Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2012

Hoe de SDAP afscheid nam van het marxisme

Het aanpassingsvermogen van een politieke partij in een grimmig tijdperk

Door: Rob Hartmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Eind jaren dertig, terwijl de dreiging van het nazisme steeds groter werd, herzag de Sociaal-Democratische Arbeiders Partij haar beginselen radicaal. De voorloper van de PvdA wist zich snel te moderniseren, onder zware externe druk.

Een partij waar het goed mee gaat, zal nooit besluiten zich te vernieuwen. Ingrijpende veranderingsprocessen binnen politieke partijen worden altijd veroorzaakt door externe druk – electorale neergang of een door andere partijen opgelegd isolement – en daarmee gepaard gaande interne onvrede.

Zo gingen er binnen de PvdA na de zogenoemde ‘overwinningsnederlaag’ van 1986 – waarbij de partij weliswaar steeg van 47 naar 52 zetels, maar niettemin buiten de regering bleef – stemmen op om nu eindelijk definitief afstand te nemen van denkbeelden uit de radicale jaren zestig, die waren vastgelegd in het beginselprogramma van 1977. Na die sterk polariserende en ideologische opvattingen werd het tijd voor een meer zakelijke en pragmatische benadering, zodat een constructieve samenwerking met liberalen en christen-democraten mogelijk werd.

Van deze ideologische discussie kwam echter weinig terecht, aangezien de PvdA reeds in 1989 een regeringscoalitie met het CDA aanging en van 1994 tot 2002 leiding gaf aan twee ‘paarse’ kabinetten. Partijleider Wim Kok wilde wel uit de mode geraakte ideologische veren afschudden, maar vond het niet nodig zich nieuwe aan te meten. Pas na de stormachtige opkomst van het populisme in 2002 en de dramatische verkiezingsnederlaag van dat jaar leek er binnen de partij weer bereidheid zich af te vragen wat in deze tijd de sociaal-democratische beginselen behoorden te zijn. Dat resulteerde in een flinterdun ‘beginselmanifest’, dat in 2005 werd aangenomen.

Gloednieuw programma

Dat het ook anders en vooral veel sneller kan, bewijst de ideologische heroriëntering die de belangrijkste voorloper van de PvdA, de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), in de jaren dertig doormaakte. In 1933 wierpen enkele partijgenoten de vraag op of het uit 1912 daterende, sterk door het marxisme beïnvloede partijprogramma nog wel was toegesneden op politieke en maatschappelijke omstandigheden van dat moment.

Hoewel een door het partijbestuur ingestelde commissie in de herfst van dat jaar tot de conclusie kwam dat een herziening van het partijprogramma niet noodzakelijk was, werd de sociaal-democratische ideologie op tal van punten aangepast en werd in het voorjaar van 1937 een gloednieuw beginselprogramma aangenomen, dat een fundamentele breuk met het verleden betekende.

Dat deze radicale ideologische vernieuwing zich zo snel voltrok, had alles te maken met het feit dat de SDAP zich op verschillende terreinen geconfronteerd zag met een diepgaande crisis. De externe druk liep hoog op en de onvrede die bij sommige partijleden al langere tijd leefde, groeide en verbreidde zich snel.

Hoe zag de crisis waarin de partij verkeerde eruit? Welke factoren voerden de druk op? Waarover ging de onvrede en hoe kon die zo snel manifest worden? Voordat we op deze vragen een antwoord kunnen formuleren moeten we eerst in kaart brengen hoe de partij er vóór die tijd voor stond, en hoe zij zichzelf zag.
 

Marxistische analyses

Rond het einde van de Eerste Wereldoorlog waren de twee belangrijkste eisen van de sociaal-democraten ingewilligd: invoering van het algemeen kiesrecht en de achturige werkdag. Deze successen legden de partij geen windeieren en bij verkiezingen wist zij iets minder dan een kwart van het electoraat aan zich te binden, waardoor de SDAP na de Rooms-Katholieke Staatspartij (RKSP) de grootste partij in de Tweede Kamer was.
 

Geloof was de bottleneck die verdere groei in de weg stond

Hoewel er enkele extreem-linkse splinterpartijtjes waren, waarvan de communisten nog de grootste vormden, kon de SDAP min of meer rekenen op de steun van alle arbeiders die zich bij hun politieke keuze niet gebonden achtten aan een religieuze overtuiging. Geloof was de bottleneck die verdere groei in de weg stond, aangezien de overgrote meerderheid van de katholieke en orthodox-protestantse arbeiders op confessionele partijen bleef stemmen.

