Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2012

Het korte succes van DS'70

Door: Rob Hartmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 1971 behaalde het nieuwe DS’70 in één klap acht zetels in de Tweede Kamer. De partij was een behoudende afsplitsing van de PvdA, die in de woelige jaren zestig was geradicaliseerd. Het verrassende succes zou van korte duur zijn.


In de jaren zestig leek alles te veranderen. Stijgende welvaart, ontkerkelijking, individualisering, de opkomst van een jeugdcultuur, emancipatie van de vrouw, een vrijere seksuele moraal – het ging allemaal razendsnel en kwam vooral voor de oudere generaties als een schok.

Ook in de politiek broeide het. Er rees verzet tegen wat de ‘regentenmentaliteit’ van de oudere bestuurders werd genoemd en tegen het tamelijke ondoorzichtige karakter van het Nederlandse politieke bestel. Hoewel socialisten, confessionelen en liberalen vooral in verkiezingstijd ideologisch een keel opzetten, werd vrijwel alles in achterkamertjes geregeld en geritseld. Er dienden zich nieuwe partijen aan, zoals het liberale D’66 en de Politieke Partij Radicalen (PPR), in 1968 opgericht door vernieuwingsgezinde katholieken die vonden dat hun kerk en de Katholieke Volkspartij (KVP) niet met hun tijd meegingen.

Uiteraard werd ook de PvdA aangeraakt door de onrust der tijden. De sociaal-democraten waren allang niet meer de opstandige types voor wie de burgerij vroeger zo bang was geweest. Na de oorlog had de partij tot 1958 deel uitgemaakt van de regering, waarvan tien jaar onder leiding van premier Drees. In deze periode had Nederland zich niet alleen hersteld van de oorlog, maar was ook de welvaart toegenomen en een begin gemaakt met het optuigen van de verzorgingsstaat.

Voor veel PvdA-leden en -stemmers was dit reden tot grote tevredenheid. Eindelijk hoefden arbeiders niet meer bang te zijn dat werkloosheid of arbeidsongeschiktheid de honger in huis bracht, en door de snel stijgende lonen kwamen allerhande luxeartikelen als koelkasten, tv’s en zelfs auto’s binnen het bereik van de ‘gewone man’.

Veel jongeren dachten daar heel anders over. Die brave sociaal-democratische wethouders en vakbondsbestuurders, met hun grijze colbertjes en aktetassen vol statuten, notulen en moties, waren in hun ogen lang niet ‘hip’ genoeg. Het waren mannen – en een handvol in bloemetjesjurk gestoken vrouwen – van gisteren, die één ding niet doorhadden: the times they are a changin’, weet je wel!
Niemand zou er dan ook raar van hebben opgekeken als ook de PvdA geconfronteerd was met een radicale afsplitsing. Per slot van rekening was in 1909 en 1932 de linkse oppositie ook al eens vertrokken. De sociaal-democratische moederpartij radicaliseerde nu echter zelf heel sterk, en het waren juist behoudende partijgenoten die opstapten.

Dat resulteerde in de oprichting van Democratisch Socialisten ’70 (DS’70), een partij die bij de verkiezingen van 1971 een grote overwinning boekte en meteen in de regering kwam. De teloorgang van DS’70 voltrok zich echter ook heel snel, zodat weinig Nederlanders onder de vijftig nog weten wat voor club dit was. Om te begrijpen waar de partij voor stond, moeten we terug naar de PvdA van halverwege de jaren zestig.

In september 1966 publiceerde een aantal jongere PvdA’ers, onder wie Han Lammers, André van der Louw en Arie van der Zwan, het manifest. Dit door ruim zeventig partijgenoten ondertekende pamflet bevatte een allegaartje van radicale eisen, waaraan geen duidelijke maatschappijanalyse of heldere politieke visie ten grondslag lag, en die vooral bedoeld leken om opschudding te veroorzaken.

Zo deden enkele programmapunten – zoals vergaande medezeggenschap van werknemers en het invoeren van een successiebelasting van 99 procent voor erfenissen boven de 100.000 gulden – denken aan het socialisme van vóór 1937, het jaar waarin de Nederlandse sociaal-democratie definitief afscheid had genomen van haar marxistische erfenis. Daarnaast diende de partij volgens de auteurs vooraf aan te geven over welke punten uit het verkiezingsprogramma niet kon worden gemarchandeerd. Echt nieuw was dit allemaal niet, zodat Het Parool de groep erachter aanduidde als ‘de linkse biljartclub van conservatieve “jongeren”’.

