Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

'Keynes had gelijk'

Door: Frans KoolsHistorisch Nieuwsblad 3/2012

Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

De Britse econoom John Maynard Keynes was tijdens de crisis van de jaren dertig een van de redders van het kapitalisme met zijn theorie dat de regering de economie moet stimuleren. Maar na 1980 rekenden de neoliberalen met hem af. Zijn naam werd synoniem voor hoge staatsschulden en een verstikkende overheid. Intussen heeft Keynes zijn comeback gemaakt. Heeft hij het antwoord op de huidige crisis?


Hij is al 65 jaar dood, maar toch haalt John Maynard Keynes dezer dagen volop het nieuws. Economen als de Amerikaanse Nobelprijswinnaar Paul Krugman verkondigen dat Amerika en vooral Europa er economisch niet zo slecht voor zouden staan als zij Keynes maar hadden gevolgd. Die riep al dat bezuinigen in crisistijd niet werkt. Krugman verzekert: ‘Keynes had gelijk.’

Aan de andere kant nemen conservatieven de Britse econoom onder vuur. Keynes werd bijvoorbeeld de afgelopen maanden geregeld aangevallen bij de Republikeinse voorverkiezingen voor het Amerikaanse Witte Huis. Presidentskandidaat en gouverneur van Texas Rick Perry sneerde op campagne dat Keynes ‘absoluut niets wist van economie’.

De Amerikaanse economie zou er volgens Perry veel beter voor gestaan hebben als de zittende president Obama in 2009 en 2010 geen keynesiaans stimuleringsprogramma had doorgevoerd. Dat ‘socialistische beleid’ flopte. Het zou ‘geen enkele baan’ opgeleverd hebben. Perry wist: ‘De keynesiaanse politiek en keynesiaanse theorie zijn voorbij.’

Wie is die man die in de huidige crisis óf als grote redder, óf als (mede)schuldige wordt gezien?

Het zou Keynes verbaasd hebben dat hij in verband wordt gebracht met socialisme. Hij wilde beslist geen einde maken aan het kapitalisme. Hij wilde het juist redden. Het marxisme noemde hij geringschattend ‘ingewikkelde hocus-pocus’. Toen begin jaren dertig kennissen naar Moskou reisden en het communisme omarmden, schreef hij geschokt: ‘Laat Stalin een afschrikwekkend voorbeeld zijn voor iedereen die op een experiment uit is.’

Bovendien maakte Keynes niet bepaald een geheim van zijn geprivilegieerde achtergrond. Hij werd in 1883 geboren in Cambridge, waar zijn vader economie doceerde aan de plaatselijke topuniversiteit en waar zijn moeder in de politiek actief was. Keynes bezocht de elitaire Eton-kostschool voor jongens en studeerde daarna in zijn vaderstad wiskunde en economie. Hij behoorde tot de betere stand en daar lag zijn sociaal-politieke sympathie. ‘Bij een klassenoorlog schaar ik mij aan de zijde van de gestudeerde bourgeoisie.’

In Cambridge was Alfred Marshall zijn leermeester. Die bracht Keynes een voor die tijd opmerkelijke houding bij ten opzichte van economie. Volgens andere economen draaide het vakgebied om alles wat mensen niet konden veranderen. De economie was een zelfregulerend systeem waar mensen zo weinig mogelijk aan moesten morrelen. Marshall leerde Keynes dat economie een menswetenschap was die de morele plicht had de materiële omstandigheden van mensen te helpen verbeteren.

Om die voortgang te kunnen stimuleren moest een goede econoom volgens Marshall oog hebben voor politieke en sociale ontwikkelingen en midden in de maatschappij staan. Ook die les nam Keynes ter harte. Hij was geen studeerkamergeleerde die vooral over rekenmodellen gebogen zat. Hij zou zijn hele leven ook werk buiten zijn vakgebied doen. Hij verkondigde zelf: een econoom ‘moet wiskundige, historicus, staatsman en filosoof zijn’.