Ofschoon de SDAP in deze jaren op allerlei onderdelen afstand nam van de economische denkbeelden van Karl Marx, bleven de sociaal-democraten vasthouden aan de marxistische maatschappijanalyse en de optimistische gedachte dat de sociaal-economische ontwikkelingen op den duur zouden leiden tot een socialistische samenleving.

De ‘concentratietendens’ in het kapitalisme zou leiden tot de vorming van steeds grotere ondernemingen, waardoor kleinere bedrijven en middenstanders steeds verder in de knel kwamen en het ‘proletariaat’ in omvang bleef toenemen. Bovendien zou de verdergaande modernisering samen met de successen van de sociaal-democraten – die vooral werden geboekt door SDAP-wethouders in grote steden en industriegebieden – veel gelovige arbeiders ontvankelijk maken voor het juiste ‘klassenbewustzijn’, en hen doen inzien dat de confessionele politici uitsluitend de belangen van de bezittende klasse dienden.

Groei van de SDAP

De SDAP werd nog met succes buiten de regering gehouden: na de zogenoemde ‘vergissing van Troelstra’ in november 1918, toen de SDAP-leider dacht dat de revolutie in Midden- en Oost-Europa ook naar Nederland zou overslaan, voelden liberalen en confessionelen niets voor sociaal-democratische ministers. Maar de partij en de aan haar verwante organisaties groeiden in de jaren twintig sterk.

Vol vertrouwen keken de SDAP’ers uit naar de ‘schone, klare dag’ waarop ‘het volk’ zijn boeien zou verbreken en de rode dageraad zou gloren. Heel lang kon dat niet meer duren, en in 1927 verklaarde partijleider J.W. Albarda, die twee jaar eerder de oude en zieke Troelstra was opgevolgd, dat men zich ‘in den overgangstijd naar het socialisme’ bevond.
 

Crisis binnen en buiten de partij

Dit optimisme liep een forse deuk op toen begin jaren dertig de wereldwijde economische crisis zich ook in Nederland heel hard deed voelen. Omdat marxisten, net als liberalen, ervan uitgingen dat de economische ontwikkeling niet te sturen was, stond de SDAP evenals de ‘burgerlijke’ partijen met lege handen. In feite moest men afwachten tot het ‘economisch getij’ weer gunstiger werd, en het enige wat de SDAP kon doen was proberen te voorkomen dat de ‘bezittende klasse’ de gevolgen van de crisis afwentelde op de arbeidersklasse.

In plaats van strijden voor verbetering van de levensomstandigheden van de mensen met de laagste inkomens, ging het nu om strijden tegen verslechtering. Deze ‘reformistische’ koers werd fel bestreden door de linkse oppositie binnen de SDAP, die ervan overtuigd was dat deze crisis het einde van het kapitalisme betekende en pleitte voor een ‘revolutionaire klassenpolitiek’. Na veel interne strijd werd deze linkervleugel in 1932 uit de partij gezet, waarna zij de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP) oprichtte, die een jaar later bij de Tweede Kamerverkiezingen geen enkele zetel zou veroveren.

Uiteraard leidde het feit dat de sociaal-democraten zowel politiek als economisch buitenspel stonden tot heel wat frustraties, die een uitweg zochten. Toen als gevolg van de crisis ook de salarissen van het defensiepersoneel werden gekort en dit in Nederlands-Indië leidde tot de muiterij op het oorlogsschip De Zeven Provinciën, betuigden nogal wat SDAP’ers hun sympathie met de opstandige matrozen en viel er ook in de sociaal-democratische pers nogal wat rebelse taal te lezen.

Voor de overige partijen bewees dit opnieuw dat die sociaal-democraten, die zich op lokaal niveau vaak bijzonder betrouwbare en efficiënte bestuurders betoonden, uiteindelijk toch niet te vertrouwen waren. De antisocialistische hetze die toen gevoerd werd, was er mede de oorzaak van dat de SDAP bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1933 twee van haar vierentwintig zetels verloor.
 

De dreiging van nieuwe bewegingen

Op het moment dat aan de andere kant van de wereld de muiterij op De Zeven Provinciën uitbrak, 4 februari 1933, vergaderde het partijbestuur van de SDAP over een ramp die zich veel dichterbij voltrok en verstrekkende gevolgen zou hebben. Op 30 januari was Adolf Hitler immers benoemd tot rijkskanselier van Duitsland, wat de SDAP-bestuurders grote zorgen baarde. De machtige Duitse sociaal-democratische partij, de SPD, waar de SDAP altijd tegen op had gekeken, werd samen met de communistische beweging in één klap van de kaart geveegd.