De meeste ophef werd veroorzaakt doordat deze groep, die zich Nieuw Links noemde, duidelijk brak met het anticommunisme uit de Koude Oorlog. Enerzijds was het toetreden van de rechtse dictatuur Spanje tot de NAVO reden om te pleiten voor het vertrek van Nederland uit deze verdedigingsorganisatie. Anderzijds wilden de Nieuw Linksers dat ons land onmiddellijk de DDR en de communistische verzetsorganisatie van Zuid-Vietnam, de Vietcong, erkende.

De Nederlandse sociaal-democratie had altijd zowel het communisme als het fascisme gezien als een totalitaire ideologie, die bestreden moest worden. Bovendien zagen veel oudere partijgenoten erkenning van de Vietcong als een slag in het gezicht van de Amerikanen, die ons in 1945 hadden bevrijd van de nazi’s en die sindsdien de grootste bijdrage leverden aan de verdediging tegen het communisme, dat ruim een kwart van de wereld in zijn greep had. Blijkbaar bevatten die jongeren, die de oorlog niet (bewust) hadden meegemaakt, de waarde van de democratie niet echt.

Nieuw Links was een exponent van de culturele revolutie die Nederland in de jaren zestig in zijn greep kreeg. Dat flink wat oudere PvdA’ers hier moeite mee hadden, was niet zo heel vreemd. Juist nu de arbeider het materieel beter had en zich enige luxe kon veroorloven, begonnen de jongeren, die de crisis van de jaren dertig niet hadden meegemaakt, kritiek te leveren op de consumptiemaatschappij en te zeuren over milieuvervuiling. Terwijl veel werknemers er trots op waren dat ze zoveel verdienden dat hun vrouw niet meer hoefde te werken, begonnen feministes te roepen dat huisvrouwen onderdrukt werden en dat zij economisch zelfstandig moesten worden.

Veel sociaal-democraten waren gevormd in de vooroorlogse jeugdbeweging, toen ze op de Paasheuvel netjes volksdansten en elkaar voorhielden dat je ‘rein’ diende te leven. Voor deze generatie, voor wie zelfbeheersing en zelfdiscipline als belangrijke deugden golden, waren rock-’n-roll, drugs en vrije seks even slikken. Tussen de Paasheuvel en Woodstock lag niet alleen in letterlijke zin een oceaan.

Terwijl sociaal-democratische, fel anticommunistische veteranen als de essayist en ideoloog Jacques de Kadt, Parool-oprichter en oud-verzetsman Frans Goedhart, en Meyer Sluyser, in de jaren dertig propagandaleider van de SDAP, zich opwonden over die opstandige, ongemanierde en niet in de socialistische theorie geschoolde jongeren, voltrok de opmars van Nieuw Links zich in adembenemend tempo. Op het partijcongres van 1967 werden enkele punten uit Tien over Rood overgenomen in het verkiezingsprogramma en werden zeven Nieuw Linksers in het partijbestuur gekozen.

Ondertussen was namelijk ook op afdelingsniveau de aanval begonnen op wat Vrij Nederland-redacteur Martin van Amerongen omschreef als ‘die hemeltergend saaie club van uitgezakte confectiedragers en kwitantielopers’. Tal van opstandige jongeren meldden zich als PvdA-lid en begonnen de afdelingsvergaderingen te frequenteren.

Door eindeloos te discussiëren over de noodzaak van de nationalisatie van de banken en het misdadige Amerikaanse optreden in Vietnam wisten zij de vergaderingen zo lang te laten uitlopen dat werknemers die de volgende ochtend weer op tijd bij de prikklok moesten staan het voor gezien hielden. Hierdoor konden niet alleen allerlei radicale resoluties worden aangenomen, maar werden ook steeds meer Nieuw Linksers afgevaardigd naar partijcongressen, zodat ook hun positie in het partijbestuur sterker werd.

In 1968 had zich een groep verontruste partijgenoten gemanifesteerd, die zich grote zorgen maakte over het ondemocratische optreden van Nieuw Links en de steeds linksere koers die de partij dreigde te gaan varen. Kort na het onderdrukken van de ‘Praagse Lente’ waren deze PvdA’ers van mening dat niet alleen rechtse dictaturen als die in Spanje en Portugal moesten worden veroordeeld, maar ook de zogenaamde linkse regimes van het Oostblok, China en Noord-Vietnam.

