Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

De radicalisering van SS-Voorman Feldmeijer

Door: Bas Kromhout

Historisch Nieuwsblad 5/2012
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Dossier Tweede Wereldoorlog

Hij was de foutste Nederlander tijdens de Tweede Wereldoorlog: Henk Feldmeijer. De Duitse bezetter benoemde hem tot Voorman van de Nederlandse SS. In de winter van 1942-1943 maakte hij als soldaat de Duitse nederlaag bij Stalingrad mee. Vanaf dat moment leek hem alles geoorloofd om de oorlog te winnen.

De NSB

Als deze monumentale trilogie ooit voltooid is, verdienen Te Slaa en Klein een standbeeld. ...Wat een titanenarbeid, en vooral: wat een ondankbare taak! Met ongekende precisie en volledigheid besch

€ 42,50 | Koop nu


Posters in de stad kondigden het aan: op 24 maart 1943 kwam in de Utrechtse zaal Tivoli de ‘Voorman’ van de Germaanse SS in Nederland spreken over ‘De les van het front’. Deze Voorman oftewel leider was Henk Feldmeijer. Voor wie er geen bezwaar tegen had te luisteren naar een van Nederlands meest beruchte landverraders, beloofde het een boeiende avond te worden. Feldmeijer stond bekend als de beste redenaar van de NSB. Met zijn 32 jaar en sportieve uiterlijk vonden vrouwen hem niet onaardig om te zien.

Bovendien was hij kort tevoren teruggekeerd uit de Sovjet-Unie, waar hij als soldaat had gevochten voor Adolf Hitler. Feldmeijer had aan den lijve ondervonden hoe het ‘onoverwinnelijke’ Duitse leger werd teruggedrongen door de Sovjets. Hij had van dichtbij de nederlaag bij Stalingrad meegemaakt.

Hoe had die ervaring hem beïnvloed? Geloofde hij nog wel in de overwinning van het nationaal-socialisme en wilde hij ervoor blijven vechten? Of zou hij proberen – zoals andere NSB’ers deden – zich van de Duitsers en hun politiek te distantiëren?

Feldmeijer was al voor de oorlog een van de meest radicale NSB’ers. De oud-student wis- en natuurkunde uit Groningen was in september 1932 als 479ste lid toegetreden tot de beweging van Anton Mussert. Drie jaar later verruilde hij de collegebanken voor een fulltime bestaan als activist.

Binnen de NSB gold Feldmeijer als een jonge hond, die op een religieuze manier geloofde in het nationaal-socialisme. Vanaf 1935 adopteerde hij het Duitse nazisme, dat nog agressiever en racistischer was dan Musserts gedachtegoed. Hij begon Hitler als idool te vereren en legde in Duitsland contacten met de SS van Heinrich Himmler.

In het najaar van 1939 richtte hij een nieuwe NSB-militie op: de Mussert-garde. Net als bij de SS mochten alleen jongemannen van ‘zuiver’ arisch bloed lid worden. De overheid zag de Mussert-garde als Hitlers vijfde colonne in Nederland. Op 6 mei 1940 werd Feldmeijer gearresteerd en met twintig andere staatsgevaarlijke personen opgesloten in een fort op het Zuid-Hollandse eiland Overflakkee. Toen vier dagen later het Duitse leger Nederland binnenviel, namen hun bewakers hen mee op een dagenlange zwerftocht, die eindigde in Calais. Daar werden Feldmeijer en andere gevangen NSB’ers door de Wehrmacht bevrijd.

Amper was hij als vrij man in Nederland teruggekeerd, of de bezetter vertrouwde hem de oprichting toe van de Nederlandse SS, later Germaanse SS geheten. De organisatie werd ondergebracht bij de NSB, met de opdracht de beweging te winnen voor de zogeheten Groot-Germaanse gedachte. Samen met Duitsland en de andere landen van Noordwest-Europa moest Nederland één rijk gaan vormen. Mussert wilde liever minister-president worden van een zo onafhankelijk mogelijke staat, en tussen Feldmeijer en hem ontspon zich een vete die de hele bezetting duurde.

Feldmeijer en zijn SS’ers probeerden sleutelposities in de NSB en het overheidsapparaat te veroveren, terwijl zij in hun propaganda hamerden op de culturele en rassenkundige overeenkomsten tussen Nederlanders en Duitsers. Hoewel de Nederlandse SS nooit meer dan 4000 leden heeft gehad, beschouwde de bezetter hen als de toekomstige leiders van Nederland binnen het Groot-Germaanse Rijk.

De SS heette een orde van soldaten te zijn. Dit volgde uit de sociaal-darwinistische opvattingen van de nazi’s. ‘Het leven is hard, is strijd,’ schreef Feldmeijer op 20 oktober 1938 in het groeiboek dat hij bijhield voor het kind dat hij en zijn vrouw verwachtten. ‘De kracht en de wil om te leven, daarop komt het aan. En deze moeten telkens worden beproefd om sterk te blijven.’ Bovendien waren het volgens de nationaal-socialistische ontstaansmythe oud-frontstrijders uit de Eerste Wereldoorlog geweest die eerst de partij van Hitler en daarna het Derde Rijk hadden opgebouwd. Ook in Nederland zou de ‘Nieuwe Orde’ slechts tot stand kunnen worden gebracht door mannen die zich als soldaat hadden bewezen.

Onmiddellijk nadat de Nederlandse SS een feit was geworden, begon Feldmeijer de leden op te roepen voor de Waffen-SS, de militaire tak van Himmlers organisatie. Omdat hij als Voorman niet kon achterblijven nam hij zelf ook dienst. In april 1941 maakte hij de Duitse Blitzkrieg op de Balkan mee. Een jaar later vertrok hij naar de Sovjet-Unie om zijn bijdrage te leveren aan Hitlers kruistocht tegen het bolsjewisme.

Feldmeijer bereikte op 19 augustus 1942 de frontlijn in de Kaukasus. Hij was toegevoegd aan de SS-divisie Wiking, die deels bestond uit ‘Germaanse’ vrijwilligers uit de bezette landen. Ondanks zijn hoge politieke functie was hij een eenvoudige onderofficier, want ook de Voorman moest zich militair nog bewijzen. Hij kreeg de leiding over een stuk luchtdoelgeschut, dat ook tegen gronddoelen werd gebruikt, en vier kanonniers.

De Kaukasus was het verste punt dat Hitlers troepen hadden bereikt sinds het begin van de inval in de Sovjet-Unie op 22 juni 1941. Van tevoren had Feldmeijer gehoopt op nieuwe veroveringen, maar het Rode Leger had de opmars tot staan gebracht. De stellingen van de Waffen-SS waren het doelwit van luchtaanvallen en hit-and-run-acties, waartegen weinig uit te richten viel.

‘’t Is om duivels te worden. Dit is een bosjesmannenoorlog,’ schreef Feldmeijer in het dagboek dat hij aan het front bijhield. ‘Ik geloof nauwelijks dat we nog door de Kaukasus komen.’ Zijn stemming werd verder gedrukt door diarree, luizen en het verslechterende weer. Gelukkig hoorde hij over andere Duitse legereenheden positieve berichten: ‘Stalingrad schijnt te zijn binnengedrongen,’ noteerde hij op 14 september.

Kort daarna kwam ook het Kaukasische front weer in beweging. De Duitsers begonnen een offensief tegen de stad Malgobek, waar een belangrijke oliepijplijn lag. Op 26 september werden Feldmeijer en zijn kanonniers in de strijd geworpen. Een van hen, de Nederlandse SS’er Peter Kooymans, heeft het tafereel beschreven in zijn memoires: ‘Dan ontbrandt de slag. De kanonnen donderen. Met een orgelend geluid vliegen de granaten over onze hoofden in de richting van den vijand. Voor ons ratelen de machinegeweren. De grond trilt, de aarde splijt.’ Feldmeijers geschut haalde twee vliegtuigen neer.

De slag om Malgobek was bloedig. ‘Elken dag worden nieuwe graven gedolven,’ schreef Kooymans. ‘Er zijn er reeds honderden. Ik lees op de eenvoudige houten kruizen vele Nederlandsche namen.’ Bijna was het ook met Feldmeijer afgelopen. Op 30 september wierpen Sovjetvliegtuigen bommen af op zijn geschut. Hij zag het gevaar te laat om dekking te zoeken en liet zich op de grond vallen. Een regen van ‘aardbrokken, die niet ophielden naar beneden te komen’ daalde op hem neer. Toen hij daarna om zich heen keek, bleek hij op de rand van een krater te liggen. In zijn dagboek schreef hij dat hij ‘zoo dicht aan den dood voorbijgegaan [was] als nooit tevoren’.

Na de verovering van Malgobek moesten de soldaten zich ingraven, in de hoop dat het leger voor de tweede keer op rij de Russische winter zou overleven. Op 16 oktober 1942 bereikte Feldmeijer nieuws over Stalingrad, waar nog altijd werd gevochten. ‘Ontzettend is dat daar.’ Het grootste deel van de stad was in Duitse handen, maar de Sovjets verdedigden een aantal bruggenhoofden op de westelijke oever van de Wolga hardnekkig. Op 19 november lanceerden ze een tegenaanval, Operatie Uranus genoemd, en na vier dagen hadden ze het Duitse Zesde Leger ingesloten.

Voor de Duitsers dreigde een ramp. Als ze er niet in slaagden het offensief tot staan te brengen, zouden ook de divisies in de Kaukasus worden afgesneden. Hitler beloofde de commandant van het Zesde Leger, generaal Friedrich Paulus, troepen te sturen die het Rode Leger zouden tegenhouden en de omsingeling doorbreken.

Op kerstavond verliet de SS-divisie Wiking haar stellingen in de Kaukasus en trok in de richting van Stalingrad. Na een dagenlange autorit over witbesneeuwde vlakten stopte de colonne in Salsk, een stad op zo’n 160 kilometer van het front. ‘Spreken iemand uit Stalingrad,’ noteerde Feldmeijer in zijn dagboek. ‘1/8 brood per dag en wat watersoep. Maar ze houden vol.’

Vanaf het vliegveld van Salsk vlogen dagelijks Duitse transporttoestellen met voedsel, medicijnen en munitie naar de omsingelde troepen. Luftwaffe-maarschalk Hermann Göring had beloofd dat op deze manier het Zesde Leger zou kunnen standhouden totdat het werd ontzet. In werkelijkheid was de Duitse transportvloot te klein en te kwetsbaar om een effectieve luchtbrug te vormen. Duizenden soldaten stierven in Stalingrad aan uitputting en ondervoeding.

De SS’ers reden verder en bereikten op oudejaarsdag de frontlijn bij Proletarskaja. Hier moesten ze een brug over de rivier de Manytsj, die een essentiële schakel vormde in de verbindingsroute van en naar Stalingrad, koste wat kost openhouden. Ze betrokken hun stellingen en wachtten op de Sovjets. Na vijf dagen was het zover: ‘’s Avonds komt eindelijk de aanval. ’t Is pikdonker. De vlakte voor ons is zwart. 400 à 500 man moeten het zijn. Met luid Hurräh-geroep rennen ze op ons los en schieten van belang. Wij schieten wat we kunnen.’

Bij een granaatinslag werd een van Feldmeijers kanonniers, een Duitser van negentien jaar, gewond aan zijn hand. ‘Zijn linkerduim is weg,’ noteerde Feldmeijer, die de gewonde uit de vuurlinie had getrokken. ‘Bloederige klomp. Ik bind af.’ Kooymans’ gezicht was gehavend en zelf had Feldmeijer een granaatsplinter in zijn rechterelleboog. De situatie werd nijpend. ‘Onze munitie raakt op. Nog slechts twee magazijnen.’ Net op tijd trokken de Sovjets zich terug, een ravage achterlatend. ‘De dooden liggen tot vlak voor onze stellingen. […] Nog laat schreeuwen de gewonden in ’t veld.’

De strijd werd met de dag heviger en onoverzichtelijker. Dorpen wisselden soms twee keer per dag van eigenaar. Op 11 januari 1943 veroverde de Waffen-SS het plaatsje Pituski. De volgende morgen kreeg Feldmeijer melding dat vijandelijke soldaten zich ’s nachts opwarmden in een huis dat tussen de linies stond. Met drie man ging hij eropaf. De familie die er woonde beweerde dat er nooit Sovjetsoldaten in het huis waren geweest, maar Feldmeijer geloofde dit niet. Hij stuurde de familie weg. ‘We steken het huis in brand.’

Inmiddels was hij aan het eind van zijn Latijn. Hij had koorts en last van zijn ingewanden, terwijl vermoeidheid en bittere koude hun tol eisten. Daar kwam bij dat de Duitsers steeds meer terrein moesten prijsgeven aan het Rode Leger. De Wiking-divisie werd teruggetrokken op Salsk. ‘Het voortdurend teruggaan is een moreele belasting,’ krabbelde Feldmeijer.

Op 17 januari verliet de Luftwaffe de stad, waardoor er geen bevoorradingsvluchten meer konden vertrekken naar de omsingelde troepen bij Stalingrad. Alle eenheden maakten zich gereed voor de aftocht. Voedselvoorraden werden verdeeld en de restanten verbrand. Oorlogsmaterieel dat niet meer kon rijden, werd met explosieven vernietigd. Niets mocht in handen van de Sovjets vallen. ’s Avonds besprak Feldmeijer de situatie met zijn mannen. Zij waren ‘onder den indruk van den terugtocht’, maar tegelijk ‘vast overtuigd van den vernietigenden slag tegen de Russen dit jaar’.