Wat vlak over de grens plaatsvond, kon ook hier gebeuren, aangezien onder de burgerij flink wat mensen welwillend gadesloegen hoe Hitler die vermaledijde ‘rooien’ aanpakte. O op 7 januari van dat jaar had een nieuwe Nederlandse partij zich aan de buitenwereld gepresenteerd: de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Bovendien zou Nederland in mei 1933 in de persoon van Hendricus Colijn een minister-president krijgen die er herhaaldelijk blijk van had gegeven weinig op te hebben met de parlementaire democratie en bewondering te koesteren voor de Italiaanse dictator Mussolini.

Eigenlijk waren het fascisme en nationaal-socialisme bewegingen die volgens de marxistische theorie helemaal niet behoorden te bestaan. Om te beginnen waren het ideologieën die vooral aanhangers leken te vinden onder de middenklassen, en die waren volgens Marx gedoemd te verdwijnen. Er waren bovendien veel werkloze arbeiders die de antikapitalistische slogans van fascisme en nazisme serieus namen – terwijl de fascistische ideologie vooral een beroep deed op irrationele en immateriële sentimenten, zoals heroïsme en vaderlandsliefde, en volgens het marxisme mensen dienden te kiezen op grond van hun materiële belangen.
 

Eigenlijk waren het fascisme en nationaal-socialisme bewegingen die volgens de marxistische theorie helemaal niet behoorden te bestaan.


Marxistische theoretici zagen het fascisme (als verzamelbegrip) ondanks alle antikapitalistische retoriek als een werktuig van het kapitalisme, en volgens hen vormden deze bewegingen ‘de knuppelgarde van de bourgeoisie’. Dat veel middenstanders, boeren en een deel van het proletariaat in de fascistische propaganda trapten, was het zoveelste bewijs van ‘vals bewustzijn’. Met goede voorlichting en rationele contrapropaganda waren velen wellicht van dit dwaalspoor af te brengen.
 

Kritiek op de SDAP

Volgens sommige SDAP’ers vormde de stormachtige opkomst van het nationaal-socialisme echter het bewijs dat er met de sociaal-democratie een en ander mis was. Zo hamerde de theoloog Willem Banning, voorman van de kleine groep religieus socialisten binnen de SDAP, er vanaf de vroege jaren twintig op dat de partij afstand moest nemen van het marxisme en de eenzijdige oriëntatie op de arbeidersklasse.

Door het socialisme niet te zien als een rechtvaardig ideaal, maar als de uitkomst van ‘blinde’ maatschappelijke krachten, en door het te vereenzelvigen met de belangenstrijd van de arbeiders, maakte de SDAP zichzelf onaantrekkelijk voor mensen uit andere maatschappelijke groepen, en voor degenen die een afkeer hadden van materialisme en doorgeschoten rationalisme.

Ook negeerde de officiële ideologie het feit dat de arbeidersklasse niet langer in omvang toenam en dat de middengroepen in de lift zaten. Bovendien had het marxisme te weinig oog voor de vormende waarde van de democratie. Deze kritiek vond pas breed gehoor toen de bekende Belgische socialist Hendrik de Man haar verwoordde in zijn vermaarde Zur Psychologie des Sozialismus uit 1926. Maar Banning had deze inzichten al eerder geformuleerd.

De denkbeelden van Banning en De Man werden gedeeld door Koos Vorrink, leider van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC), de jongerenbeweging van de SDAP. Hij was van mening dat, door alle nadruk op de verbetering van de materiële positie van de arbeiders, de sociaal-democratie ‘verburgerlijkte’. Het zou nooit mogelijk zijn om een socialistische samenleving te creëren met mensen die nog volledig gevormd waren door de burgerlijke, materialistische en zelfzuchtige mentaliteit van het kapitalisme. Daarom diende de socialistische beweging mensen op te voeden tot hoge idealen als persoonlijke vervolmaking, algemene naastenliefde, sociale gerechtigheid en sociale verantwoordelijkheid.

