Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2011

Medisch orakel Boerhaave

Door: Luuc Kooijmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.

Herman Boerhaave was de beroemdste arts van Europa. Maar waarop was die faam gebaseerd? Boerhaave schreef immers maar één – nogal zeldzaam – syndroom op zijn naam. Waarschijnlijk zat het ’m in zijn vermogen op een nieuwe, empirische manier naar het menselijk lichaam te kijken.


Op een herfstdag in 1723 werd Herman Boerhaave in zijn Leidse woning om halftwee ’s nachts gewekt door een van de burgemeesters. De man was in tranen en kon nauwelijks praten: zijn broer leek plotseling stervende te zijn. Mogelijk was hij al dood, maar misschien kon Boerhaave hem nog redden. Boerhaave kende de broer: het was admiraal Jan Gerrit van Wassenaar, een robuuste vijftiger die het kasteeltje Rosenburg bij Voorschoten bewoonde.

Hij ging onmiddellijk mee naar Voorschoten en trof daar de patiënt met zeer veel pijn in de borst, voorovergebogen zittend op een bed. Boerhaave was onder de indruk, omdat hij uit ervaring wist dat Van Wassenaar onder de pijn van zijn zware jicht altijd stoïcijns bleef, terwijl hij nu luid kermde. De admiraal probeerde zichzelf te excuseren: ‘Denk je eens in, Boerhaave, wat een pijn ik moet voelen. Je weet dat ik doorgaans veel kan verdragen.’ Meer kon hij niet uitbrengen. Hij probeerde uit te leggen wat er aan de hand was, maar praten maakte de pijn helemaal onverdraaglijk. De huisleraar van zijn zoon vertelde daarom wat er was gebeurd.

De admiraal had zich na een uitbundige maaltijd niet zo fit gevoeld, en had, zoals hij wel vaker deed, braakmiddelen genomen om het gespannen gevoel in de maag kwijt te raken. Hij dronk enkele spoelkommen met water waarin een mediterrane distel was opgelost. Dat zorgde wel voor wat braaksel, maar veel was het niet. Daarom nam hij nog een aantal kommen. Hij had er in totaal zeven leeggedronken toen hij opnieuw probeerde te braken. Toen slaakte hij plotseling zo’n ijselijke gil dat alle bedienden kwamen aanrennen. Hij zei dat er iets was gescheurd in zijn maag en dat hij een dodelijke pijn voelde.

De bedienden probeerden hem te sussen en stelden voor een arts te laten komen, maar dat leek de generaal zinloos. Het was duidelijk dat hij doodging. Ze konden hem beter helpen te knielen, gaf hij aan, zodat hij kon bidden om genade. Toen ze dat probeerden, stortte hij in. Hij werd, lijkbleek, neergelegd op een bed. In een poging zichzelf alsnog door braken te verlossen, dronk hij een bekertje olijfolie en stak hij een vinger in zijn keel, maar tevergeefs. Hij dronk nog een flink glas warm bier, maar ook dat mocht niet baten. Er werd een dokter uit Den Haag gehaald, die ’s nachts ten einde raad voorstelde om Boerhaave te laten komen.

Boerhaave kende de patiënt als een man die zich te buiten ging aan overmatig voedsel en drank, zoals gebruikelijk in zijn kringen. Hij werd daarvoor elke winter gestraft met pijnlijke jichtaanvallen en na elke maaltijd met een opgeblazen gevoel in de maag. Daarom had hij zich aangewend om braakmiddelen te gebruiken, en hij deed dat inmiddels te pas en te onpas. Hij was er tevreden over, maar nu was er iets heel erg misgegaan, en niemand begreep wat. De klachten namen alleen maar toe, zelfs ademhalen was een kwelling.

Boerhaave besloot daarom de patiënt aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Er waren geen tekenen die duidden op een inwendige ontsteking, een tumor kon ook niet zulke acute pijn veroorzaken, een kneuzing evenmin, en er waren ook geen vergiftigingsverschijnselen. De arts dacht daarom niet dat er sprake kon zijn van een dodelijke kwaal en hij concentreerde zich op het verzachten van het leed. Maar een aderlating had niet het gewenste effect, en een bouillon maakte alles nog erger.