Omdat deze verontruste partijgenoten niet onder een gezamenlijke naam opereerden, kreeg de groep in de pers al snel de bijnaam ‘Oud Rechts’. Aangezien deze rechtgeaarde sociaal-democraten dat niet op zich konden laten zitten, gingen ze zich al snel Democratisch Appèl noemen.

Hoewel de zogenoemde ‘kerngroep van Nieuw Links zich eind 1968 ophief, bleven de sympathisanten ervan een belangrijke machtsfactor binnen de partij en wisten zij de PvdA in radicaler vaarwater te sturen. Als gevolg hiervan werd gekeken naar samenwerking met kleinere, maar radicalere linkse partijen als de PSP en de PPR. Dit leidde tot het Progressief Akkoord (PAK), dat inhield dat om te beginnen op lokaal niveau zou worden getracht tot samenwerking tussen de drie partijen te komen.

In Eindhoven leidde dit in 1969 tot een hoogoplopend conflict tussen de sociaal-democratische raadsfractie, die tevreden was over de samenwerking met de machtige KVP, en het naar linkse krachtenbundeling snakkende afdelingsbestuur. Uiteindelijk bedankten de tegenstanders van het PAK voor het partijlidmaatschap, en meldden zij op 27 januari 1970 dat ze een eigen partij gingen oprichten: Democratisch Socialisten ’70.

De Eindhovense initiatiefnemers kregen al snel versterking van verontruste sociaal-democraten uit andere gemeenten waar een soortgelijk conflict was ontstaan, terwijl enkele maanden later ook de leden van het Democratisch Appèl zich bij de nieuwe partij aansloten. Al snel was DS’70 in de Tweede Kamer vertegenwoordigd, aangezien de PvdA-parlementariërs Frans Goedhart en Wijbrand Schuitemaker in conflict raakten met hun partij.

Toen de linkse partijen met een motie kwamen waarin de houding werd afgekeurd van de Nederlandse regering, die achter de Amerikaanse interventie in Cambodja stond, stapten Goedhart en Schuitemaker uit de fractie. Hoewel zij officieel door het leven gingen als de Groep-Goedhart, vormden ze in feite de DS’70-fractie. Deze werd al snel versterkt met een Eindhovense partijgenoot die als eerste op de lijst stond om een vertrekkend Kamerlid van de PvdA op te volgen, maar die inmiddels lid van DS’70 was geworden.

Dat de nieuwe partij fel tegen Nieuw Links en andere vormen van radicalisme was, daarover bestond geen onduidelijkheid. Maar waar was zij eigenlijk vóór? Op het verkiezingscongres van DS’70 in februari 1971 stelde Frans Goedhart dat de partij gewoon de voortzetting was van de PvdA van vóór de opkomst van die radikalinski’s van Nieuw Links met hun coltruien en bakkebaarden: ‘Wij zijn links, ja, wij zijn voor een krachtige sociale politiek. Wij staan aan de kant van de kleine man, ja, en wij zijn bondgenoten van de grote massa der werknemers.’

Ook moest DS’70 niets hebben ‘van een regerings- en ondernemerspolitiek die tot onmogelijke spanningen op de arbeidsmarkt en tot een hollende loonontwikkeling leidt, waardoor de prijzen voortdurend stijgen, zodat niemand iets aan al die loonsverhogingen heeft en wij voortdurend dieper in het moeras van de inflatie dreigen te verzinken’.

Goedhart benadrukte dat DS’70 een gematigde, verstandige partij was, die geen boodschap had aan het modieuze radicalisme van die jaren: ‘Wij zijn tegen geldverspilling en het van staatswege uitdelen van subsidie aan Jan en alleman, die de moeite willen nemen om met een spandoek voor het ministerie van dr. Klompé [Cultuur, Recreatie en Maatschappelijke Werk] te gaan demonstreren.’

Dit was tevens de afscheidsrede van de moegestreden Goedhart, die de fakkel overdroeg aan Willem Drees (1922-1998), die lijsttrekker van de nieuwe partij was geworden. Als zoon van de voormalige premier – die inmiddels ook had gebroken met de partij waarvan hij sinds 1904 lid was geweest – bracht ‘de jonge Drees’ met zijn achternaam een zeker politiek kapitaal mee. PvdA-coryfee Jaap Burger schreef zuur over ‘het misbruik van een beroemde naam’, maar terecht was dat niet.