Banning en Vorrink waren beiden hartstochtelijke pleitbezorgers van de ‘gemeenschapsgedachte’, die haaks stond op het in hun ogen typisch kapitalistische ‘individualisme’. De sociaal-democratie had dit gemeenschapsdenken en het bijbehorende idealisme verwaarloosd en hierdoor grote groepen in de kou laten staan. In zijn in 1932 verschenen boekje Het nationaal-socialisme nam Banning het nazisme serieus en probeerde hij te analyseren waarom het in Duitsland zoveel aanhang vond. Volgens hem profiteerden de nazi’s van de ‘onbetaalde rekeningen’ van de sociaal-democratie. Zij wisten wel andere groepen dan de arbeidersklasse aan te spreken en zij kwamen wel tegemoet aan de behoefte aan idealisme en gemeenschapsgevoel.

Hoewel hij de inhoud van de nazistische ideologie verafschuwde, begreep Banning wel waarom deze zo succesvol was. Bannings analyse van het nationaal-socialisme als een revolutionaire, antirationalistische, antimarxistische en antidemocratische beweging verscheen zeven jaar voor het beroemde boek Het fascisme en de nieuwe vrijheid, waarin Jacques de Kadt een soortgelijk geluid liet horen.
 

Externe druk

Lange tijd hadden Banning en Vorrink binnen hun partij nauwelijks gehoor gevonden, maar onder druk wordt alles vloeibaar en is er ineens veel mogelijk. In 1933 bevond de SDAP zich in een crisis: naast de dreiging van het nazisme werd men ook geconfronteerd met de uitzichtloze economische crisis, de antisocialistische hetze na de muiterij op De Zeven Provinciën, en de teleurstellende verkiezingen. Bij een deel van de partijleiding ontstond het gevoel dat er snel iets moest gebeuren.

Nadat een inderhaast ingestelde Herzieningscommissie tot de conclusie was gekomen dat er niet veel hoefde te veranderen, was het vooral Banning die in het partijbestuur bleef hameren op de noodzaak van een ideologische heroriëntering. En ondertussen werd Vorrink in 1934 partijvoorzitter, waardoor hij de SDAP een idealistischer en strijdvaardiger elan kon geven.

Ook partijleider Albarda, SDAP-fractievoorzitter in de Tweede Kamer, zag de noodzaak van een drastische koerswijziging in en gaf zodoende de ‘vernieuwers’ alle ruimte. Dat gold niet alleen voor Banning en Vorrink, maar ook voor jongere partijgenoten als Jan Tinbergen en Hein Vos, die in 1935 met het Plan van de Arbeid kwamen.

Dit Plan bepleitte naast structurele economische hervormingen vooral een stimuleringspolitiek, zoals econoom John Maynard Keynes die voorstond, en de uitvoering van grote publieke werken, waardoor honderdduizenden werklozen aan het werk geholpen konden worden. In de propaganda rond dit in feite technocratische plan werd juist heel veel aandacht aan emoties en idealisme gegeven. In tegenstelling tot de nazi’s kwamen de sociaal-democraten met een positief en constructief idealisme, waarmee zij hoopten vele wanhopigen een perspectief te bieden.
 

Een breuk met het verleden

Kort na de presentatie van het Plan ging het partijbestuur akkoord met een voorstel van Banning om het partijprogramma uit 1912 te vervangen door een nieuw document. Alleen al de naam van dit nieuwe ‘beginselprogramma’, dat in april 1937 werd aangenomen, betekende een breuk met het marxistische verleden. Het socialisme was niet langer de onvermijdelijke uitkomst van sociaal-economische processen, maar een zaak van beginselen, van idealen, van een doelbewust streven.

Hoewel het nieuwe programma nog altijd antikapitalistisch was, werd het idee van de klassenstrijd overboord gezet. Het socialisme was niet langer uitsluitend een zaak voor de arbeidersklasse, maar voor alle mensen die door het kapitalisme in de verdrukking zaten, zoals middenstanders, boeren, ambtenaren en intellectuelen. De SDAP diende een brede ‘volkspartij’ te worden. Bovendien werd de verbondenheid met de Nederlandse natie benadrukt, werd de monarchie aanvaard, en werd de democratie niet louter gezien als middel, maar tevens als doel.

Terwijl de SDAP op lokaal niveau, door middel van het ‘wethouderssocialisme’, allang had laten zien een betrouwbare partner te zijn, vond de partij nu ook in de landelijke politiek aansluiting bij de ‘burgerlijke’ partijen. De ideeën over economische ordening vonden gehoor bij sommige prominente leden van andere partijen, en de wijze waarop de SDAP de democratie verdedigde tegenover extremisten van rechts én links werd in toenemende mate gewaardeerd, vooral nadat de partij in 1937 afstand had genomen van haar oude eis dat Nederland moest ontwapenen. In 1939 trad de SDAP eindelijk toe tot de regering.
 