Op 20 januari was het de beurt aan de SS om Salsk te ontvluchten. Het Zesde Leger in Stalingrad stond er nu alleen voor. Elf dagen later capituleerde Paulus, tegen het uitdrukkelijke bevel van Hitler in, aan Sovjetmaarschalk Nikolaj Voronov. Het betekende het begin van de ondergang van het Derde Rijk en zijn bondgenoten.

‘Elke maatregel moet worden genomen, welke dienstbaar kan zijn om de zege veilig te stellen. Nimmer mag men aarzelen een betere methode te kiezen, al is die dan ook harder,’ verkondigde Feldmeijer in zijn lezing ‘De les van het front’ op 24 maart in Utrecht. Een maand eerder had de Duitse propagandaminister Joseph Goebbels de ‘totale oorlog’ afgekondigd. Alles wat aan menskracht en materiaal voorhanden was, moest ten dienste van de oorlogsinspanning worden gesteld. Zo werden Nederlandse jongemannen gedwongen te werken in Duitse fabrieken en achter het front.

Feldmeijer stond vierkant achter deze Arbeitseinsatz. Hij begreep dat het ‘hard’ was dat Nederlandse vrouwen hun mannen en zonen moesten afstaan. Maar dit zware lot was licht in vergelijking met de offers die zijn SS’ers brachten aan het oostfront. ‘Zonen van moeders, mannen van vrouwen en vaders van kinderen zijn gevallen. Het is in het aangezicht van hen niet zoo erg om in Duitschland in een munitiefabriek te gaan werken. Iedere soldaat in ons is daarom sentimenteel genoeg om [mannen] in den kraag te grijpen en aan de draaibank te sleepen, zelfs al loopen wij het gevaar impopulair te worden.’

Een andere Duitse maatregel die Feldmeijer toejuichte was het Judenrein maken van Nederland. Ook dit was een onderdeel van de oorlog, die zou gaan om het zelfbehoud van het Germaanse ras. ‘De frontsoldaat weet dat overheersching van de bolsjewisten en de Joden zou beteekenen overheersching van den beestmensch en de onderwereld,’ sprak hij. De bezetter had politieagenten nodig om ondergedoken Joden te arresteren en in de praktijk stonden Nederlandse SS’ers vooraan om deze vuile klus te klaren. Daarmee handelden zij in lijn met de boodschap van de Voorman: ‘Het moet voor den nationaal-socialist een voldongen feit zijn dat het jodenprobleem pas opgelost is als de laatste jood uit ons land verdwenen is.’

Feldmeijer spotte met meer gewetensvolle NSB’ers, die zich liever distantieerden van de Jodenvervolging. ‘Ik weet, het is misschien aanlokkelijk omdat men in de oogen van zijn buurman niet zoo onsympathiek is, wanneer men bijvoorbeeld van de maatregelen tegen de Joden den Duitschers de schuld geeft, omdat men vanzelfsprekend zelf niet zoo erg is.’ Maar voor sympathie kocht een nationaal-socialist niets. De buurman vond hem toch pas echt een fijne vent als hij ‘dertig centimeter onder de zoden’ zou liggen.

Feldmeijer wist dat de overgrote meerderheid van de bevolking hoopte dat Duitsland de oorlog zou verliezen, maar hij had er geen boodschap aan. Als de Nederlanders zich per se tegen de zegeningen van het nationaal-socialisme wilden blijven verzetten, ‘dan zullen wij hen tot hun eigen geluk dwingen. De grootste waardering is voor ons, dat er eens een tijd komt dat men zal zeggen: deze kerels hadden gelijk.’

Jodenjacht en Arbeitseinsatz waren niet de enige nieuwe vormen van onderdrukking waaraan Feldmeijer voluit steun verleende. Toen hij op zijn terugreis van het oostfront op 20 februari 1943 een tussenstop maakte in Warschau, ontmoette hij een mede-SS’er die zojuist uit Nederland kwam. Deze vertelde hem dat het verzet dodelijke aanslagen had gepleegd op NSB’ers. ‘’t Is blijkbaar gedaan met de rust in Nederland,’ schreef Feldmeijer in zijn dagboek. Hij dacht aan zijn eigen vrouw en de vrouwen van zijn ondergeschikten. ‘Zijn ze nog veilig? We zullen straks onze maatregelen moeten treffen. Het spel begint dus.’

Terug in Nederland leek het alsof Feldmeijer van de ene oorlogssituatie in de andere terechtkwam. ‘Het front is overal,’ verkondigde hij. De logische consequentie van deze opvatting was dat de strijdmethoden van het front nu ook in eigen land konden worden toegepast. Geweld moest worden beantwoord met geweld, terreur met terreur.

Feldmeijer was samen met zijn directe chef, de Höhere SS- und Polizeiführer Hanns Albin Rauter, verantwoordelijk voor de beruchte Silbertanne-moorden. Wanneer verzetslieden een aanslag pleegden op een nationaal-socialist, namen Nederlandse SS’ers en leden van de Duitse Sicherheitsdienst wraak door op hun beurt minimaal drie onschuldige burgers te vermoorden. Op deze wijze vonden tussen september 1943 en najaar 1944 in totaal 45 Nederlanders de dood. Het laatste halfjaar was een speciaal team van SS’ers, het Sonderkommando-Feldmeijer, met het moorden belast. Voor deze taak selecteerde Feldmeijer oostfrontveteranen, omdat alleen zij over de vereiste hardheid beschikten.

Zoals voor veel nazi’s gold, had ‘Stalingrad’ op Feldmeijer een radicaliserend effect. In ‘De les van het front’ beweerde hij dat het Duitse debacle slechts een tijdelijke tegenslag was. Toch was zijn vertrouwen in de overwinning erdoor aangetast. Zijn houding zwalkte tussen redeloos optimisme en fatalisme. Dit laatste uitte zich in verheerlijking van het martelaarschap.

De in Stalingrad gesneuvelde soldaten zouden hebben geweten dat er voor hen geen weg terug meer was, en hadden dit aanvaard. ‘Vrij van elken aardschen band hebben deze kerels daar gestaan in het aangezicht van den dood. En zoo waren zij de geheel vrijen, die de democratie getracht heeft te construeeren, maar die zij niet vermocht te construeeren.’ Hun offer verplichtte tot navolging. ‘Iedere persoon, iedere man bezit geen recht meer om te blijven leven.’

Feldmeijer vocht door tot het bittere eind. Talloze Nederlandse nationaal-socialisten verlieten gedurende de laatste twee jaar van de oorlog het zinkende schip. Op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, vluchtten velen naar Duitsland. In Feldmeijers ogen waren dat slappelingen en verraders. Zelf formeerde hij een eigen gevechtseenheid, waarmee hij tegen de geallieerde bevrijders wilde strijden.
Zover kwam het niet. Op 22 februari 1945 werd Feldmeijer, per auto op weg naar het Betuwe-front, bij Raalte doodgeschoten door een geallieerde vlieger. De meest fanatieke nazi die Nederland had voortgebracht deelde zijn lot met de martelaren van Stalingrad. Een eervol lot, zou hij zelf hebben gevonden.

Dit artikel is gebaseerd op Bas Kromhouts biografie De Voorman. Henk Feldmeijer en de Nederlandse SS, die naar verwachting begin zomer 2012 verschijnt bij Uitgeverij Contact.

Meer weten
De Slag om Stalingrad is meesterlijk beschreven door de Britse historicus Antony Beevor in Stalingrad (1998). De moeite waard is ook Geschiedenis van de Waffen-SS van de Amerikaan George H. Stein uit 1963, dat in 2010 opnieuw in het Nederlands is verschenen.
In Wiking (2008) vertelt de destijds 18-jarige SS-soldaat Henk Kistemaker over zijn ervaringen bij dezelfde divisie als waarin Feldmeijer vocht. Dat Nederlanders aan het oostfront lang niet altijd ‘slechts soldaten’ waren, bewijst Evertjan van Roekel in Jongens van Nederland. Daarin staan dagboekfragmenten van SS’ers die in de zomer van 1941 deelnamen aan wreedheden tegen Oekraïense Joden.
De beste studie over de rol van de SS in Nederland tot nu toe is De SS en Nederland (1976) van N.K.C.A. (Nanno) in ’t Veld. Toegankelijker is Voor Führer, volk en vaderland (1979) van Sytze van der Zee, dat enkele jaren geleden opnieuw is uitgegeven. Over de Silbertanne-moorden publiceerde Inger Schaap in 2010 Sluipmoordenaars.

Mussert, een politiek leven

Anton Mussert was de oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging in Nederland ...(NSB) in de jaren voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. De NSB collaboreerde met de nazi's tijdens de oorlog. Mussert was ervan overtuigd dat Nederland...

€ 12,95 | Koop nu

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

E-book: Pantsers stooten door, stukas vallen aan

Melchert Schuurman studeerde muziek en leidde in de jaren twintig een muziekschool en een ...orkest in Alkmaar. In 1933 werd hij lid van de NSB. Hij componeerde een aantal bekende strijdliederen en stelde zangbundels samen voor de beweging. In 1942 ging...

€ 9,60 | Koop nu

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen