Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Jaloers op de hufters uit Holland

Door: Luc Panhuysen Historisch Nieuwsblad 6/2011

Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Buitenlandse waarnemers klaagden in de zeventiende en achttiende eeuw over de lompheid van de Nederlanders. Die misten volgens hen ieder gevoel voor verfijning en hiërarchie. Maar vormde de jonge Republiek echt het afvoerputje van de beschaving? Of stak achter alle kritiek eigenlijk afgunst?

De Nederlandse republiek, Spinoza en de radicale verlichting 2

In zijn lezingen in het raam van de ANV-leerstoel ‘De Nederlanden in de wereld’ plaatst ...Wiep van Bunge de bijdrage van de filosofie aan de bloei van de zeventiende-eeuwse Nederlandse Republiek voor het voetlicht. De spilfiguur van zijn verhaal is...

€ 12,00 | Koop nu


Nederlanders hebben nooit hoog aangeschreven gestaan als het ging om beschaafd gedrag. Aan het einde van de zeventiende eeuw was de Nederlandse Republiek de onbetwiste Europese kampioen lompheid. Een veelgelezen etiquetteboek uit 1728 illustreerde dat met een anekdote over de ontvangst van een hoog heerschap, de veldheer Marlborough.

Ten tijde van het Ancien Régime werden veldheren geadoreerd zoals tegenwoordig pophelden, en de hertog van Marlborough (1652-1722) was een geniaal veldheer. Wanneer zo iemand een Europese stad aandeed, werd hij begroet met daverende kanonsalvo’s en formeerden de bestuurders welkomstcomités in de hoop dat de optelsom van hun waardigheid de statuur van hun bezoeker weerspiegelde. Uiteraard waren de straten afgeladen, want iedereen wilde de beroemdheid met eigen ogen zien. De achting van de massa voor de held diende zich wel te vertalen in een respectvolle afstand.

Alleen in Holland ging dat anders. Toen Marlborough een niet nader gespecificeerde Nederlandse stad bezocht, was er slechts één burgemeester die hem verwelkomde. Die werd ook nog eens omvergelopen door de opgewonden burgerij, die de befaamde bezoeker op de schouder sloeg en ‘Leve Malbroek!’ in het gezicht riep. Er was zelfs één man ‘die Malborough bij de hand greep en hem omhelsde’.

De anekdote staat in het hoofdstuk over de voor ieder mens zo belangrijke kunst van het complimenteren. Omhelzen! Voor een man als Marlborough diende men te buigen, het liefst een reverence te maken met afneming van het hoofddeksel, en zeker mocht men hem niet als een beschonken achterneef om de nek te vallen.

Het etiquetteboek, Ceremoniel-Wissenschafft der Grossen Herren, was bedoeld voor Duitse jongemannen die carrière wilden maken aan een van Europa’s vele vorstelijke hoven. De bepruikte lezer zag voorbeelden voorbijkomen waarnaar hij zijn gedrag kon modelleren, en historische blunders waarover hij smalend mocht glimlachen. Op het gebied van de hoffelijkheid scoorden de Fransen in die tijd het hoogst. Engelsen stonden goed aangeschreven. Spanje gold als het land waar de protocollen talrijk en rigide waren als de tralies van een gevangenis. De Duitsers, aldus de auteur, kwamen de laatste halve eeuw aardig mee in de continentale wedloop van praal en pronk, maar hadden toch nog wat leren.

Helemaal onder aan de schaal van verfijnde omgang bevonden zich de Hollanders. ‘Hoewel men nergens in Europa van het plebs een sierlijk compliment kan verwachten, ben ik ervan overtuigd dat de Hollanders in hun groffe vrijheid en onbeschaamdheid misschien niet alle, dan toch zeker de meeste andere landen overtreffen.’

Het lijkt op een vroege versie van de veelgehoorde hedendaagse klacht over de verhuftering in Nederland. In het premoderne West-Europa werden de Nederlanders gezien als de droesem van de beschaafde wereld. Lomperds waren het, logge draswezens die lurkten aan pijpen, rondklosten op klompen en een unieke ongevoeligheid aan den dag legden voor wat de rest van Europa beschouwde als kenmerken van beschaving.