Aanpassen in een grimmig tijdperk

Hoewel ook de electorale stagnatie en de economische crisis een rol speelden bij de snelle ideologische heroriëntering, was het toch de dreiging van het nationaal-socialisme die de druk zo snel en hevig opvoerde dat vernieuwers als Banning, Vorrink, Tinbergen, Vos en anderen de kans kregen hun ideeën in belangrijke mate door te voeren. Dat kwam in de eerste plaats doordat het nationaal-socialisme liet zien wat de zwakke plekken van de sociaal-democratie waren.

Achteraf kan men stellen dat het nationaal-socialisme – althans vóór mei 1940 – in Nederland niets voorstelde, maar dat voelde men toen zeker niet zo. Bij de verkiezingen voor de Provinciale Staten in 1935 haalde de NSB gemiddeld 7,9 procent van de stemmen, en tussen 1933 en 1936 steeg het aantal leden van 1000 naar 52.000. Ter vergelijking: de SDAP had er dertig jaar over gedaan om een dergelijk ledenaantal te bereiken.

Bovendien was de machtige Duitse arbeidersbeweging binnen twee maanden volkomen onschadelijk gemaakt. Veel SPD’ers die regelmatig contact hadden met hun Nederlandse geestverwanten zaten in het concentratiekamp of leefden in ballingschap. Uit de notulen van het partijbestuur blijkt dat de SDAP-top de dreiging bijna als fysiek ervoer.

Tot slot kwamen ook in landen als Oostenrijk en Spanje in de loop van de jaren dertig de fascisten aan de macht, terwijl Duitsland een steeds agressievere buitenlandse politiek ging voeren. Onder dergelijke omstandigheden was het begrijpelijk dat de SDAP het tijd achtte om de bakens te verzetten en haar ideologie aan te passen aan een nieuw en grimmig tijdperk.

Meer weten?

Boeken

De invloed van de nationaal-socialistische dreiging op de ideologische vernieuwing van de SDAP wordt uitgebreid geanalyseerd in Rob Hartmans’ Vijandige broeders? De Nederlandse sociaal-democratie en het nationaal-socialisme, 1922-1940 (verschijnt augustus 2012).

Voor de SDAP in respectievelijk de jaren twintig en dertig, zie H.F. Cohen, Om de vernieuwing van het socialisme. De politieke oriëntatie van de Nederlandse sociaal-democratie 1919-1930 (1974) en Peter Jan Knegtmans, Socialisme en democratie. De SDAP tussen klasse en natie (1929-1939) (1989).

De totstandkoming van en propaganda voor het Plan van de Arbeid wordt beschreven in John Jansen van Galen e.a., Het moet, het kan! Op voor het Plan! Vijftig jaar Plan van de Arbeid (1986). Hoe de SDAP probeerde tegemoet te komen aan de behoefte aan een meer idealistische en emotionele wijze van politiek bedrijven valt te lezen in Bernard Rulof, Een leger van priesters voor een heilige zaak. SDAP, politieke manifestaties en massapolitiek 1918-1940 (2007).

Diederik Samsom, fractievoorzitter van de PvdA, koos voor de metamorfose van de SDAP:

‘Met dit onderwerp wilde ik laten zien dat de sociaal-democratie al decennia lang de traditie heeft om in tijden van zware economische crisis de problemen niet uit de weg te gaan, maar juist haar verantwoordelijkheid te nemen. Niet door te snijden in de publieke voorzieningen, maar door op te komen voor mensen, hun leefomstandigheden te verbeteren, de economie aan te jagen en banen te scheppen.

Rob Hartmans omschrijft in zijn gedegen artikel hoe de SDAP destijds al met haar wethouders successen wist te boeken in weerwil van de economische problemen. Ook dat is een traditie die wij tot vandaag de dag voortzetten.
De auteur wijst verder op vernieuwingen zoals het Plan van de Arbeid uit 1935 en het nieuwe beginselprogramma van 1937. Die vernieuwingen waren belangrijk, omdat de SDAP zich daarmee begon te ontwikkelen tot de brede volkspartij die we altijd zijn gebleven. Al bijna 100 jaar vormt de sociaal-democratie nu een brug tussen verschillende groepen in de samenleving, tussen arbeiders en middenklasse, hoger en lager opgeleiden en lagere en middeninkomens. Die brugfunctie is nog steeds van onschatbare waarde.’