Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2011

Daar komen de Turken

Door: Luc Panhuysen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In augustus 1683 staan de Turken voor de poorten van Wenen. Al twee eeuwen zijn islamitische Ottomanen steeds verder Europa binnengedrongen. Maar omdat de Poolse koning met zijn gevreesde huzaren de Habsburgers te hulp schiet, verliezen de Turken deze krachtmeting met christelijk Europa. Het vormt een keerpunt in de machtsbalans tussen Oost en West.

Wenen, 12 augustus 1683. Rond twee uur in de middag gaat er een schokgolf door de stad, direct gevolgd door een brul uit het binnenste van de aarde. Soldaten op het Burgbastion zien hoe een deel van het ravelijn, een verdedigingswerk tussen hen en de vijand, in een paar seconden wordt opgetild, gebroken en wordt opgeslokt door een fontein van aarde en brokstukken.

Het is de succesvolste ondergrondse mijn die de Turken tot dusver tot ontploffing hebben weten te brengen. Een mist van kruitdamp en stof stijgt op; overal is het gekletter van vallend puin hoorbaar. Dan vult de lucht zich met een nieuw geluid: gejuich en aanvalskreten, ondersteund door opzwepende tromslagen en dolzinnig jammerende blaasinstrumenten. Uit de stofwolken doemen ze op, de gevreesde janitsaren: mannen in wapperende kledij, die zich met kromzwaard en musket op de nog verdoofde verdedigers storten. Een uur later is het ravelijn in Turkse handen, een zware slag voor Wenen.

Het beleg was een maand geleden begonnen. Een legermacht van 130.000 Turken, hun bondgenoten en gevolg was op bevel van de grootvizier vanaf Istanbul dwars door Hongarije gemarcheerd om deel te nemen aan de onderneming. Halverwege juni was de stad aan de overkant van de Donau en aan de landzijde ingesloten door een onafzienbare vlakte van tenten. Terwijl het leger van de sultan zich om de stad bekommerde en begon met de aanleg van loopgraven, werd de wijde omgeving geteisterd door horden Tataarse ruiters, die stadjes en kloosters uitmoordden, op massale schaal plunderden en verkrachtten, oogsten en dorpen platbrandden en overlevenden afvoerden naar de slavenmarkt.

Voor Europa waren de Ottomanen al langer dan twee eeuwen een min of meer vertrouwde dreiging. Sinds de verovering van Constantinopel in 1453 was de grens van hun immense rijk steeds dieper het Avondland in gedrongen. In 1529 had sultan Suleyman de Prachtlievende een poging gedaan om Wenen te veroveren, hetgeen tot opluchting van de christenheid was mislukt.

In de zeventiende eeuw vormden de Turken een factor waar half Europa rekening mee moest houden. Duitsland betaalde Türkensteuer – ‘Turkenbelasting’ – om de keizerlijke strijd tegen de heidenen te bekostigen. De Ottomanen heersten over het grootste deel van Hongarije en waren eind jaren zeventig, een paar jaar voor het beleg van Wenen, hardhandig in botsing gekomen met de koning van Polen en de tsaar van Moscovië.

Het Ottomaanse Rijk, ongeveer vijfhonderd jaar eerder door een zekere Osman gesticht in Anatolië, was op dat moment de grootste staatkundige eenheid ter wereld. De bijna 50 miljoen onderdanen bewoonden een oppervlak dat zich uitstrekte van Algerije in het westen tot voorbij Bagdad in het oosten en van het huidige Jemen in het zuiden tot voorbij de Krim in het noorden. De officiële godsdienst was de islam. Het hoogste gezag lag formeel bij de sultan; in 1683 was dat Mehmed IV, bijgenaamd ‘de Jager’.

Maar de macht van de sultan was in de voorgaande halve eeuw door intriges en schandalen aan erosie onderhevig geraakt; wie nu sturing en daadkracht gaf aan de regering was de grootvizier, sultans eerste minister. Mehmeds grootvizier was Kara Mustafa, een buitengewone persoonlijkheid. Kara (‘zwarte’) Mustafa hield van het theater van de macht en de bijkomende geneugten; zijn harem telde 1500 vrouwen. Hij was grenzeloos ambitieus; personen die zijn verlangens in de weg stonden waren hun leven niet zeker. Bekend was de wreedheid waarmee hij vijanden behandelde; in 1679 had hij alle gevangenen uit een Pools stadje levend laten villen.

Deze grootvizier koesterde de wens de schande van Suleyman uit te wissen. Wenen was met 100.000 inwoners veruit de grootste stad in Midden-Europa. Al generaties lang werd Wenen door hofdichters en sultans verlekkerd aangeduid als ‘de gouden appel’. Hij, Kara Mustafa, zou deze appel veroveren en hiermee onsterfelijke roem vergaren voor zijn meester, voor de islam, en natuurlijk voor hem persoonlijk.

In de oceaan van tentdoek rond Wenen stak het onderkomen van Kara Mustafa omhoog als een onmiskenbaar hoofdkwartier; zes wimpels wapperden boven deze burcht van doek. Behalve personeel troffen bezoekers er tal van huisdieren aan, zoals katten, konijnen, papegaaien en zijn oogappel, een struisvogel.

Voor de Ottomanen ontleende de gouden appel onder andere zijn glans aan de belangrijkste bewoner: keizer Leopold I. Deze telg uit het huis van Habsburg was nominaal heerser over een deel van Hongarije, over de traditionele Oostenrijkse erflanden en stukken van Italië, en over het Heilige Duitse Rijk.

Wat voor de Ottomanen telde was dat hij in Europa de enige ‘keizer’ was, hoger dan koningen, titulair erfgenaam van de roemruchte Romeinse caesars. Niet voor niets hadden de Turken in voorgaande eeuwen ook Rome – bovendien zetel van de paus – omschreven als de gouden appel. Behalve als een opening naar een aanzienlijke gebiedsuitbreiding zag Kara Mustafa de onderwerping van Wenen als noodzakelijk in een epische krachtmeting tussen wereldrijken.

Maar de keizer was allesbehalve de krachtpatser voor wie de Turken hem hielden. Over het Duitse Rijk had hij nauwelijks iets te zeggen; zijn leger mocht niet zonder toestemming van de Rijksdag voet op Teutoonse bodem zetten. Oostenrijk was het enige gebied waarover hij alleenheerser was. Leopold had permanent geldgebrek. Als keizer bewoonde hij de Hofburcht, vlak bij het Burgbastion, en liet hij zich omringen door een hofceremonieel dat in heel Europa berucht was om zijn omslachtigheid en geldverslindende klatergoud, maar met zijn nog geen 15 miljoen onderdanen kon het keizerrijk zich nauwelijks meten met het imperium van de Ottomanen.

De keizer was een uitdaging, maar de Turken konden geen respect voor hem opbrengen. Door generaties van inteelt hadden de Habsburgers bepaalde opvallende lichamelijke kenmerken ontwikkeld, waarvan de vooruitstekende onderkaak altijd de meeste aandacht trok. Een paar jaar voor het beleg was een Turkse delegatie bij Leopold op bezoek geweest en had een lid de volgende beschrijving van de keizer gegeven: ‘Zijn lippen zijn uitstulpend als die van een kameel, in zijn mond zou een heel brood passen. Tijdens het spreken druipt het speeksel van zijn kamelenlippen, waardoor zijn stralend mooie pages voortdurend zijn mondhoeken met rode lappen moeten deppen.’

Zo’n tegenstander boezemde geen ontzag en al helemaal geen vrees in. Daar kwam bij dat Leopold geen daadkrachtig heerser was. Zijn besluitvorming kenmerkte zich door traagheid, door gebrek aan richting en visie. Het enige wat de keizer met ziel en zaligheid nastreefde waren twee zaken: ceremonieel en geloof, het katholieke geloof.

Dat laatste had de keizer in botsing gebracht met zijn Hongaarse onderdanen, van wie een aanzienlijk aantal hartstochtelijk het lutheranisme was toegedaan. De opmars van de Reformatie, en dus van de protestantse kerken, was de Habsburgers al een eeuw lang een gruwel; Leopold zag het als zijn belangrijkste taak de Roomse moederkerk te redden, te beginnen in zijn eigen rijk.

Zijn inquisiteurs zaaiden angst, dood en verderf; de Hongaren kwamen in opstand, en erger: ze zochten contact met Istanbul. Zij wisten dat de religieuze tolerantie in het Ottomaanse Rijk groter was dan die onder Habsburg. De aanval van Kara Mustafa op Wenen werd zodoende gedragen door een monsterverbond van Turken, Tataren en lutheraanse Hongaarse rebellen.

De raadgevers van de keizer zagen in dat het rijk slecht op de krachtmeting was voorbereid en dringend hulp nodig had. Op hun aandringen stuurde Leopold, zij het met tegenzin, bodes naar omringende vorsten met een oproep keizer en christendom te hulp te komen tegen de sikkelmaan.

Terwijl de keizer zijn residentie ontvluchtte en koers zette naar Passau, tweehonderd kilometer stroomopwaarts aan de Donau, galoppeerden zijn boodschappers naar de keurvorst van Saksen, naar de (protestantse) rijksmaarschalk graaf van Waldeck, naar de keurvorst van Beieren en naar Jan III Sobieski, de strijdvaardige koning van Polen en grootvorst van Litouwen. Op het moment dat de Turken hun eerste succes boekten bij het Burgbastion had Sobieski in Warschau juist een begin gemaakt met de voorbereidingen om met zijn legermacht van 30.000 man, onder wie de beroemde ‘gevleugelde huzaren’, zuidwaarts te marcheren.

In de eerste maand van het beleg hadden de troepen van Kara Mustafa de zwakste plekken van de Weense vesting onder vuur genomen. De keurtroepen, dat wil zeggen de janitsaren en fanatieke vrijwilligers, hadden stormlopen op de omwalling en bastions uitgevoerd. Maar de Turkse kanonnen waren te licht en de vestingwerken van de stad ongeschikt voor stormladders. De oorlog boven de grond bezorgde de Weners en hun commandant, Rüdiger von Starhemberg, dan ook nauwelijks kopzorgen.

De ondergrondse oorlog daarentegen des te meer. De Turkse mineurs waren specialisten in hun vak. Geduldig groeven ze hun gangen; als muskusratten boorden ze zich een weg om onder de bolwerken hun springladingen tot ontploffing te brengen. Von Starhemberg riep alle Weners op om dagelijks in hun kelders te gaan zitten en hun oren te spitsen. Wie gekras of gerommel hoorde, moest het onmiddellijk melden. Klokkenspelen werd het zwijgen opgelegd, kerkklokken mochten alleen nog het hele uur slaan, want Wenen luisterde.

Het kwam geregeld tot paniek – en vergissingen. Een bewoner meldde de aantocht van mineurs, maar het geluid bleek afkomstig uit een naburige stal met enkele nerveuze paarden. De kans op herhaling van dergelijke vergissingen werd overigens vanzelf kleiner naarmate voedselschaarste de paardenpopulatie uitdunde.

In augustus kreeg de angst de Weners in zijn greep. Om de paar dagen liet de grommende siddering van een exploderende mijn zich voelen. Dan vielen overal in de stad de gesprekken stil, peilde men de omvang van de stofzuil, luisterde men ingespannen naar de aanvalskreten, de razernij van het janitsarenorkest, het vuur van de eigen verdedigers. Von Starhemberg stuurde graafploegen de bodem in om contragangen aan te leggen; soms kwam het tot gevechten, maar meestal groef men langs elkaar heen.

Eind augustus hadden de mijnen de eigenlijke stadsmuren bereikt. Hier en daar waren bressen ontstaan waar vijftig man naast elkaar doorheen konden. Nu stonden de Weners oog in oog met de fine fleur van de Ottomaanse troepen. Janitsaren vochten met doodsverachting; de vrijwilligers leken opzettelijk hun einde te zoeken. Kara Mustafa gaf goed geld voor ieder afgehakt hoofd; naarmate de maand vorderde steeg de koers. Het beleg was anderhalve maand oud en de Weners vroegen zich wanhopig af hoe lang ze het nog konden volhouden. Wanneer kwamen de bondgenoten van de keizer?

Op termijn was de strijd hopeloos. De commandant had bij elkaar nauwelijks meer dan 15.000 man om de stad te verdedigen, tegenover een onuitputtelijk reservoir van Turken. Weliswaar zwierf rond de stad een leger rond onder leiding van de capabele Karel van Lotharingen, zwager van de keizer, maar dat was met zijn 18.000 man niet tegen de overmacht opgewassen. Tot de ontzettingstroepen opdaagden, stond Wenen er helemaal alleen voor.

Wat de verdedigers stimuleerde in hun verbetenheid was de wetenschap dat ze vochten tegen een genadeloze vijand. Aan de stedelingen had Kara Mustafa laten weten: ‘Ik zal nog geen vrucht in de moederschoot sparen.’ Vanaf de wallen konden de verdedigers duidelijk de op staken gezette hoofden van hun collega’s waarnemen.

Hun numerieke zwakte wisten ze voorlopig te compenseren door hun modernere bewapening. Zo maakten ze gebruik van handgranaten en hadden ze lichte kanonnen die ze volstopten met schroot. Wanneer de janitsaren zich in dichte meuten in de bressen stortten, vormden die voor deze wapens een gemakkelijk doelwit. Niettemin werd de verdediging na iedere mijn hachelijker. Het moment kwam naderbij dat de bressen één groot gat zouden vormen. Als het zover kwam, zou het materiële voordeel worden weggespoeld door de Ottomaanse mensenmassa.

Maar ook Kara Mustafa voelde zich niet op zijn gemak. De sultan liet vanuit het Topkapi-paleis weten dat nogal wat hovelingen verbaasd waren dat de overmacht nog niet had geleid tot een klinkende overwinning. Dat was ergerniswekkend, maar ronduit onverteerbaar vond de grootvizier de onbewimpelde hoon waarmee de hoofdman van de Tataren zijn verrichtingen becommentarieerde.

De Tataren koesterden hun ruige, nomadische levenswijze en keken neer op de decadente Ottomanen. In hun opinie was het beleg in al zijn weekhartigheid een lachwekkende vertoning. Op zijn beurt was Kara Mustafa vol minachting voor zijn Mongoolse bondgenoten. Bij een bezoek van hun hoofdmannen aan zijn tentburcht liepen ze alle geprepareerde delicatessen voorbij en schrokten als wilde dieren het rauwe ongezouten vlees naar binnen.

Ondertussen ging het niet goed met de inwoners van de stad. De ‘rode loop’ (dysenterie) had zijn intrede gedaan, eerst bescheiden, maar na een paar weken lagen in de hospitalen honderden koortsige, hoogst besmettelijke patiënten. Er was nog een aandoening waarvoor de stadscommandant beducht was: verraad. Steeds meer inwoners en soldaten begonnen de moed te verliezen. Een nieuwsgierig jongetje dat rondneusde op het Burgbastion werd ondervraagd en bekende voor de Turken te spioneren. Anderen wachtten op een moment om over te lopen. Von Starhemberg trad rigoureus op; iedereen met dergelijke plannen, ook het vijftienjarige jochie, werd terechtgesteld.

De bondgenoten van de keizer hadden haast. Maar de afstanden die ze moesten overbruggen verschilden nogal: Maximiliaan II van Beieren hoefde maar driehonderd kilometer af te leggen, Jan Sobieski van Polen daarentegen ruim achthonderd. Het was van groot belang dat ze elkaar eerst ontmoetten voordat ze zich op de vijand zouden werpen.

Eind augustus was de wanhoop in de stad tot een hoogtepunt gestegen. De Turken bereidden
verschillende mijnen voor; veel langer kon de stad niet meer standhouden. In de nacht van de 28ste steeg vanaf de Hofburg een bundel van 36 vuurpijlen op, in de hoop dat de bondgenoten die zouden opmerken. Karel van Lotharingen wist het signaal te duiden, Kara Mustafa evenzeer.

Vier dagen later kwamen de bondgenoten bijeen in Tulln an der Donau, hemelsbreed nog geen vijfentwintig kilometer van Wenen. Ze werden hierin op geen enkele manier gehinderd door de Tataren, die alles gadesloegen, maar het vertikten voor de grootvizier risico’s te lopen. In Tulln wachtten de bondgenoten op Sobieski en zijn hoofdmacht.

Kara Mustafa maakte ondertussen vorderingen; een groot stuk van het Burgbastion vloog de lucht in, waardoor een gapend gat was ontstaan in de laatste muur rond de stad; de Turken maakten zich op voor een grote stormloop. Maar tegen die tijd arriveerden de Polen en kon men beginnen met de aanval. Om de Weners hun komst te melden schoten ze een vuurpijl af. De volgende morgen trokken de bondgenoten, bij elkaar een man of 70.000, samen met Karel van Lotharingen door het Wienerwald. Een etmaal later, op 12 september, keken ze bij het licht van de opkomende zon vanaf de rug van de Kahlenberg neer op het benarde Wenen.

In het dal, onder de muren van de vesting, hoorden de Ottomanen het tromgeroffel, het gesnerp van de schalmeien en koper van de trompetten. De ceremoniemeester van Kara Mustafa zou de aanblik van het aanvallende christelijke leger niet meer vergeten. In zijn dagboek schreef hij: ‘Als zwarte pek, die alles op zijn weg vernietigde, stroomde het de helling af.’ Aanvankelijk boden de Ottomanen nog tegenstand, maar nadat de Poolse huzaren egaal terrein hadden bereikt en hun drie meter lange lansen hadden kunnen vellen, was het een bekeken zaak. Rond vijf uur in de middag sloegen de Turken massaal op de vlucht. De Slag van Kahlenberg was voorbij.

Toen de keizer een paar dagen later in Wenen aankwam, weigerde hij de uitgestoken hand van de Poolse koning. Leopold was beledigd dat Sobieski het in zijn hoofd had gehaald de stad eerder binnen te komen dan hij. Het was een hoogmoedige geste; het keizerrijk, en mogelijk de christenheid, was aan een ramp ontsnapt. Tot in Nederland onderkende men het belang; kunstenaar Romeyn de Hooghe vervaardigde een prentenreeks waarmee hij een aanzienlijk publiek bereikte. Het Habsburgse keizerrijk zou aan een tweede bloei beginnen en nog grote delen van Hongarije veroveren.

Voor het Ottomaanse Rijk was de neergang begonnen. Algemeen wordt de mislukte aanval op Wenen gezien als een keerpunt in de machtsbalans tussen Oost en West. Kara Mustafa had na de terugtocht nog bijna drie maanden te leven. In die tijd bracht hij tal van zondebokken voor de nederlaag ter dood, maar zijn eigen einde heeft hij niet kunnen afwenden.

Mustafa’s vijanden aan het hof hadden weinig moeite de sultan te overtuigen. Op 25 december ontving Kara Mustafa van een boodschapper het zijden koord. Nadat hij was gewurgd werd zijn hoofd afgehakt, met stro opgevuld en als bewijs opgestuurd naar Mehmed in Istanbul.

Meer weten?

Boeken
Het standaardwerk over 1683 is van John Stoye uit 1964: The Siege of Vienna. Meer recent zijn Wien anno 1683 (2006), door Johannes Sachslehner, en van Andrew Wheatcroft: De vijand voor de poort (2010).

Van die laatste auteur is ook een monografie over de Habsburgers, de dynastie die Leopold I afleverde: The Habsburgers (1995). De gezaghebbende biografie van deze keizer is van John Spielman: Leopold of Austria uit 1977. Friedrich Weissensteiner is in Die groβen Herrscher des Hauses Habsburg (1997) mild over Leopold. Minder positief zijn Konrad Kramar en Petra Stuiber in hun Die schrulligen Habsburger. Marotten und Allüren eines Kaiserhauses (2010).

Wie meer over het Ottomaanse Rijk wil weten, die slaat Lords of the Horizon. A History of the Ottoman Empire (1999) open, of De droom van Osman. Geschiedenis van het Ottomaanse Rijk 1300-1923 (2008) van Caroline Finkel.

De Ottomaanse bronnen zijn goed toegankelijk gemaakt. Het citaat over de aanval vanaf de Kahlenberg is afkomstig uit: Kara Mustafa vor Wien. Das türkische Tagebuch der Belagerung Wiens 1683, verfasst vom Zeremonienmeister der Hohen Pforte (1967); hierin ook een inleiding over de persoon van de grootvizier.
 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.