Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2012

Het succes van de plantage

Door: Gert Oostindie
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Wie denkt aan de Surinaamse plantages denkt al snel aan de gruwelijkheden van de slavernij. Er is een genuanceerder verhaal te vertellen. Het systeem was gebaseerd op macht en racisme, maar opgezet om zo veel mogelijk geld te verdienen. Dat bracht ook innovaties voort als het ingenieuze polderstelsel. En voor de slaven werden de plantages na enkele generaties leefgemeenschappen, waar zij verbonden raakten met het land en hun voorouders.

‘De Hollanders,’ zo schreef de Franse encyclopedist Guillaume Raynal in 1774, ‘komt de eer toe dat ze in de Nieuwe Wereld de oceaan hebben getemd, net zoals ze dat eerder al deden in onze Oude Wereld.’ Waar doelde Raynal op, in zijn Histoire philosophique, een veeldelige beschrijving van alle Europese koloniën in de wereld?

Op het polderstelsel dat Hollanders – en niet te vergeten Zeeuwen – in de plantagekolonie Suriname hadden ingevoerd. Vrijwel alle plantages lagen aan een van de machtige Surinaamse rivieren en strekten zich dan kilometers ver landinwaarts uit. Een ingenieuze waterhuishouding zorgde voor drainage, irrigatie, transport en waterenergie – en uiteindelijk voor een opmerkelijke hoge productiviteit.

Een paar decennia voor Raynal schreef een andere beroemde Fransman, Voltaire, in zijn roman Candide ou l’optimisme (1759) volstrekt anders over Suriname. Op weg naar ‘de stad’ (sic) Suriname stuit Candide op een gruwelijk verminkte zwarte man; hij mist zijn linkerbeen en rechterhand. Het blijkt een slaaf te zijn van de koopman Vanderdendur, die hem persoonlijk zo heeft mishandeld. ‘Dat is de gewoonte hier. Als we in de suikerfabriek werken en onze vinger in de molen komt, hakken ze onze hand af; als wij willen weglopen, dan hakken ze ons been eraf. Dat is me allebei overkomen. Tegen die prijs eten jullie suiker in Europa.’

Wanneer wij vandaag denken aan ‘Surinaamse plantages’, verbinden we die direct aan slavernij. De meesten van ons zullen zich vooral iets heel akeligs voorstellen, in de zin van Voltaire. Dat zegt veel over de besognes van onze tijd. Er zijn echter andere, meer genuanceerde verhalen over die plantages te vertellen, bijvoorbeeld over de polders. Maar natuurlijk was het hele systeem van plantages en slavenarbeid uiteindelijk gebaseerd op macht en racisme, waar nodig keihard uitgespeeld.

Vanaf het begin in de zeventiende eeuw draaide het in Caribische koloniën als Suriname om de productie van tropische gewassen: bovenal suiker en koffie, verder ook katoen en cacao. Van deze gewassen was alleen cacao inheems in de Amerika’s; de andere gewassen kwamen uit de Oude Wereld. Datzelfde gold voor de arbeidskrachten die op de plantages werkten: slaven van Afrikaanse oorsprong, planters en opzichters uit Europa, na de afschaffing van de slavernij ook nog eens contractarbeiders uit Azië.

Het kapitaal kwam uit Europa, en de deskundigheid ook, al lagen de wortels van die kennis in Azië. Het trans-Atlantische scheepverkeer was in Europese handen. Zo maken de plantages van plantation America – van het Diepe Zuiden van Amerika tot Noordoost-Brazilië – deel uit van de vroegste geschiedenis van de globalisering.

De Nederlanders speelden daarbij een belangrijke rol. Om net als in Azië in de Amerika’s koloniën te kunnen stichten, maar ook om een extra front tegen Spanje te openen, werd in 1621 de West-Indische Compagnie opgericht. Tot de weinige succesverhalen van de WIC behoorde de verovering op de Portugezen van Pernambuco in Noordoost-Brazilië (1630), en vervolgens van Elmina op de Goudkust in het hedendaagse Ghana (1637).