Drees was een gerenommeerd econoom, die op dat moment als thesaurier-generaal de hoogste ambtenaar was van het ministerie van Financiën en daarnaast als buitengewoon hoogleraar openbare financiën aan de Economische Universiteit van Rotterdam doceerde. Hij wilde de sociaal-democratische koers van vóór de opkomst van Nieuw Links vasthouden.

Hoewel hij door linkse PvdA’ers uiteraard voor erg ‘rechts’ werd versleten, was hij heel kritisch over de confessionele partijen, die volgens hem vooral een conservatieve kracht vormden: ‘Als het woord van Heine geldt, dat Nederland altijd vijftig jaar achterloopt, komt veertig jaar daarvan op rekening van de christelijke partijen.’ Ook tegen de liberalen koesterde hij grote bezwaren, omdat die ‘Gods water over Gods akker laten lopen en proberen dan die akker zo duur mogelijk te verkopen’.

Drees pleitte voor een zuinige overheid, terugdringing van de inflatie, een pro-Amerikaanse, anticommunistische buitenlandse politiek, het reguleren van het kapitalisme maar geen nationalisaties of vormen van arbeiderszelfbestuur, en meer aandacht voor een leefbaar milieu en het probleem van de mobiliteit.

In verband met die twee laatste problemen was hij bezorgd over de snelle bevolkingsgroei en maakte hij ooit de – door PVV’er Martin Bosma gretig geciteerde – opmerking dat Nederland ‘een vol land’ was. Zijn kritiek op het massaal aantrekken van ‘gastarbeiders’ door het Nederlandse bedrijfsleven kwam overigens voort uit het feit dat dit primair het belang van de ondernemers diende, terwijl er niet was gezorgd voor een fatsoenlijke opvang van deze mensen.

De sociaal-democratische moederpartij – die van eerdere, linkse afsplitsingen in 1909 en 1932 electoraal weinig last had gehad – schrok behoorlijk toen DS’70 bij de verkiezingen van 1971 in één klap acht zetels behaalde, terwijl de PvdA slechts twee zetels extra kreeg en op 39 zetels uitkwam. De voormalige regeringspartijen KVP, ARP, CHU en VVD hadden in totaal twaalf zetels verloren en beschikten gezamenlijk over niet meer dan 74 zetels, maar wilden wel opnieuw een kabinet vormen. Daardoor kon de splinternieuwe partij meteen aanschuiven bij het te vormen kabinet-Biesheuvel.

De PvdA, die DS’70 tijdens de campagne zo veel mogelijk had doodgezwegen, stond knarsetandend langs de zijlijn, terwijl Drees minister van Verkeer en Waterstaat werd en de democratisch-socialisten nog een minister en twee staatssecretarissen mochten leveren.

Door onenigheid over het financieel-economisch beleid, slechte persoonlijke verhoudingen, verschillen in politieke stijl en politieke onervarenheid van DS’70-bewindslieden, viel het kabinet-Biesheuvel al na een jaar. Bij de verkiezingen van 1972 verloor DS’70 twee van de acht zetels. Het oppositievoeren tegen het daarna aangetreden kabinet-Den Uyl ging Drees niet best af, zodat zijn partij in 1977 zwaar werd afgestraft en slechts één zetel overhield.

Drees had eerder gepleit voor invoering van een kiesdrempel van drie zetels en nu aanvaardde hij de consequentie en vertrok uit de Kamer. Zijn opvolger Ruud Nijhof verloor de laatste zetel in 1981. Twee jaar later werd DS’70 opgeheven.

Waarom verdween DS’70 alweer zo snel uit de Nederlandse politiek? Om te beginnen ontstond de partij uit verzet tegen de voortschrijdende radicalisering van de PvdA. Maar die radicalisering werd, zeker na de totstandkoming van het kabinet-Den Uyl, afgeremd. Eenmaal op het pluche – in het kabinet of in colleges van B&W – moest er een flinke scheut (wij)water bij de rode wijn en ontpopten veel Nieuw Linksers zich tot echte regenten.

Niettemin was het politieke klimaat flink gepolariseerd. Dat was een van de overige oorzaken van de geringe levensvatbaarheid van DS’70. Er was, zeker zolang het nieuw gevormde CDA de christelijke kiezers nog in belangrijke mate aan zich wist te binden, eenvoudigweg weinig plaats voor een partij die niet uitgesproken links of rechts was. De electorale ruimte tussen PvdA en VVD was te krap om naast D’66 nog een substantiële partij te herbergen.

Daarnaast was DS’70 ook typisch het product van de generatiekloof, die door de culturele revolutie ineens heel groot leek. Sociaal-economisch was DS’70 niet erg behoudend – in feite zou de PvdA in de jaren negentig veel van de standpunten van de jonge Drees overnemen –, maar in sociaal-cultureel opzicht was de partij tamelijk conservatief. En dat terwijl Nederland in korte tijd een ‘progressief’ land werd, waarin allerlei zaken die halverwege de jaren zestig nog als bijzonder schokkend werden ervaren – seks voor en buiten het huwelijk, ongehuwd samenwonen, homoseksualiteit, vrouwenemancipatie, het gebruik van softdrugs, popmuziek en andere uitingen van de jeugdcultuur – vrij snel in brede kring werden geaccepteerd.

Jacques de Kadt – die overigens wel met de PvdA brak, maar geen lid werd van DS’70 omdat hij in zijn leven al genoeg aan ‘partijgymnastiek’ had gedaan – had de jeugdrevolte omschreven als ‘de rebellie der pubers’, maar blijkbaar vond een groot deel van Nederland een dergelijke verjongingskuur heel aantrekkelijk. De sociaal-democraten die kozen voor DS’70 stonden in feite een beetje naast de ‘tijdgeest’.

ACTUEEL

Als er nu Tweede Kamerverkiezingen werden gehouden zou de PVV volgens peilingen de tweede grootste partij worden. De PVV ziet zichzelf als de opvolger van DS’70, waarvan Willem Drees junior het boegbeeld was. Diens zoon Willem B. Drees heeft eerder geprotesteerd tegen de toe-eigening van de PVV.

Juist nu de arbeider zich enige luxe kon veroorloven, begonnen de jongeren kritiek te leveren op de consumptiemaatschappij en te zeuren over milieuvervuiling
Goedhart benadrukte dat DS’70 een gematigde, verstandige partij was, die geen boodschap had aan het modieuze radicalisme van die jaren
De jonge Drees maakte de opmerking dat Nederland ‘een vol land’ was
Er was eenvoudigweg weinig plaats voor een partij die niet uitgesproken links of rechts was

MEER WETEN?

Over DS’70 schreven H. Vingerling en C.C. Schouten een dissertatie, die in alle betekenissen van het woord uitputtend genoemd kan worden: Democratisch Socialisten ’70. Nevenstroom in de sociaal-democratie? (2003). Van Willem Drees junior verscheen postuum zijn autobiografie, Gespiegeld in de tijd (2000).
Een goede, kritische studie over de PvdA ten tijde van Nieuw Links is er nog altijd niet. Voor een eerste indruk, zie Jos Perry e.a., Honderd jaar sociaal-democratie in Nederland 1894-1994 (1994).

Kader

DS’70, een voorloper van de PVV?
In zijn boek De schijn-élite van de valse munters (2010) steekt PVV-Kamerlid Martin Bosma de loftrompet over de oude en de jonge Willem Drees, die al rond 1970 zouden hebben gewaarschuwd tegen de islamisering van Nederland. Ook beschreef hij DS’70 als een sociaal bewogen partij die vóór gezonde overheidsfinanciën en tegen de ‘multikul’ van de ‘linkse elite’ was geweest.
Dat Bosma enkele citaten van vader en zoon Drees volkomen uit hun context had getrokken werd al snel aangetoond, maar ook zijn claim dat de PVV in de voetsporen van DS’70 treedt is volkomen bezijden de waarheid.
Om te beginnen hadden veel kiezers van DS’70 grote moeite met de culturele revolutie van de jaren zestig. Wilders en Bosma mogen weliswaar graag schelden op de zogenoemde ‘protestgeneratie’, maar tegelijkertijd werpen zij zich op als felle verdedigers van verworvenheden van de jaren zestig, zoals individualisering en vrouwen- en homo-emancipatie. In dat opzicht staan ze dichter bij Nieuw Links dan bij DS’70 .
Maar bovenal was DS’70 een ouderwetse sociaal-democratische partij, die zich hard maakte voor sociale gerechtigheid, Europese integratie en regulering van de economie. Bovendien streefde zij het oude verheffingsideaal na en gunde zij alle inwoners van Nederland een plek onder de zon.
En wie nog niet overtuigd is, moet maar eens goed naar de brave, fatsoenlijke en een tikkeltje saaie Willem Drees (de jonge) kijken, en hem vergelijken met Wilders, Bosma of Dion Graus.