Soms werd naar oorzaken van dat gebrek gezocht. Dan wees men naar de invloed van het klimaat, naar de alomtegenwoordige mist en regen. Anderen meenden dat de stroming der lichaamssappen door de overmatige consumptie van kaas en boter de beweeglijkheid aannam van stollende jus, met alle gevolgen van dien voor het Nederlandse temperament en de vatbaarheid voor verfijning.
Tegelijkertijd bestond in het buitenland grote bewondering, allereerst voor de Nederlandse rijkdom. Bekend is de passage uit het dagboek van de Engelsman Samuel Pepys, die het ruim van een VOC-schip betrad dat was buitgemaakt tijdens een van de Engelse Oorlogen. Hij noteerde in zijn dagboek: ‘Wat een weelde: tot de knieën door de kruidnagelen en de notemuskaat gewaad en overal in het rond balen zijde en koper.’ Behalve door de geur raakte Pepys bedwelmd door de berekening van wat deze hoeveelheid specerijen zou opbrengen.

De bewondering ging verder. Buitenlandse bezoekers verbaasden zich over de trekschuit en het feit dat de verschillende diensten per dag nog stipt op tijd vertrokken ook. Bij het bezoek aan het Amsterdamse rasphuis, waar misdadigers hun straftijd besteedden aan economisch rendabele arbeid, oogstte de combinatie van humaniteit en nutsdenken algehele waardering.

Het is maar een kleine greep uit de kwaliteiten waarom de Republiek beroemd was geworden. Kennelijk kregen die lompe pummels wel degelijk iets voor elkaar. En toch, waarom was er zo weinig respect? Waarom vond het buitenland het nodig dat prachtige landje aan de Noordzee te veroordelen?

Ieder land afzonderlijk had een eigen reden tot wrevel jegens de Nederlandse Republiek. Met de buurlanden Engeland en Frankrijk was het land in een spiraal van handelsrivaliteit verwikkeld geraakt. Bij de twee Habsburgse heersers, de koning van Spanje en de Duitse keizer in Wenen, speelde oud zeer mee: het verlies van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648) bleef steken. Daarom duidden Madrid en Wenen de Nederlanders nog lange tijd aan als ‘rebellen’. Daar kwam nog bij dat die rebellen het calvinisme aanhingen – reden voor de keizer de Nederlanders hardnekkig ‘ketters’ te blijven noemen.

Hoewel al deze bezwaren vergaande samenwerking met de Republiek niet in de weg stonden, bleven het dedain en de afkeer. Waarom?

Een halve eeuw voor de publicatie van genoemd etiquetteboek stelde de filosoof Gottfried Wilhelm Leibniz (1646-1716) zich dezelfde vraag. Als rondreizend geleerde en diplomaat proefde hij het internationale klimaat. Half Europa had iets tegen de Republiek, dus er moest iets algemeens aan ten grondslag liggen. Volgens Leibniz kwam de afkeer voort uit de Nederlandse staatsvorm.

De overgrote meerderheid van de Europese staten werd geleid door koningen en mindere vorsten, en die waren nu eenmaal eenkennig. Leibniz: ‘Alle republieken worden door koningen gehaat.’ Inwoners van republieken kenmerkten zich door assertiviteit en een bepaalde mate van economische zelfstandigheid. Een republiek liet andere religies toe en gaf nieuwelingen de mogelijkheid op te klimmen tot een welstand die in het vorstendom over de grens ondenkbaar was.

Maar bovenal waren republieken, door hun grote mate van burgerparticipatie in het bestuur, broedplaatsen van ondernemingslust en burgerlijk zelfbewustzijn. Leibniz wist dondersgoed dat vorsten overal in Duitsland de opkomende burgerij in hun domeinen met argusogen gadesloegen. Vorsten, aldus Leibniz, deelden niet graag hun grenzen met een republiek, omdat ‘de vrijheid der republieken hun buurlanden doet watertanden’.

De uitlatingen van Leibniz zetten de minachting voor de Hollandse lompheid in een ander licht. De vrijheid waar hij op wees was immers de andere kant van dezelfde medaille. Die stond namelijk niet los van het ontbreken van ceremoniële woeker in het Nederlandse openbare leven. En dat had weer te maken met de relatieve maatschappelijke gelijkheid.

In de Tachtigjarige Oorlog hadden de Nederlanders hun staatshoofd, de koning van Spanje, de deur uit gedaan. Hierdoor kon geen nieuwe adel meer worden gecreëerd. In een eeuw tijd dunden de adellijke gelederen dan ook langzaam maar zeker uit. Eind zeventiende eeuw telde Holland nog slechts honderd edellieden. Het burgerlijke bestanddeel van de bevolking daarentegen was oppermachtig; in de Republiek woonde circa 60 procent van de bevolking in een stad.

In Holland, veruit het rijkste gewest van de Republiek, was de verhouding tussen adel en burgerij het scheefst: in de Statenvergadering had de ridderschap slechts één stem, de steden achttien. In plaats van een koning of een soortgelijk staatshoofd had het land een ‘stadhouder’, een prins van Oranje of Nassau die per provincie werd gekozen en die bij zijn inzweringseed moest beloven dienaar te zijn van de Statenvergadering. Dienaar in en van een burgerlijke statenbond – weinig vorsten in Europa hadden het over hun lippen kunnen krijgen.

Overal in Europa ging staatsvorming samen met de ontwikkeling van een ‘paleiscultuur’. De wildgroei aan vorstenhoven bracht een bestseller voort, Cortegiano, ofwel het Boek van de Hoveling, geschreven door Baldasare Castiglione. Vanaf de publicatie in 1528 tot aan het einde van de achttiende eeuw kwamen er maar liefst 146 edities uit, waarvan vele tientallen in vertaling.

Maar de markt in de Lage Landen was met twee Nederlandse vertalingen verzadigd. Wat had men hier ook aan hovelingenschap? In plaats van paleizen rezen in de Republiek de stadhuizen als paddenstoelen de grond uit, met als hoogtepunt de oplevering het kolossale stadhuis van Amsterdam in het midden van de zeventiende eeuw. Deze burcht van burgertrots was groot genoeg om anderhalve eeuw later door Neêrlands eerste koning, Lodewijk Napoleon, tot diens residentie te worden uitverkoren.

De stadhuiscultuur van de Lage Landen verhield zich tot de paleiscultuur als een schilderij van Jan Steen tot een barok heersersportret. In het stadhuis liepen mensen in en uit, en kon men getuige zijn van het gekibbel tussen burgemeesters en schepenen. In het paleis was het enige gekibbel afkomstig van jaloerse hovelingen; de vorst werd omgeven door een stilte die alleen op zijn wens werd doorbroken. Je kwam het paleis uitsluitend binnen op afspraak; als je geluk had ving je een glimp op van de vorst aan zijn souper, omringd door tientallen hovelingen.

Nergens was de dwang van etiquette groter dan in het paleis. Iedere hoveling had zijn eigen titel, die hem recht gaf op een takenpakket dat hij vurig bewaakte. Van page tot kamerheer, van jachtoppermeester tot wijnschenker: zijn titel verschafte hem een plek in een ritueel dat door iedereen met de grootste ernst werd uitgevoerd. Het ceremonieel beschreef de onderlinge verhoudingen in termen van voorrang, en in die hele rangorde kwam eenieders nabijheid tot de allerhoogste persoon tot uitdrukking.

Wie het verst van de vorst verwijderd was, moest de complete paleisbevolking voor laten gaan. Zodoende had het ceremonieel altijd de macht als centrum. Ook in afwezigheid van de vorst zag je zijn schijnsel als het ware weerkaatsen in het gedrag van zijn satellieten.

De zeventiende en achttiende eeuw zagen in het buitenland een wassende stroom van ceremonieboeken. Er kwamen ook steeds meer protocollen, reglementen en tierlantijnen bij. De macht werd steeds theatraler. Machthebbers waren allang geen gekroonde mensen meer, maar collectieve personages. Ze vertolkten de hoofdrol in een omslachtig kostuumdrama dat geen buitenstaanders kende; iedereen was deel van de enscenering. De ernst waarmee men zijn rol speelde hield verband met de overtuiging dat de ceremoniën vormgaven aan een perfecte orde.

Macht was werk in uitvoering; iedere dag opnieuw werd weer een poging ondernomen een ideale wereld van gratie en grandeur te scheppen. Voor lieden die de regels aan hun laars lapten bestond dan ook geen begrip.

Ook dat bedoelde Leibniz wanneer hij stelde dat koningen republieken haatten. Het is opvallend hoe vaak buitenlandse ambassadeurs in Den Haag naar huis schreven dat het Nederlandse plebs weer eens op de been raakte. Nergens was een regering gevoeliger, wist men, voor de dreiging van scanderende en schreeuwende massa’s.

Het ideaal van orde en harmonie bestond overigens ook tussen staten onderling. Bij iedere internationale ontmoeting of conferentie resulteerde die in een eindeloos geharrewar welke ambassadeur vier, zes of acht paarden voor zijn koets mocht hebben, wie het eerst aan tafel mocht plaatsnemen, wie het eerst het woord mocht voeren enzovoort.

In naam stond de paus bovenaan in de internationale pikorde, maar feitelijk stelde diens positie niet veel meer voor. In de praktijk was de keizer de belangrijkste man. Voor geen enkele vorst diende een buitenlandse gezant zo vaak te buigen als voor hem: eerst bij binnenkomst, daarna halverwege de ontvangstzaal en ten slotte aan de keizerlijke voeten. In de rangorde kwamen de koningen na de keizer, met Frankrijk bovenaan, dan Engeland en de rest. Onder de koningen volgden de republieken, waarbij het de vraag was wie voorrang kreeg: Venetië (de oudste republiek) of Nederland (de jongste en machtigste).

Het tekende de houding tegenover Nederland als parvenustaat dat de keizer als hoogste potentaat tot in de achttiende eeuw vasthield aan de krenterige aanspreektitel ‘Vos seigneurs’ en de Staten-Generaal domweg weigerde te adresseren met ‘Hoog Mogende Heren’. De Nederlandse gezanten hebben lang in Wenen moeten aandringen voor het eindelijk zover was.

Ook een ander gevoelig punt waarop Leibniz wees, had met die parvenustatus te maken. De Nederlandse Republiek was rijk, stinkend rijk. Bij buitenlandse vorsten wekte dat ergernis, want rijkdom was een kenmerk van aanzien en geboorte. Dat burgers in weelde baadden, was onethisch en kon uitsluitend worden geweten aan egoïsme en hoogmoed. Aan hoogmoedige burgers geen gebrek in de Republiek: van de vijftig rijkste Nederlanders waren er slechts tien van adellijke geboorte.

Ook keek men neer op de Nederlandse voorkeur voor het volgen van een vredespolitiek. Zo’n politiek werd gezien als een weinig verheffende strategie om zo rijk mogelijk te worden. Vanuit deze optiek leverden Nederlanders hun trots in voor materieel gewin. Minachting dus voor de Nederlandse lafheid.

Vorsten en adel in het buitenland hadden nog een reden voor hun kritische houding. De welvaart was een goede reclame voor de Nederlandse vrijheid. Het water liep de burgers in de Duitse steden in de mond vanwege de alomtegenwoordigheid van boter en kaas op de Nederlandse tafels. De burgers in tal van steden als Kleef, Hamburg en Keulen wensten verschoond te blijven van vorstelijke bedilzucht en wilden niets liever dan een handelspolitiek volgen à la de Republiek.

Waarschijnlijk hadden de Nederlanders de afgunstige ergernis ook niet kunnen ontlopen. De manier waarop zeventiende- en achttiende-eeuwers nadachten over internationale economie maakte wrevel bijna onvermijdelijk. Men was nog onbekend met het begrip ‘economische groei’. Een economie werd gezien als een hermetisch systeem waarbinnen een vaststaande hoeveelheid rijkdom en goederen van eigenaar wisselde. Dat die hoeveelheid, het aantal eigenaren en de frequentie van transacties konden toenemen was een inzicht dat pas later ingang zou vinden.

In internationaal opzicht zag men de economieën met elkaar in verbinding staan als communicerende vaten: waar het peil in het ene vat steeg, daalde het in het andere. Dat wereldbeeld, ook wel ‘mercantilisme’ genoemd, werkte jaloezie sterk in de hand. Wie de rijkdom van de Republiek aan een nadere inspectie onderwierp kwam vanzelf tot de slotsom dat die op de een of andere manier ten koste ging van een ander land. Wanneer Europese vorsten en kooplieden aan Hollanders dachten, verscheen voor hun geestesoog een burgerman die met een verzaligde glimlach zijn tijd verdeelde tussen blinkende guldens tellen en zijn arm uitstrekken naar een buitenlandse schatkist – hún schatkist.

Hoe hoog de ergernis over de Nederlandse lomperiken en hun rijkdom was opgelopen, bemerkte Leibniz heel goed bij de Duitse vorsten. Aan de vooravond van het Rampjaar 1672 hoorde hij aan menig hof dat de Nederlanders wel een tuchtiging konden gebruiken. De Duitse vorsten gunden de Republiek een ‘kleine klap’, een soort corrigerende tik die hen van hun hoogmoed zou genezen. Dat het Rampjaar bijna zou resulteren in een nekslag kon toen natuurlijk nog niemand voorzien.

Gaandeweg de achttiende eeuw werd de Republiek door andere landen voorbijgestreefd als eerste handelsnatie. Haar reputatie als natie van inhalige cultuurbarbaren was een veel langer leven beschoren. Toch staarde niet iedere buitenlander zich blind op dat imago. Uitgerekend een ambassadeur van de keizer, Franz Wenzel Graf von Sinzendorf, keerde het ceremoniële labyrint van de Weense Hofburg de rug toe. Na een jarenlang verblijf in de Nederlandse Republiek wenste deze graaf het land niet meer te verlaten.

‘Waarom niet?’ wilde de keizer weten. De ambassadeur in kwestie ging niet op de vraag in, maar een collega uit Den Haag gaf antwoord: ‘Hij wil niet meer scheiden van de hier heersende gemakkelijke levenswijze, waarin iedereen zijn leven naar eigen inzicht kan inrichten.’

Luc Panhuysen is biograaf van de gebroeders De Witt en auteur van Rampjaar 1672. Hoe de Republiek aan de ondergang ontsnapte (2009).


MEER WETEN
Boeken

Het etiquetteboek is geschreven door Julius Bernard von Rohr en kreeg verschillende drukken: Einleitung zur Ceremoniel-Wissenschafft der Privat-Personen stamt uit 1728. Vijf laar later kwam de auteur met Ceremoniel-Wissenschafft der Grossen Herren. Van beide boeken bestaan facsimile-uitgaven uit 1990. Von Rohrs boeken geven een prachtig profiel van het klippenlandschap van de standensamenleving.

Over Castigliones ‘Boek van de Hoveling’ is veel geschreven, Peter Burkes The fortunes of the Courtier is bij mijn weten het enige boek dat een lijst bevat van alle edities en bovendien een opgave van alle traceerbare eigenaren van het boek tot 1700.

Lees over de schaarste aan ridders en edelen in het gewest Holland onder meer Henk van Nierops Van ridders tot regenten. De Hollandse adel in de zestiende en de eerste helft van de zeventiende eeuw (1990). Over de filosoof Leibniz, de Republiek en de kijk van buitenlanders en Duitsers op de Republiek: Oranien-Nassau, die Niederlande und das Reich (1995) door Horst Lademacher. En: Leibniz. An Intellectual Biography (2009) van Maria Rosa Antognozza.

Over de kijk van Oostenrijkers op de Nederlandse Republiek schreef Volker Jarren, ‘Die Vereinigte Niederlande und das Haus österreich 1648-1748. Fremdbildwahrnehmung und politisches Handeln kaiserlicher Gesandter und Minister’, in: Keufleute und Fürsten, onder redactie van Helmut Gabe.

Het begrip ‘stadhuiscultuur’ heb ik ontleend aan: J.C.Strengs ‘Stemme in staat’. De bestuurlijke elite in de stadsrepubliek Zwolle 1579-1795 (1997). Het verschijnsel ‘hofcultuur’ komt aan de orde in The Princely Courts of Europe 1500-1750 (1999) onder redactie van John Adamson.



 

Typisch Nederland, Typisch Maarten!

Nederland is een typisch calvinistisch land waar het voortdurend regent, ons land puilt bovendien ...uit van de uitkeringstrekkers, heeft een beroerde keuken en een bijzonder ongunstig belastingklimaat. Het zijn maar enkele van de vooroordelen die...

€ 7,50 | Koop nu

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Onbehagen en beschaving

Of hij nu schrijft over popcultuur, drones, migratie of het dagelijkse familieleven, bestsellerauteur ...Mohsin Hamid neemt de lezer mee voorbij de angstaanjagende krantenkoppen uit het bezorgde Westen over een turbulent Oosten, voorbij stereotypen en...

€ 24,90 | Koop nu

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen