die hun trekhonden uitputten of afranselden. Uiteindelijk werd in 1920 de wet herzien, waardoor het gemakkelijker werd ook dit soort overtredingen te bestraffen.

Tot de harde kern van de dierenbeschermers in de negentiende eeuw behoorden opvallend veel vrouwen. Zo werd het eerste dierenasiel – het Nederlandsch Toevluchtsoord voor Noodlijdende Dieren – in 1877 opgericht door een damescomité. Ook in de andere grote sociale bewegingen van de negentiende eeuw – de arbeidersbeweging, de vrouwenrechtenbeweging en de beweging voor rechten voor zwarten – speelden (vaak dezelfde) vrouwen een belangrijke rol. Zij benadrukten de verwantschap tussen vrouwen, zwarten, arbeiders, dieren en armen: allemaal werden ze onderdrukt. Vrouwen konden zich uitspreken voor het welzijn van dieren zonder al te veel de heersende normen te schenden. Toen ze eenmaal het publieke debat hadden betreden, gingen ze zich ook voor andere zaken inzetten.

Een van die vrouwen, die zich tegelijkertijd inzette voor de betere behandeling van dieren en voor vrouwenrechten – en daarnaast streed tegen antisemitisme en kolonialisme – was Marie Anderson. Zij was ook overtuigd aanhanger van het vegetarisme, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw steeds meer aanhangers kreeg – wat ook verband hield met de opkomst van de dierenbeschermingsbeweging (zie kader).

Anderson was een volgeling van Multatuli, maar bleek al snel radicaler in haar opvattingen dan de schrijver. Zo meende zij dat mensen gelijkstonden aan dieren en daarom dezelfde behandeling verdienden. Multatuli voerde Marie Anderson op in het blijspel Aleid als het personage Temia, die zo ver doorschoot in haar wens dieren te beschermen dat ze tsaar Nicolaas in een brief opriep iets te doen tegen de rendiersterfte in Lapland.

Ook dierproeven vormden een doelwit voor Anderson, net als voor veel andere negentiende-eeuwse vrouwelijke dierenbeschermers. Zo financierde een aantal welgestelde vrouwen de oprichting van de Nederlandsche Bond ter Bestrijding van Viviesectie (NBBV) in 1890. Een van hen was Caroline van der Hucht-Kerkhoven, een zeer rijke vrouw die ook hoofdredactrice was van Androcles, een tijdschrift over dierenwelzijn.

Doel van de antivivisectionisten was het zichtbaar maken van de gruwelen waaraan medici en onderzoekers zich schuldig maakten in naam van de wetenschap. Ze verspreidden brochures en artikelen waarin uitgebreid verslag werd gedaan van dierproeven. Ook drukten ze illustraties af van honden en katten die levend werden opengesneden. In tegenstelling tot hun Engelse evenknie boekten zij echter weinig politiek resultaat.

Dezelfde Caroline van de Hucht-Kerkhoven richtte in 1892 de Nederlandsche Kinderbond op, samen met de befaamde Marie Jungius, een belangrijke voorvechtster van vrouwenrechten. De Kinderbond had als doel ‘reeds bij de kinderen rechtvaardigheid en medegevoel jegens al wat leeft aan te kweeken en ruwheid en baldadigheid tegen te gaan’. Daarvoor organiseerde de bond bijeenkomsten van clubjes van twaalf à vijftien kinderen, die om de twee weken bij elkaar kwamen in ‘gezellige tuin- en huiskamers’.

De vrouwelijke commissieleden die de clubjes leidden, lazen de kinderen voor, vertelden, bekeken platen met hen, zongen liedjes en namen hen mee op wandelingen, alles met het doel ‘de oogen der kinderen’ te openen voor het motto van de Kinderbond: ‘Doe uw best om goed en vriendelijk te zijn jegens alle levende schepselen.’

Dit soort initiatieven riep, net als de antivivisectiebeweging, onvermijdelijk spot en hoon op onder het bredere publiek. In kranten en tijdschriften werd de strijd tegen dierenleed regelmatig afgedaan als sentimenteel gedoe van verveelde vrouwen of verwijfde types die meer tijd en geld hadden dan goed voor hen was. Er verschenen spotprenten waarop honden en koeien lui achteroverleunden in een koets, sigaren in hun bekken, terwijl mensen het voertuig voorttrokken. Maar de bezwaren waren ook ideëel van aard. Waarom kwamen de adellijke en burgerlijke dames en heren wel op voor de dieren, maar niet voor de menselijke onderklasse?

Socialist en publicist Ferdinand Domela Nieuwenhuis (1846-1919) was een van degenen die de dierenbeschermers beschuldigden van hypocrisie. Maar tegelijkertijd was hij wel voor een beter leven voor dieren. In zijn optiek hadden dieren en arbeiders evenveel recht op een goede behandeling. Domela had zich afgekeerd van het geloof. De natuur werd zijn nieuwe leidraad voor een goed leven. Hij werd fanatiek vegetariër – niet alleen vanwege zijn liefde voor dieren, maar ook omdat hij geloofde in soberheid: hij was geheelonthouder.

Domela Nieuwenhuis poogde ook onder zijn eigen achterban op dit punt bewustzijn te kweken. Daarin had hij echter weinig succes. De dierenbescherming bleef een zaak van de elite. Pas in de jaren 1930 werd de kloof tussen de socialistische arbeidersbeweging en de meer elitaire dierenbeschermers gedicht. Henri Polak, SDAP’er en lid van Eerste Kamer, was in de jaren 1920 en 1930 een fanatiek pleitbezorger voor een betere behandeling van dieren.

Hij zorgde er bijvoorbeeld voor dat de boodschap van de Nederlandsche Vereeniging tot Bescherming van Dieren via de VARA werd uitgezonden en zo de arbeiders kon bereiken. Ongeveer tegelijkertijd begon de Nederlandsche Vereeniging een grootschalige propagandacampagne. Overal op stations en op andere publieke plaatsen hingen posters en metalen borden met daarop slagzinnen als: ‘Behandel de dieren met zachtheid, spaar de vogels.’

De campagne had resultaat: het aantal leden van de vereniging groeide snel, net als het ledental van andere dieren- en natuurbeschermingsorganisaties zoals de Vogelbescherming. Rond deze tijd werden de Vleeskeuringswet (1919) en de Veewet (1920) ingevoerd, die een betere behandeling van vee regelden. De Spoorwegwet (1928) richtte zich onder meer op diervriendelijker vervoer van vee.

Maar de echte toestroom van leden van de lagere sociale klasse kwam pas na de Tweede Wereldoorlog. Dierenwelzijn kwam in de jaren zestig en zeventig prominent op de landelijke agenda te staan. De welvaart steeg, net als het gebruik van de massamedia, waardoor er letterlijk en figuurlijk ruimte kwam voor dierenleed.

Vegetarisme
In navolging van de dierenbescherming kwam ook het vegetarisme in de tweede helft van de negentiende eeuw snel op. Tot die tijd was het beperkt tot een klein aantal mensen dat net als de Griekse filosoof Pythagoras weigerde dieren te eten. Pythagoras meende dat dieren net als mensen een onsterfelijke ziel hadden en dus respectvol behandeld dienden te worden. Een volgeling was Plutarchus, die stelde dat vlees eten onnatuurlijk was en dat mensen geen beschikkingsrecht hadden over dieren.

De opkomst van het vegetarisme in de negentiende eeuw hield verband met de industrialisatie en de groei van de steden. Die wakkerden het verlangen naar de natuur aan. Terugkeer naar de natuur zou sociale problemen oplossen, was de gedachte. Daar paste ook een andere opvatting over de verhouding tot dieren bij. Voor sommigen was dat reden om te stoppen met het eten van vlees: het doden van dieren alleen om ze te eten zagen zij als een schending van ‘het leven volgens de natuur’.

Een aantal invloedrijke schrijvers en politici bekeerde zich tot het vegetarisme: Multatuli, bijvoorbeeld, en Ferdinand Domela Nieuwenhuis. Zij waren ook voorvechters van een betere behandeling van dieren. Multatuli pleitte voor gereguleerde slachthuizen waar dieren met zo min mogelijk pijn werden afgemaakt.

De aanhang van de vegetarische beweging en die van de dierenrechtenbeweging overlapten deels, maar stoppen met vlees eten ging veel dierenbeschermers toch te ver. Pas laat in de twintigste eeuw zou het vegetarisme zijn grote doorbraak beleven.

Meer weten
Een goed overzicht van de relatie tussen mensen en dieren in Nederland biedt Karel Davids’ Dieren en Nederlanders. Zeven eeuwen lief en leed (1989). Davids gaat uitgebreid in op de ontstaansgeschiedenis van de Dierenbescherming.

Een filosofische verhandeling over het denken over dierenrechten geeft Paul Cliteur in Darwin, dier en recht (2001).

Amanda Kluveld kiest voor een cultuurhistorische benadering in haar boek Mensendier (Arbeiderspers 2009), over de geschiedenis van de relatie tussen mens en dier. Ook van Kluveld is Reis door de hel der onschuldigen. De expressieve politiek van de Nederlandse anti-vivisectionisten, 1890-1940 (2000), waarin de vroege strijders tegen dierproeven centraal staan.

Dirk-Jan Verdonk geeft een historisch overzicht van de Nederlandse vegetarische beweging in Het dierloze gerecht. Een vegetarische geschiedenis van Nederland (2009).

Marianne Thieme, fractievoorzitter voor de Partij voor de Dieren, koos voor de dierenrechten:
‘Het is leuk om op een compacte manier over de geschiedenis van de dierenrechten te lezen. Zelf heb ik er in 2004 een boek over geschreven: De eeuw van het dier. Toch was Anthony Modderman, die als minister in 1880 in Nederland dierenmishandeling strafbaar stelde, nieuw voor mij. Zijn vergelijking tussen de positie van slaven in de oudheid en dieren in het heden snijdt hout.

In de tijd van Modderman zag je een grote emancipatiegolf die streed voor vrouwen-, kinder- en dierenrechten. Het waren toen vaker vrouwen die zich bekommerden over dierenrechten. We selecteren er niet op, maar op vacatures bij de fractie krijgen we nu ook meer reacties van vrouwen dan van mannen. Het spreekt de eerste groep wellicht meer aan omdat zij ook lang onderdrukt zijn. Maar van een strijd door alleen de elite, zoals in de negentiende eeuw, is allang geen sprake meer.

Wat mij aanspreekt is dat dit stuk laat zien dat wanneer je strijdt voor dierenrechten je eerst genegeerd wordt, ze je dan belachelijk maken, vervolgens criminaliseren, om je ten slotte serieus te nemen. Op dat punt zijn wij nu beland; dit wordt de eeuw van de dieren.’

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen