Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 5/2012

'We hebben het nicht gewusst'

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Als er 102.000 medeburgers worden vermoord en bijna niemand verzet zich, dan moet dat wel te wijten zijn aan onverschilligheid bij de rest van de bevolking. Die redenering vormt de basis van wat Bart van der Boom, docent moderne Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit Leiden, ‘de mythe van de schuldige omstander’ noemt. In zijn nieuwe boek ‘Wij weten niets van hun lot’ geeft hij antwoord op de vraag: wat wist de doorsnee-Nederlander tijdens de Duitse bezetting van de Holocaust?

‘De mythe van de schuldige omstander zegt dat Nederlanders massaal de andere kant op keken toen Joden werden weggehaald om te worden vermoord. Omdat ze niet geïnteresseerd waren of zelfs een afkeer hadden van Joden. Ik bestrijd dat. We hebben het nicht gewusst.’

Van der Boom baseert zich op dagboeken die Nederlanders tijdens de oorlog bijhielden. ‘Ik wilde weten wat mensen toen dachten. Dat kan het best door dagboeken te onderzoeken, want herinneringen zijn te veel gekleurd. In Nederland zijn enkele duizenden oorlogsdagboeken overgeleverd. Daarin is ons land uniek.’

Het beeld dat uit de dagboeken naar voren komt is volgens Van der Boom tamelijk eensluidend: ‘Er is geen twijfel over mogelijk dat de schrijvers de Jodenvervolging verafschuwen. Hun conclusie is dat de Duitsers barbaren zijn en niets van Nederland begrijpen. Geloofsvervolging past niet bij het zelfbeeld van de tolerante natie. Dat wil niet zeggen dat iedereen van elkaar moet houden, maar de afspraak is dat je de ander de ruimte laat om zijn eigen dwaling na te streven.’

Terwijl tegenwoordig de Holocaust wordt beschouwd als uniek en op zichzelf staand, hadden tijdgenoten een ander beeld. ‘Zij hebben de neiging de Jodenvervolging te zien als onderdeel van de onderdrukking van het Nederlandse volk in het algemeen. Ze zien dat de Joden het zwaarder hebben dan andere Nederlanders, maar denken dat wat hun overkomt op den duur ook de rest van de bevolking zal treffen. Dat geldt voor Joodse dagboekschrijvers evenzeer. En soms lijkt dit beeld te worden bevestigd: eerst moeten de Joden hun radio’s inleveren, daarna de anderen ook; eerst worden de Joden afgevoerd, later zijn de dwangarbeiders aan de beurt. Dat is niet het goedpraten of toe-eigenen van Joods leed, maar zo ervaren de mensen het op dat moment. Omdat ze geen weet hebben van wat de Duitsers specifiek met de Joden van plan zijn.’

In verschillende dagboeken is sprake van de ‘vernietiging’ of ‘uitroeiing’ van de Joden. Deze termen kwamen ook voor in de geallieerde en illegale berichtgeving, en soms zelfs in de Duitse. Toch betekenden deze woorden voor tijdgenoten niet hetzelfde als voor de moderne lezer, zegt Van der Boom.

‘De dagboekschrijvers stellen zich vreselijke dingen voor bij wat er met de Joden in het Oosten gebeurt. Ze denken dat ze zware dwangarbeid moeten verrichten, om daar uiteindelijk aan te bezwijken. Wat ze niet weten is dat 80 procent direct bij aankomst wordt vergast. Als je je dat beseft als onderzoeker, worden dagboekpassages die op het eerste gezicht tegenstrijdig lijken ineens begrijpelijk. Hoe kan het anders dat Etty Hillesum op het ene moment schrijft: “Ze zijn uit op onze vernietiging”, en zich op het andere moment afvraagt welke boeken ze zal meenemen naar Polen?’

Dit gebrek aan zekere kennis over de Holocaust is volgens Van der Boom essentieel om de houding van zowel Joden als niet-Joden te verklaren. ‘Vanaf najaar 1940 verwacht men dat de Duitsers de oorlog binnen een paar maanden zullen verliezen. Joden moeten dus tijd winnen. Er zijn mensen die hun overlevingskansen proberen te vergroten door onder te duiken. Maar anderen denken: als ik onderduik en ik word gepakt, dan ben ik een strafgeval en ga ik zeker dood. Ik ben jong en heb een vak geleerd, dus misschien sla ik me er in Polen wel doorheen.

Zo zijn er vrij veel Joden geweest die konden onderduiken, maar het toch niet deden. Slechts een enkeling ontsnapte uit Westerbork, terwijl dat betrekkelijk eenvoudig was. Als Joden zelf met dit dilemma worstelden, dan is het logisch dat niet-Joden ook de risico’s tegen elkaar afwogen. Nu vinden we het laf of onverschillig om niet in verzet te komen, maar uitgaande van de kennis en vermoedens die men toen had leek het een verstandig besluit.’

Dat Nederlanders ‘het’ niet wisten verklaart volgens Van der Boom niet alleen de passiviteit van omstanders, maar ook de houding van medeplichtigen als politieagenten, spoorwegpersoneel en ambtenaren bij de bevolkingsregisters. ‘Ik vraag me af of zij net zo hadden gehoorzaamd als de Duitsers hadden gevraagd: “Kunt u een lijst met namen maken? Dan gaan we die mensen vergassen.” Dat geldt ook voor de Joodse Raad. Mensen dachten oprecht dat ze door mee te werken erger konden voorkomen. Ze wisten niet dat er geen erger bestond.’

Bart van der Boom
‘Wij weten niets van hun lot’. Gewone Nederlanders en de Holocaust
540 p. Boom € 29,90 

Afbeelding: Kinderen uit de crèche aan de Plantage Middenlaan, ca. 1942 (Joods Historisch Museum)