In deze tijd leerde Nederland, zonder noemenswaardige scrupules, dat er veel geld te verdienen was met suikerplantages, die dreven op Afrikaanse slavenarbeid. Nadat de Portugezen Pernambuco hadden heroverd, vertrokken de meeste kolonisten die zich met de Republiek identificeerden naar de Cariben; daar brachten zij de ‘suikerrevolutie’. Waar de Spanjaarden de kleinere eilanden hadden afgedaan als ‘nutteloos’, gingen Britten, Fransen, Denen en ook Nederlanders deze nu succesvol exploiteren als plantagekolonies. Daarbij viel hun oog ook op de Guianas, een gebied aan de noordzijde van Zuid-Amerika.

Nederlanders – eerst vooral Zeeuwen, later Hollanders met een oververtegenwoordiging aan Amsterdammers – financierden daar de stichting van vier kolonies: Suriname, Berbice, Demerara en Essequibo. De laatste drie zouden pas werkelijk tot ontwikkeling komen in de late achttiende eeuw en toen door de Britten worden geannexeerd als British Guiana. Suriname was vanaf 1667 de belangrijkste Nederlandse kolonie, bestuurd door de Sociëteit van Suriname, waarin de WIC en de stad Amsterdam domineerden.

De inheemse, ‘indiaanse’ bevolking was getalsmatig marginaal en leefde voornamelijk in de periferie van de plantagekolonie – in de binnenlanden dus. Het tropisch regenwoud werd al snel ook bevolkt door marrons – Afrikanen die de plantages waren ontvlucht – en hun afstammelingen. Indianen en marrons samen maakten vermoedelijk nooit meer dan 10 procent van de bevolking uit.

De rest woonde in het plantagegebied in de kuststrook en in de enige stad, Paramaribo. De Europese bevolking was sterk gemêleerd, met Hollanders, Zeeuwen, Joden uit de Republiek en Brazilië, Fransen, Duitsers en Britten. Er waren tijden dat het lokale bestuur grote moeite had om voldoende Nederlandstalige vertegenwoordigers voor het lokale bestuur te vinden.

Aan het begin van de twintigste eeuw bestond de overgrote meerderheid van de bevolking nog steeds uit West-Afrikanen en hun nakomelingen. In de gehele periode van de slavernij werden ongeveer 225.000 Afrikanen aangevoerd. Omdat de demografische groei altijd negatief was – bij de Europeanen overigens ook – nam de bevolking nauwelijks in aantal toe en liep deze na de stopzetting van de slavenhandel terug.

In 1750 telde de bevolking, met uitzondering van de inheemsen en de marrons, ongeveer 40.000 zielen: slechts 2000 vrijen en 38.000 slaven. Rond 1775 was dat ongeveer 2500 tegenover 60.000. Aan de vooravond van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 telde het land zo’n 17.000 vrijen en 36.500 slaven. Ook het merendeel van de vrije bevolking was toen al (deels) van Afrikaanse komaf.

Plantages, of eigenlijk de hoop met plantages fortuinen te verwerven – daar draaide het om in de Caribische koloniën, en dus ook in Suriname. Morele overwegingen speelden daarbij nauwelijks een rol. Zolang we niet denken in termen van menselijke waardigheid en van eerlijke internationale verhoudingen was het plantagesysteem een verbluffend succes.

De productie van suiker, koffie, katoen en cacao in de Amerika’s nam spectaculair toe, en de consumptie in Europa groeide navenant. Was suiker in 1500 nog een zeer kostbaar goedje voor de allerrijksten, in 1800 werd het breed gebruikt in de koffie, die ook uit de Nieuwe Wereld kwam, en in de Aziatische thee, die ook Europeanen op die manier goed smaakte. Ook zat het veel in taarten en ander voedsel.

De ene innovatie na de andere maakte de suikerproductie steeds efficiënter. Planters experimenteerden met de beste rietsoorten en systemen voor de verbouw van suikerriet en koffie, en innovaties werden razendsnel verspreid in heel plantation America. De meeste verbeteringen werden gerealiseerd in het fabrieksmatige deel van de suikerproductie.

Het gemalen riet moest worden gekookt in een batterij van ketels en daarna in vaten (‘oxhoofden’) worden gedroogd en verscheept naar Europa, waar de laatste raffinage plaatsvond. Zo ontstond in Amsterdam een bloeiende industriële sector, waar niet alleen de suiker uit Suriname, maar ook die uit andere koloniën werd verwerkt. Het bijproduct melasse werd geëxporteerd naar Noord-Amerika en daar gebruikt voor de productie van rum; op de plantages zelf werd wel dram
voor de slaven gekookt, een inferieure sterkedrank.

Voor het malen van gekapt suikerriet waren molens nodig met reusachtige cilinders. Aanvankelijk werd gebruikgemaakt van ossen die in een tredmolen liepen. Later ging men, waar mogelijk, over op water- of windenergie. Het Surinaamse poldersysteem bleek verbluffend innovatief.

Langwerpige polderplantages lagen met de korte kant aan de rivierzijde. Daar werden dijken gebouwd, en sluizen. Door die sluizen kon water de plantage worden in en uit gelaten. Daarvoor was alleen het getij nodig van de Atlantische Oceaan; dat werkte namelijk door in de rivieren. Wanneer bij vloed de sluis openging, vloeide het water naar binnen, in een kanalenstelsel dat tot diep in de plantage reikte. Bij eb stond het water in de rivier veel lager. Als de sluis openging, stroomde het water uit de kanalen terug in de rivier. Dit systeem was ideaal voor irrigatie en drainage. Bovendien waren de kanalen efficiënte waterwegen, waarop suiker of andere gewassen naar de rivier en vandaar naar Paramaribo en Europa konden worden vervoerd.

Hetzelfde poldersysteem bood de gelegenheid suikermolens te laten draaien op waterenergie. Molens stonden bij de in- en uitvoersluis naar de rivier. Een zorgvuldige planning van de productiecyclus – kappen van het suikerriet, zo snel mogelijk malen in de molen, in een periode met sterke getijverschillen – maakte het mogelijk om met ‘gratis’ waterenergie prachtige opbrengsten te behalen. Over dat systeem sprak Guillaume Raynal zijn bewondering uit.

Maar in zo’n molen verloor de arme slaaf uit Candide zijn arm. Want inderdaad: naast elke molen moest een flinke hakbijl hangen, en wie bij het invoeren van het suikerriet zijn vingers tussen de onverbiddelijk doordraaiende cilinders kreeg, verloor ten minste een hand, maar soms een arm of erger – afhankelijk van hoe snel en koelbloedig een andere slaaf met de bijl ingreep. Dat was geen straf, maar een industrieel bedrijfsrisico.

Daarmee is een tipje van de sluier over de gruwelijkheid van het slavenbestaan opgelicht. Niemand wilde dit zware werk vrijwillig doen. Er waren te weinig inheemsen, en die bleken bovendien ongeschikt. Europeanen konden niet worden gedwongen. Daarom werden Afrikanen ingezet als slaven.

Maar hoe rechtvaardigde men het gebruik van Afrikanen, mensen die eerst in de binnenlanden van Afrika waren geroofd door lokale handelaren en vervolgens aan de kust verkocht aan Europese handelaars? Daar werd in de moederlanden een beetje over geaarzeld, maar uiteindelijk zonder gevolgen. De slavenhandelaren en de slavenhouders in de koloniën stelden zich de vraag nauwelijks.

Als de Afrikanen al als mensen werden beschouwd, dan toch op z’n best als minderwaardige mensen: goddeloos en bijgelovig, te lui om zonder dreiging van de zweep te werken, onbetrouwbaar en gewelddadig, wellustig en promiscue, dom en nauwelijks in staat om nieuwe kennis en inzichten te verwerven. Allemaal self-serving argumenten natuurlijk, maar tot ver in de negentiende eeuw werden ze breed gedeeld in de slavenkolonies.

Het is dat in Groot-Brittannië aan het eind van de achttiende eeuw een sterke beweging ontstond tegen de slavernij, die eerst de Britse slavenhandel (1807) en vervolgens de Brits-Caribische slavernij (1834) tot een einde bracht. En het is dat de Britten in deze tijd de westerse wereld domineerden; anders waren de andere landen pas veel later gevolgd en had de Caribische slavernij misschien wel tot in de twintigste eeuw voortbestaan.

Als die Afrikanen en hun nakomelingen een inferieure soort waren, kon je ze behandelen zoals je ook je beesten behandelde. In de praktijk waren de slaven echter mensen, met een eigen wil en met het vermogen om te leren en zich aan te passen, maar ook om in verzet te komen. Dat was beslissend voor het slavenleven zoals dat zich in de Cariben ontwikkelde.

Na de ongetwijfeld traumatische ervaring van de roof in Afrika, de trans-Atlantische ‘middenpassage’ en de verkoop in de Nieuwe Wereld moesten de overlevenden er het beste van zien te maken. Wat volgde was zeer divers. Er was sprake van geweld, aanpassing en verzet. Over en weer werden kennis en ideeën overgedragen en er ontstonden nieuwe, ‘creoolse’ culturen.

Op Surinaamse plantages draaide het voor de planters, hun zakenpartners en ook de Nederlandse staat allemaal om het werk dat de slaven leveren. Een typische plantage had al snel een ‘slavenmagt’ van zo’n honderd zielen. Zeker eenderde daarvan kon niet werken: te jong, te oud of ziek. Van de ‘werkbaare’ slaven verrichtte het overgrote deel veldarbeid in de rietvelden of de koffieaanplant, of werkte in de suikerfabriek of de koffieloods.

Een klein deel van de slaven had een positie die meer deskundigheid vergde. Zij waren timmerlieden, ‘negerofficiers’ (opzichters), suikerkokers en huishoudsters. Die slaven waren letterlijk meer geld waard en werden ook beter behandeld. Zo ontstond er een hiërarchie binnen de slavenmacht.

Er groeide nog een scheidslijn tussen de slaven. Aanvankelijk waren de meeste slaven Afrikanen (‘zoutwaternegers’), maar in de loop van de tijd groeide het aantal ‘creolen’ die in Suriname zelf waren geboren. Die waren meer gewend aan de routines van de arbeid en het slavenbestaan; de planters beschouwden hen als bruikbaarder en gewilliger, en hun waarde lag dan ook hoger.

Een klein deel van deze creolen was van gemengde afkomst, vrucht van de aanvankelijk nog verboden ‘vleeschelijke conversatie’ tussen Europese mannen en Afrikaanse vrouwen – al dan niet gedwongen. De ‘kleurlingen’ uit deze relaties werden soms gemanumitteerd, ofwel vrijgemaakt. Maar vaker bleven ze slaaf, al waren ze wel oververtegenwoordigd in de hogere posities op de plantage. Kleur en status raakten zo verbonden, ook in esthetische normen – tot op heden.

Op een typische plantage, ver van de stad Paramaribo en de koloniale autoriteiten, leefde op elke vijftig slaven misschien één blanke. Die kon onmogelijk in zijn eentje het werk aansturen en de orde bewaren. Hij had niet het recht om opstandige slaven te executeren. Dat was voorbehouden aan het gezag in de stad – waar de juridische procedures slaven overigens bitter weinig kans boden. Wel mocht een blanke op een plantage zijn gezag handhaven met behulp van lijfstraffen. Maar dat was een te smalle basis.

Dus maakte de planter – de eigenaar van de plantage of diens vertegenwoordiger – gebruik van opzichters uit de slavenbevolking zelf, geprivilegieerde slaven met een heel ambivalente positie. Deze ‘bastiaans’ of ‘negerofficieren’ waren bewapend en vertegenwoordigden het gezag, maar moesten tegelijkertijd de belangen van de slavenmacht behartigen.

Dat kon heel verschillend uitpakken, voor alle partijen. Feit is dat in twee eeuwen slavernij het aantal grote opstanden beperkt is geweest. Tegelijkertijd was er voortdurend sprake van minder spectaculair verzet, van kleine daden van sabotage tot georganiseerde werkstakingen en desertie van de plantage. De planters hadden formeel een geweldsmonopolie, maar moesten in de praktijk schipperen en onderhandelen.

Uit gedetailleerd onderzoek in plantagearchieven is gebleken dat de onderhandelingspositie van de slaven in de loop der tijd verbeterde – wat uiteraard niet uitsloot dat planters en koloniale autoriteiten tot op het laatst ‘exemplarisch’ geweld gebruikten om het gezag te handhaven. Daartoe behoorde ook de dreiging om bij ‘weglopers’ de achillespees door te snijden – wat Voltaire, mede uit frustratie over zijn Nederlandse uitgever Van Duren (‘Vanderdendur’), uitvergrootte tot het afhakken van een been.

Van groot belang was het fenomeen van de ‘creolisering’. Naarmate een groter deel van de ‘slavenmagt’ op de plantage was geboren, werd zo’n plantage steeds meer een leefgemeenschap en niet alleen een plek waar onder zware omstandigheden moest worden gewerkt onder dreiging van de zweep. Het werd een dorp waar de voorouders begraven lagen, waaraan herinneringen en geloof verbonden waren, waar rechten waren opgebouwd, waar op de ‘kostgrondjes’ sinds mensenheugenis eigen voedsel werd verbouwd, waar muziek werd gemaakt en waar religieuze bijeenkomsten werden gehouden.

Er is geen reden om aan te nemen dat de slaven tevreden waren met hun onvrijheid, met het harde regime, met de willekeur die inherent was aan het systeem – maar het risico om door een opstand of marronage de leefgemeenschap te verliezen zal steeds zwaarder zijn gaan wegen. Langzamerhand kregen slaven meer te verliezen met gewapend verzet en meer te winnen met onderhandelen.

Cultureel en religieus bleven wit en zwart nog lang eigen werelden bewonen, maar ook hier deed de creolisering zijn werk. Dat begon met de taal, het Sranantongo (‘Negerengelsch’), dat de lingua franca werd. In Paramaribo ontstond het eerst een gemengde cultuur, maar op de plantages gebeurde dat veel minder.

Religieus was de kloof groot. De witte bevolking was protestants of Joods, de zwarte had haar geloof uit Afrika meegenomen en ontwikkelde dat verder. Kerstening van slaven vonden de planters gevaarlijk (ze zouden er maar eigenwijs en opstandig van worden) en onzinnig (want ze waren toch te dom om het ware geloof te begrijpen: parels voor de zwijnen).

Pas na 1830 werden zendelingen op de plantages toegelaten, die een package deal van het ware geloof, arbeidsethos, gehoorzaamheid aan het gezag en een gedisciplineerd gezinsleven predikten. Ten tijde van de afschaffing van de slavernij stond de volledige slavenbevolking als christelijk te boek. De praktijk was anders, maar inderdaad was (en is) de Afro-Surinaamse bevolking overwegend christelijk, zij het met een heel eigen invulling van dat geloof.