Keynes hield aan de universiteit ook een vriendenclub over, die uitgroeide tot de Bloomsbury-groep. Dat was een informeel netwerk van kunstenaars, schrijvers en filosofen dat van 1905 tot 1930 grote invloed had op het Britse artistieke en intellectuele klimaat. De leden, onder wie ook de auteurs E.M. Foster, Lytton Strachey, Virginia Woolf en de schilders Vanessa Bell en Duncan Grant, woonden allemaal dicht bij elkaar in de Londense Bloomsbury-wijk.

Ze discussieerden over politiek en kwesties als pacifisme en feminisme, wat Keynes’ links-liberale opvattingen hielp vormen. Onder invloed van de groep spande hij zich steevast in voor de kunsten en hielp hij kunstenaars. Hij financierde in 1936 in Cambridge een nieuw theater. Vlak voor zijn dood in 1946 werd hij de eerste voorzitter van de Arts Council, de Britse Raad voor de Kunsten.

Bloomsbury-leden zetten zich af tegen de bestaande sociale conventies. Ze organiseerden zeer decadente verkleedpartijen en feesten. Binnen de groep speelden zich talrijke ingewikkelde driehoeksverhoudingen af. Keynes had relaties met Lytton Strachey en Duncan Grant. Homoseksualiteit was in de groep gewoon, maar Keynes hield zijn geaardheid voor de buitenwereld strikt geheim. Hij wist dat er zware straffen stonden op homoseksuele handelingen en dat een schandaal hem zijn carrière kon kosten.

Na zijn afstuderen in 1906 zette Keynes zijn zinnen op een baan bij Financiën. Maar daar kwam hij niet binnen, omdat hij bij de toelatingstest juist bij economie ondermaats scoorde. ‘Ik wist blijkbaar meer over economie dan mijn examinatoren,’ verklaarde hij later. Hij moest genoegen nemen met een baan op het India Office, het ministerie dat de kolonie India bestuurde.

Lang hield Keynes het daar niet uit. Hij vond het ambtelijk leven veel te saai. Toen hij in 1909 een baan kreeg aangeboden als universitair docent economie in Cambridge, nam hij die direct aan. Keynes zou die positie zijn hele leven behouden, maar hij sneed de banden met de bureaucratie niet door. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, kreeg hij alsnog een hoge post op Financiën. Hij werd verantwoordelijk voor de externe financiering van de oorlog, via vooral leningen uit Amerika.

Bloomsbury-vrienden vielen hem aan omdat hij indirect meewerkte aan zinloze slachtingen in de Franse en Belgische loopgraven. Hoewel Keynes hun kritiek deelde, bleef hij op zijn post. Na de oorlog werd hij in de Britse regeringsdelegatie opgenomen die de vredesonderhandelingen in Versailles voerde. Toen hij zag hoe de Britten en Fransen Duitsland hard voor de oorlog lieten boeten, nam hij woedend ontslag. ‘De minister-president leidt ons met z’n allen een vernietigend moeras in,’ stelde hij.

Keynes reageerde zijn woede in 1919 af met het boek De economische gevolgen van de vrede. Daarin schetste hij vileine portretten van alle hoofdrolspelers in Versailles en voorspelde hij dat als Duitsland een generatie lang forse herstelbetalingen moest betalen Europa op een nog verwoestender oorlog afkoerste. ‘Die zal vernietigen de beschaving en de vooruitgang van onze generatie.’ In plaats daarvan pleitte Keynes voor een coulante behandeling van Duitsland, en de oprichting van een Europese vrijhandelszone en een wederopbouwfonds met goedkope leningen – adviezen die pas in 1945 serieus genomen werden.

Zijn boek werd een groot succes in Engeland en de Verenigde Staten. Het maakte Keynes in één klap rijk en beroemd, maar het zette ook een streep door zijn plan om toe te treden tot de top van een Britse bank. Het boek gold als anti-establishment en dus wilde geen Britse bank Keynes hebben. Die trad in 1919 wel toe tot de raad van bestuur van een levensverzekeringsmaatschappij.

In de jaren twintig werd Keynes politiek actief. Hij zette zich openlijk in om de Liberals, de links-liberale partij van Groot-Brittannië, in het regeringszadel te krijgen. In artikelen voor de Nation, een weekblad dat hij meefinancierde en bestuurde, ageerde hij tegen het beleid van de conservatieve regering en van de nationale bank. Groot-Brittannië zat de hele jaren twintig in een dip en telde 1 miljoen werklozen, maar de regering wilde niets tegen die werkloosheid doen.