Omdat hij aan het werk wilde, vertrok Boerhaave om vijf uur ’s ochtends. Hij liet de patiënt over aan zijn collega, die nog een klysma en een aderlating liet uitvoeren. Toen hij ’s middags na drieën terugkwam, had de admiraal zijn zaken geregeld en afscheid genomen van zijn naasten. Hij gaf aan bereid te zijn om elke behandeling te ondergaan, maar sterven leek hem de beste oplossing.

Boerhaave constateerde dat de hartslag van de admiraal zwakker werd. Zijn ademhaling begon te stokken, zijn vingers en tenen waren koud en de dood stond al op zijn gezicht. Omdat alles wat hij had ingenomen kennelijk in zijn ingewanden was blijven steken wilde Boerhaave dat hij zou proberen te pissen, maar dat leverde niet meer op dan een paar druppels – rood en met een scherpe geur. Na nog een laatste poging tot braken ging de patiënt op zijn zij liggen. Hij werd bleek, er verscheen koud zweet op zijn huid en om vijf uur stierf hij.

Omdat hij nog altijd geen idee had waarom geen van de gebruikelijke middelen had geholpen, vroeg Boerhaave aan het hoofd van de familie of hij een lijkschouwing mocht doen. Dat mocht, na vierentwintig uur. Boerhaave verrichtte de sectie in het bijzijn van zijn Haagse collega, een predikant, de huisleraar, en de apotheker en de chirurgijn die hadden gezorgd voor het klysma en de aderlatingen. Eerst bekeek en bevoelde hij het naakte lichaam nauwkeurig; daarna sneed hij het open om de ingewanden te bekijken.

Aanvankelijk leverde het onderzoek niet veel op, maar toen hij de borst openmaakte viel hij van de ene verbazing in de andere. Er ontsnapte onmiddellijk verbazend veel lucht, met een specifieke geur, die werd gedetermineerd als de geur van eend. De huisleraar, die bij de fatale maaltijd was geweest, herinnerde zich dat daar eend was geserveerd.

De longen bleken te drijven in een vloeistof, die de hele borstholte vulde. Boerhaave wilde de vloeistof onderzoeken en ving die op in een van de porseleinen vazen die in de kamer stonden. De vloeistof, drie liter in totaal, bleek alles te bevatten wat de admiraal de laatste dag had ingenomen: restanten van de copieuze maaltijd, de zeven spoelkommen water en het bier, met daarbovenop drijvend de olie. Het vocht was roodbruin en verspreidde de geur van eend, maar bevatte geen bloed of pus. Niets wees op een ziekte of een ontsteking.
Toen Boerhaave probeerde na te gaan hoe alles in plaats van in maag en darmen in de borstholte terecht kon zijn gekomen, stuitte hij op een scheur onder in de slokdarm, bij de maag. Hij liet de omstanders voelen dat je via de scheur zo je vinger in de maagholte kon steken. Omdat er verder geen tekenen van ziekte waren concludeerde hij dat de slokdarm spontaan gescheurd moest zijn, ongetwijfeld door het geforceerde braken.

Omdat een spontane scheuring van de slokdarm een onbekend fenomeen was en er twijfel werd uitgesproken of het leven van Van Wassenaar niet had kunnen worden gered, besloot Boerhaave een uitvoerige rechtvaardiging van zijn handelwijze te schrijven en die te laten publiceren. Hij concludeerde dat de fatale maaltijd op de normale wijze was verwerkt, maar dat de maag door de enorme hoeveelheid water die de patiënt daarna had ingenomen zo was opgespannen dat de weg naar de darmen afgesloten was geraakt.

Toen hij een vinger in zijn keel stak, moest de slokdarm zijn gescheurd. Zoiets gebeurde niet zomaar, maar door de enorme spanning op de maag, de geforceerde braakbewegingen en de irritatie van de keel moest de plek verzwakt zijn geraakt. Doordat de maaginhoud en alles wat hij had gedronken via de scheur in de borstholte terecht was gekomen hadden zijn longen uiteindelijk niet meer kunnen uitzetten en was ademhalen onmogelijk geworden.

Omdat het onbekend was dat een slokdarm spontaan kon scheuren, had Boerhaave niet begrepen wat er aan de hand kon zijn. Maar zelfs als dat wel het geval was geweest had hij niets kunnen doen, verzekerde hij. Het herkennen van de symptomen kon dus niet levensreddend zijn, maar omdat het Boerhaave er juist om ging dat vast te stellen, liet hij zijn bevindingen openbaar maken. Er waren desondanks nog altijd chirurgijns die meenden dat de patiënt door een operatie te redden was geweest. Dankzij de publicatie stond een spontane scheuring van de slokdarm in het vervolg bekend als ‘het syndroom van Boerhaave’.


Herman Boerhaave was destijds zo beroemd dat hij ‘het orakel’ werd genoemd. Aan de universiteit van Leiden was hij tegelijkertijd hoogleraar in de praktische en theoretische geneeskunde en in plantkunde en chemie. Voor wie zijn colleges wilde bijwonen, was het dringen geblazen: de bezoeker die wilde zitten, moest minstens een halfuur voor aanvang binnen zijn. Hij ging niet meer naar patiënten toe, maar ze bleven naar hem komen en hem schriftelijk om advies vragen.

In de betere kringen zocht iedereen zijn raad. Hij werd geraadpleegd op elk medisch terrein, zelfs op dat van de chirurgie, ook al had hij dat vak nooit uitgeoefend. Voor medische benoemingen aan andere universiteiten werd vaak zijn advies gevraagd, omdat men overal wilde meeprofiteren van het succes van de boerhaaviaanse geneeskunde. Aan verscheidene universiteiten kregen zijn leerlingen een aanstelling.

Voltaire volgde zijn lessen en tsaar Peter de Grote kwam hem opzoeken. Ook veel buitenlandse studenten wilden het orakel horen – ze kwamen zelfs van nog verder dan Rusland. Boerhaave ontving een brief van de aartsbisschop van Constantinopel, die hem liet weten dat hij zijn zoon naar Leiden zou sturen. Uit Constantinopel arriveerde tevens een Arabische vertaling van een van Boerhaaves medische handboeken, met het verzoek of hij die wilde laten corrigeren.

Boerhaaves faam wordt altijd geïllustreerd met dezelfde anekdote. Op een dag arriveerde in Leiden een brief uit het Verre Oosten, die zijn bestemming had bereikt ondanks een uiterst summiere adressering: ‘Aan de heer Boerhaave, geneesheer in Europa.’ Dat verhaal werd al rond 1800 ontzenuwd, maar het behoort nog steeds tot het vaste repertoire.

De ware toedracht luidde dat de dei, de heerser van Tunis, bij de Nederlandse consul informatie had ingewonnen over een arts die hij om advies zou kunnen vragen. Toen hem Boerhaave was aangeraden, had hij zijn secretaris opdracht gegeven die te schrijven. Omdat de namen ‘Holland’ en ‘Leiden’ de secretaris niets zeiden, had hij ‘in Europa’ op de brief gezet. Maar het was geen mirakel dat de brief bij Boerhaave werd bezorgd, want hij was overhandigd aan de Nederlandse consul, die hem naar Den Haag had gezonden.

Toch is het syndroom van Boerhaave, de spontane scheuring van de slokdarm, in de geneeskunde het enige wat rechtstreeks aan hem herinnert. Waar kwam al die faam dan vandaan?

De eerste die de vraag stelde, was de Franse philosophe Bernard de Fontenelle in een herdenkingsrede kort na Boerhaaves dood in 1738. In vroeger tijden, zei hij, was het begrijpelijk dat studenten uit allerlei landen naar een beroemde hoogleraar toe kwamen, maar inmiddels was dat niet meer zo vanzelfsprekend. Er waren zoveel colleges, universiteiten, academies, privédocenten en vooral boeken, dus waarom zou iemand zijn vaderland verlaten om elders te gaan studeren? Boerhaave moest dus wel een zeer bijzondere docent zijn geweest.

Fontenelle trachtte te analyseren waarom. De basis lag volgens hem in Boerhaaves buitengewone kennis en de heldere structuur die hij daaraan wist te geven. Bovendien had hij uitgeblonken in didactische gaven. Hij werd niet alleen bewonderd, hij was ook geliefd bij zijn studenten. Doorgaans smeet men hun kennis naar het hoofd zonder dat iemand zich afvroeg wat ermee gebeurde, maar Boerhaave gaf studenten het gevoel dat hij hen serieus probeerde op te leiden. In tegenstelling tot de meeste docenten beknibbelde hij nooit op onderwijstijd. Hij sloeg nimmer een college over, en als er eens een les uitviel, dan haalde hij die later in. Hij deed zijn best talentvolle studenten te ontdekken en aan te moedigen. Als ze ziek werden, behandelde hij zijn leerlingen hoogstpersoonlijk met de beste geneesmiddelen.

De buitenlanders die in Leiden zijn lessen hadden gevolgd, verspreidden thuis zijn roem en dat bracht anderen ertoe ook naar Leiden te gaan. Volgens Fontenelle kon je geen beter middel bedenken om iemands reputatie te vestigen. Boeken, hoe goed ook, werkten lang niet zo snel. Boerhaave had behalve als docent ook een grote naam als arts. Het was bekend dat vorsten hem waren komen bezoeken en Fontenelle had begrepen dat zelfs een paus hem had geconsulteerd. Hij veronderstelde dat Boerhaave buitengewoon rijk moest zijn geworden.

Maar al zijn tijdgenoten waren het erover eens dat Boerhaaves voornaamste prestatie was dat hij de geneeskunde had hervormd in een periode waarin die zijn samenhang had verloren. De klassieke leer was in de tweede eeuw door de Griekse arts Galenus afgeleid van de filosofie van Aristoteles.

Eeuwenlang was aangenomen dat Galenus de werking van het lichaam afdoende had beschreven, maar sinds allerlei ontdekkingen hadden aangetoond dat dit niet het geval was, heerste er chaos in de medische wetenschap. Aanvankelijk was geprobeerd de nieuwe ontdekkingen in het systeem van Galenus te integreren, maar op den duur was het hele stelsel onhoudbaar geworden. Hoewel men zich dat in brede kring realiseerde, werd bij gebrek aan beter de bijbehorende praktijk nog onverminderd beoefend.

Er waren wel alternatieven bedacht. Onder invloed van de succesvolle ontwikkeling van de natuurkunde was onder de medici een stroming ontstaan die beweerde dat het lichaam te vergelijken viel met een machine, waarin alles op mechanische wijze geschiedde. Een andere stroming trachtte, onder invloed van het succes van chemische geneesmiddelen, de fysiologie geheel scheikundig te verklaren. Maar beide stromingen baseerden zich in hoge mate op speculatie.

Herman Boerhaave was de uitdaging aangegaan om met behulp van de nieuwste natuurwetenschappelijke inzichten een systeem te ontwerpen dat geworteld was in de ervaring. Er mochten geen elementen in voorkomen waarvoor geen empirisch bewijs bestond.

Hij was eclectisch te werk gegaan en had uit elk systeem het goede gehaald. Natuurlijk waren zijn keuzes soms aanvechtbaar. Hij was niet altijd consequent en soms vooringenomen. Hij had nieuwe ideeën weleens wat al te makkelijk geadopteerd, gaven ook zijn bewonderaars toe. Toch was hij erin geslaagd een samenhangend systeem te ontwerpen waarin alle nieuwe ontdekkingen waren geïntegreerd.

Zijn handboeken blonken uit door helderheid en werden aan bijna alle Europese universiteiten gebruikt, waardoor het vak geheel was hervormd. Natuurlijk werden zijn theorieën naderhand achterhaald, maar Boerhaave was, meer dan de man die als eerste de gescheurde slokdarm beschreef, de man die de geneeskunde opnieuw uitvond.


MEER WETEN
Boeken

In het najaar verschijnt van Luuc Kooijmans bij uitgeverij Balans de biografie Het Orakel. De man die de geneeskunde opnieuw uitvond: Herman Boerhaave (1668-1738). Wie meteen iets wil lezen, kan terecht bij de biografie van de internist G.A. Lindeboom, Herman Boerhaave. The Man and His Work (1968), waarvan in 2007 een nieuwe editie is uitgebracht. Lindeboom, die zich in hoge mate identificeerde met zijn onderwerp, publiceerde ook Boerhaave’s Correspondence (I, 1962; II, 1964; III, 1979).
Een fictief portret van Boerhaave is te vinden in een toneelstuk uit 1756 van Carlo Goldoni, Il medico Olandese, vertaald als De Hollandse dokter (1968).

Internet
Voor Boerhaaves syndroom, zie: http://en.wikipedia.org/wiki/Boerhaave_syndrome.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.