Of we nu kijken Suriname of naar andere Caribische koloniën, overal waren gruwelijkheden inherent aan het systeem. Maar het hele stelsel, van de slavenhandel tot de slavenplantages, werd niet opgezet om Afrikanen van het leven te beroven, maar om over hun ruggen zo veel mogelijk geld te verdienen. Dit getuigt van volstrekte immoraliteit, maar van bewuste genocide was geen sprake. Ook Afrikaanse levens waren geld waard.

Maar bracht het systeem ook het gewenste geld op? Dat is een ingewikkeld vraagstuk. Financieel-economisch was het hoogtepunt na de jaren 1770 voorbij. Toen leidde een al te ruime kredietverschaffing in de voorgaande decennia tot een lange reeks faillieten. Veel eigenaars in Nederland zagen hun bezit verdampen.

Maar in de voorgaande tijden hadden zij veel geld kunnen verdienen en ook na de crisis zou een grote groep belanghebbenden – bankiers, handelshuizen, vervoerders en fabrikanten – goed blijven verdienen aan het Surinaamse plantagebedrijf. Dankzij allerlei innovaties zou de suikerproductie nog lang blijven toenemen, hoewel er steeds minder slaven waren – mede doordat de slavenhandel door Brits ingrijpen in 1815 definitief verboden was.

Aan de vooravond van de afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863 was de omvang van de slavenbevolking sterk teruggelopen. Als het aan de planters had gelegen was de slavernij niet afgeschaft, maar inmiddels was Den Haag wel zover, voornamelijk omdat men niet nog verder wilde achterblijven bij de Britten (1834) en de Fransen (1848). Grootste probleem: de schadeloosstelling – niet aan de slaven maar aan de eigenaars. Uiteindelijk brachten de inkomsten uit het cultuurstelsel de oplossing. Zo financierden de Javaanse boertjes met hun gedwongen arbeid de afschaffing van de slavernij in de West.

Vanwege terechte zorgen dat ‘vrijgemaakten’ niet meer op de plantages zouden willen werken werd nog een systeem van min of meer gedwongen arbeid geregeld, het staatstoezicht (1863-1873). Daarna pas was de slavernij echt voorbij.
De volgende stap van de planterslobby was het rekruteren, naar Brits voorbeeld, van contractarbeiders uit Brits-Indië: ruim 30.000 mannen, vrouwen en kinderen. Daarop volgde nog een even groot aantal contractanten uit Java. Het zou het failliet van het traditionele plantagestelsel slechts uitstellen.

Tegenwoordig wordt er geen suiker of koffie meer verbouwd in Suriname. Wel rijst, in uitgestrekte polders in het voornamelijk door de hindoestanen bewoonde westelijk deel van het land. Opnieuw in polders, naar beproefd Nederlands recept.

Belangrijker gevolg van deze poging de plantagesector ook na de slavernij te laten voortbestaan was dat in Suriname nu een zeer multiculturele bevolking leeft. Ruwweg de helft heeft Afrikaanse wortels en de helft Aziatische.

Meer weten
Alex van Stipriaan schreef de definitieve studie over het Surinaamse plantagestelsel: Surinaams contrast. Roofbouw en overleven in een Caraïbische plantagekolonie, 1750-1863 (1993). Roosenburg en Mon Bijou. Twee Surinaamse plantages, 1720-1870 (1989) van Gert Oostindie is een microstudie en biedt een vergelijkend perspectief.
Meer over de beeldvorming omtrent de Surinaamse slavernij is te lezen in Het paradijs overzee. De ‘Nederlandse’ Caraïben en Nederland (1997), ook van Oostindie. Zie over marronage en slavenverzet Wim Hoogbergen, ‘De bosnegers zijn gekomen!’ Slavernij en rebellie in Suriname (1992).
De bibliotheek over de Surinaamse c.q. Nederlandse slavernij is inmiddels overweldigend groot. Een goede start is de bundel die Carla Boos, eindredacteur van de NTR-serie De slavernij, maakte met haar team: De slavernij. Mensenhandel van de koloniale tijd tot nu (2011).