Zij volgde de toonaangevende economen van die tijd, die claimden dat het probleem zich vanzelf zou oplossen. Werkloosheid drijft de lonen naar beneden, net zo lang totdat werkgevers het opnieuw lucratief vinden om extra personeel aan te werven. Pogingen om dat natuurlijke proces te versnellen zouden de problemen nog erger maken, waarschuwde de regering.

Keynes laakte die houding. Het was heel gemakkelijk om te zeggen dat de Britse economie er op de lange termijn bovenop kwam. ‘Op de lange termijn zijn we allemaal dood.’ De aanhoudende Britse recessie liet in zijn ogen zien dat een economie zich soms niet vanzelf herstelt, maar lang in een krimp kan vastzitten.

Het probleem was te weinig vraag, volgens Keynes. De bevolking besteedt door alle werkloosheid minder of laat uit onzekerheid het geld minder rollen. En omdat de vraag laag blijft, nemen werkgevers geen nieuw personeel aan, hoe laag de lonen ook zijn.
Alleen de overheid kan die vraaguitval verhelpen. Door de rente te verlagen, zodat werkgevers goedkoper lenen. Of door belastingverlagingen, zodat burgers meer geld overhouden. Maar onzekere werkgevers en consumenten kunnen dat extra geld oppotten. Daarom is het beter, stelde Keynes, om de overheid direct extra geld te laten uitgeven, het liefst aan publieke werken. Dan wordt het geld helemaal in de economie gepompt en verdwijnt het niet onder matrassen.

Het is goed als de overheid daarvoor het begrotingstekort tijdelijk laat oplopen. Publieke werken helpen mensen aan werk die meer te besteden hebben en zo de vraag opkrikken. Omdat ze ook meer belastingen afdragen, betalen publieke werken zichzelf deels terug. Zodra de economie volop draait kan de overheid de tekorten weer wegwerken via belastingverhogingen.

De werkloosheid is op te lossen, verzekerde Keynes. Maar zijn regering wilde niet luisteren. ‘Ze hebben daar voor alle goed doordachte plannen ten behoeve van de vooruitgang de deur met een “Nee!” dichtgesmeten,’ klaagde hij in een publiek pamflet.

Dergelijke polemieken brachten hem in de publieke belangstelling. Maar Keynes haalde alle kranten toen hij in 1925 de beroemde Russische ballerina Lydia Lopokova huwde. Keynes was niet de enige homo van de Bloomsbury-groep die een lange heteroseksuele relatie aanknoopte, maar zijn societyhuwelijk viel slecht bij zijn vrienden. Die hadden moeite met Lopokova. Het huwelijk bleef kinderloos.

Uiteindelijk bleek de pen van Keynes niet sterk genoeg om de Britse regering tot een beleidswijziging te bewegen. Ook niet toen na de Wall Street Crash van 1929 de economie in elkaar klapte en de werkloosheid opliep tot 2,5 miljoen. Een regering van nationale eenheid begon na 1931 juist te bezuinigen om de tegenvallende belastingopbrengsten op te vangen.

Keynes waarschuwde met klem dat bezuinigingen de crisis verergerden en zinloos waren. ‘Je kunt alleen de begroting in evenwicht brengen door het nationale inkomen te vergroten, wat ongeveer hetzelfde is als het uitbreiden van de werkgelegenheid.’ Hij adviseerde de regering: ‘Pak eerst de werkloosheid aan, dan zorgt de begroting voor zichzelf.’ Maar die sloeg zijn raad andermaal in de wind.
Daarop richtte hij zich op Amerika. Daar kondigde president Franklin Roosevelt in 1939 zijn New Deal-herstelprogramma aan, waarbij hij actief in de economie ingreep en tevens een programma met publieke werken aankondigde. Keynesiaans was dat niet. Roosevelt maakte voor zijn New Deal amper extra geld vrij. Hij geloofde in sluitende begrotingen.

Keynes nam zich voor de president van gedachten te doen veranderen en via Amerika zijn grote gelijk te halen. Hij riep Roosevelt eind 1933 via een open brief in de New York Times op met extra uitgaven de crisis te lijf te gaan. Op voorspraak van Amerikaanse vrienden kreeg hij in 1934 in het Witte Huis een gesprek met Roosevelt.

Dat liep niet goed. Roosevelt meldde na afloop: ‘Hij heeft hier een hele cijferbrij achtergelaten. Hij is vast een wiskundige en geen politiek econoom.’ Ook Keynes was teleurgesteld. ‘Ik was ervan uitgegaan dat de president meer geletterd zou zijn op economisch vlak.’ Roosevelt hield het tekort beperkt.

Keynes liet de polemieken achterwege en stopte veel energie in een boek over economische theorie. Dat zal, schreef hij, ‘in het algemeen de manier revolutionaliseren waarop de wereld over economische problemen denkt’. Niet meteen, ‘maar in de loop van de volgende tien jaar’.

Keynes kreeg gelijk. Het in 1936 verschenen Algemene theorie over werkgelegenheid, rente en geld, waarin Keynes zijn plan om de overheid de vraaguitval actief te laten bestrijden theoretisch onderbouwt, geldt als hét economische werk van de twintigste eeuw.
Het succes kwam sneller dan Keynes had voorspeld. In 1937 zakte het Amerikaanse herstel in en liep de werkloosheid weer op. Aanhangers van Keynes in Amerika riepen luid dat Roosevelt daaraan schuld had door nieuwe bezuinigingen. In het nauw gebracht begon Roosevelt de koopkracht te bevorderen door het begrotingstekort te laten oplopen. Hij rechtvaardigde dat met een beroep op Keynes.

Pas in de Tweede Wereldoorlog, toen hij geen andere keus had, ging Roosevelt een echt keynesiaanse koers varen, pompte hij veel geld in de economie en liet hij het tekort dramatisch oplopen. De resultaten waren spectaculair: in de jaren 1939-’44 verdubbelde de nationale productie bijna. De werkloosheid viel terug van 17 naar ruim 1 procent. Keynes werd een gevierd man in Amerika.

Ook in eigen land kreeg hij nu erkenning. In 1940 werd hij economisch adviseur van de Britse regering. Een jaar later trad hij toe tot het bestuur van de nationale bank, waar hij ooit zo op had afgegeven. In 1942 kreeg hij als baron Keynes of Tilton een zetel in het Hogerhuis. Bloomsbury-vrienden vermaakten zich zeer met zijn erfelijke titel.

Hoewel hij hartklachten had, reisde Keynes in 1944 naar de topconferentie in het Amerikaanse Bretton Woods om een nieuw internationaal monetair stelsel te ontwerpen, dat de wederopbouw op weg moest helpen en een nieuwe crisis voorkomen. Als hoofd van de Britse delegatie ijverde hij voor een wereldmunt, die niet gekoppeld mocht worden aan de munten van individuele landen om hem stabiel te maken. Ook pleitte hij voor oprichting van een wereldbank, die het internationale betalingsverkeer regelde en die het krediet van landen met een groot handelsoverschot in dienst stelde van noodlijdende landen.

De Amerikanen behandelden Keynes als een ster. Maar op alle grote punten schoten zij zijn plannen af. In plaats van een wereldmunt werd de dollar, gekoppeld aan goud, de internationale reservevaluta. Ook kwam er geen internationale bank die de wereldhandel reguleert, maar het Internationale Monetair Fonds (IMF), dat alleen beperkte leningen verstrekt.

Hoewel hij teleurgesteld was, woonde Keynes toch de oprichtingsvergadering van het IMF in 1946 in het Zuiden van Amerika bij. Vandaar nam hij de trein naar Washington. Onderweg kreeg hij een zware hartaanval. Bijna een maand later, op 21 april 1946, stierf Keynes thuis in bed. Een paar jaar te vroeg om zijn grootste triomf mee te maken.

In de jaren vijftig namelijk omarmden Europa en Amerika het keynesianisme. Zij ontwikkelden zich tot gemengde economieën, waarin privé-initiatief en overheidsbeleid elkaar versterken. In de optimistische jaren zestig geloofden beleidsmakers dat de overheid de economische cyclus van expansie en krimp kon temmen en volledige werkgelegenheid kon garanderen. Terwijl Keynes tekorten een tijdelijk kwaad noemde, riepen zijn volgelingen dat semipermanente tekorten geen punt waren.

Maar in de jaren zeventig werd de keynesiaanse consensus doorbroken. Neoklassieke economen als Milton Friedman ontkenden dat het kapitalisme instabiel kan zijn en dat overheden moeten bijsturen. ‘De overheid is niet de oplossing van onze problemen. De overheid is het probleem,’ riepen neoliberalen de Amerikaanse president Ronald Reagan na. ‘Deregulering’ werd het nieuwe toverwoord.
Conservatieven in vooral Amerika klaagden dat Keynes de federale overheid zo machtig maakte dat hun land socialistisch dreigde te worden en de vrijheden in het gedrang kwamen. Keynesiaanse ideeën leken bovendien niet meer te kloppen: toen in de jaren tachtig de westerse economieën weer groeiden, bleef de werkloosheid hoog.

Maar toen in 2008 de financiële crisis uitbrak, werd Keynes herontdekt. Amerika en Europa kondigden economische stimuleringsmaatregelen aan. De overheid was plots weer in. De Chinese premier haalde het idee voor een wereldvaluta van stal, uit onvrede over de instabiele dollar.

Binnen het jaar was de nieuwe keynesiaanse consensus echter weer voorbij. Keynes zorgt sindsdien voor scherpe verdeeldheid. Sommige economen en beleidsmakers wijzen op de gelijkenissen tussen de crisis van nu en die in de jaren dertig. Maar conservatieven in vooral Amerika en Groot-Brittannië zien Keynes weer als deel van het probleem.

Wat zou Keynes doen? Daar valt over te debatteren. Maar het zou hem zeker verbaasd hebben hoezeer beleidsmakers de afgelopen jaren de financiële markten grote economische besluiten lieten nemen. Keynes geloofde niet dat die zich rationeel gedragen.
Hijzelf investeerde met wisselend succes. Speculanten doen niets meer dan ‘anticiperen op wat de doorsnee-opinie verwacht dat de doorsnee-opinie wordt’, zei hij.

Hij zou ook afkerig geweest zijn van de woekerpraktijken en bonussen van de financiële wereld. ‘Liefde voor geld’ omwille van het geld was niet goed.

Keynes waarschuwde tegen een wereld waarin financiële berekeningen alles bepalen en de zon en de sterren uitgezet worden, ‘omdat ze geen dividend uitkeren’. Geldlust deugde alleen als die leidde tot ‘een goed leven’, dat de wereld verbeterde.


MEER WETEN

Boeken
De Britse oud-hoogleraar politieke economie Robert Skidelsky geldt als dé kenner van Keynes. Hij schreef een driedelige biografie: Hopes Betrayed 1883–1920 (1983), The Economist as Saviour, 1920–1937 (1992) en Fighting for Britain, 1937–1946 (2000). Na het uitbreken van de financiële crisis legde hij in De terugkeer van de meester (2010) uit dat Keynes actueler is dan ooit.
Historicus Peter Clarke schetst in Keynes (2010) bondig het leven en de ontwikkeling van het denken van de Britse econoom. Wel veronderstelt Clarke nogal wat achtergrondkennis bekend.

Schrijfster Sylvia Nasar legt in A Story of Economic Genius (2011) uit hoe in de afgelopen tweehonderd jaar de moderne economische wetenschap is ontstaan. Keynes bekleedt een prominente plaats in haar spannende verhaal.
In Keynes Hayek. The Clash that Defined Modern Economics (2011) geeft Reuters-journalist Nicholas Wapshott de conservatieve kritiek en reactie op Keynes weer.

Internet
Via Project Gutenberg is De economische gevolgen van de vrede (1919), Keynes’ aanklacht tegen de Vrede van Versailles, als e-book te lezen: www.gutenberg.org/ebooks/15776.
Het Britse Tate Museum heeft levensbeschrijvingen, brieven en foto’s van de leden van de Bloomsbury-groep online gezet: www.tate.org.uk/archivejourneys/bloomsburyhtml/.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Overvloed en onbehagen

'Een rijk geïllustreerd boek om eindeloos in te dwalen.'

€ 75,00 | Koop nu

Middeleeuwen