Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2011

Hoe Nijmegen Maastricht aftroefde

Door: Anton van Hooff
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Wat is de oudste stad van Nederland? Nijmegen en Maastricht maakten er een strijd van. Nijmegen won, met behulp van een zuil uit 17 n.Chr.
In 1980 pakte een graafmachine op het Nijmeegse plein Kelfkensbos bij het Valkhofpark een groot deel van een Romeinse zuil op. De beschadiging op de zogenoemde Tiberius-zuil is nog steeds zichtbaar. De grondwerkzaamheden werden onmiddellijk stilgelegd en toen men voorzichtig verder groef, werd nog een tweede blok gevonden. Zo werd het middenstuk geborgen van wat een overwinningszuil van 7,5 meter moet zijn geweest. Een kwarteeuw na de vondst werd de zuil onderdeel van een strijd tussen Nijmegen en Maastricht, om de titel ‘oudste stad van Nederland’.

Nijmegen is erg zeker van zijn zaak en vierde in 2005 zijn 2000-jarig bestaan. Een tijd werd erover gedacht om ‘de oudste stad van Nederland’ het vaste predicaat van Nijmegen te maken. Maar ‘oudste’ klonk een beetje muf. Uiteindelijk is het ‘Altijd Nijmegen’ geworden: Nijmegen als de Eeuwige Stad aan de Waal. Voor wie creatief telt, ligt Nijmegen trouwens net als Rome op zeven heuvels.
 

Overwinning


De pijler onder de Nijmeegse aanspraak is de Tiberius-zuil, die waarschijnlijk dateert van 17 n.Chr. Op de voorzijde giet een figuur in toga bij wijze van offer drank over een altaarsteen, waarop de overwinningsgodin staat. Deze Victoria bekranst de offeraar. Op het altaar staat de naam Tiberius Caesar, de opvolger van Augustus. De overwinning die aldus gememoreerd wordt moet wel een succes van Tiberius in het Rijn-gebied betreffen.

Zo’n overwinningszuil werd alleen neergezet in een plaats van enige betekenis. De archeologische gegevens bevestigen dat zich rond 17 n.Chr. op en om het Valkhof het Batavenoord bevond, Batavodurum. Dat was een nederzetting van Romeinse of verromeinste handelaars en ambachtslieden aan de rivier, een vicus (de wortel van ons woord ‘wijk’).

Die plaats, die een oppervlakte van 25 hectare (38 voetbalvelden) besloeg en werd afgebakend door droge grachten, moet dus al enige tijd vóór 17 n.Chr. – het waarschijnlijke jaar van oprichting van de zuil – iets hebben voorgesteld. Het ‘stadje’ dankte zijn bestaan aan de legerkampen die onder Augustus vanaf 19 v.Chr. op het plateau van de Hunerberg werden opgeslagen.
 

Droge voeten én mooi uitzicht


Het gebied rond Nijmegen was voor de Romeinen aantrekkelijk vanwege de geografie. De Valkhofheuvel is de noordelijkste hoogte vlak bij de Waal, die uitzicht geeft over het laagland van de Betuwe aan de overkant van de rivier – bij goed weer is de heuvelrug achter Arnhem in het noorden zichtbaar. Naar het zuidoosten strekt zich een plateau uit dat ruim, vlak en hoog genoeg was om Romeinse legerplaatsen te herbergen. Dit plat van de Hunerberg daalt aan de noordoostkant, de kant van de Waal, zeer steil af en biedt een goed uitzicht op wat nu de Ooijpolder heet.

In Nijmegen hielden de soldaten de voeten droog en hadden ze een prachtige uitkijk- en uitgangspost voor hun militaire campagnes in Germania. Een tijdlang lagen er twee of misschien zelfs drie legioenen, die in een enorm kamp (65 voetbalvelden groot) op marsbevel wachtten. De 15.000 militairen met hun aanhang werden over de Duitse Rijn en de Waal bevoorraad via Batavodurum.Ook toen de troepen in de eerste decennia van onze jaartelling op campagne waren in het huidige Duitsland bleef ‘Nijmegen’ belangrijk. Op de heuvel van het Kops Plateau, nog wat meer naar het zuidoosten dan de Hunerberg, lag sinds 10 v.Chr. een omwalde vesting. Gezien de omvang en de kwaliteit van de gebouwen en woningen moet hier het hoofdkwartier hebben gelegen voor de operaties aan de overkant van de Rijn.
 

Op sommige plekken in Nijmegen loop je letterlijk over de scherven

Op het Kops Plateau zijn niet minder dan een half miljoen stukken geborgen, waarvan 375.000 scherven het leeuwendeel vormen. Het is niet de enige plaats waar je in het Nijmeegse letterlijk over de Romeinse scherven kon lopen. Bij een opgraving op het voetbalveld van het Canisius College, vlak bij het Kops Plateau, lagen de scherven gewoon voor het oprapen – bezoekers mochten hun slag slaan, nadat ze hun scherf even door een archeoloog hadden laten inspecteren. De Nijmeegse depots puilen uit van de vondsten. Menig Nijmegenaar heeft iets Romeins in huis – zo gebruik ik stukken van Romeinse dakpannen als boekensteunen.
 

Wat is een 'stad'? 


Batavodurum, de burgerlijke nederzetting rond het Valkhof waar de Tiberius-zuil stond, ontstond aan het begin van de jaartelling – vandaar de tweeduizendste verjaardag die Nijmegen in 2005 vierde. De nederzetting was afgebakend door een fossa, een droge gracht. Op grond van bebouwing, ook in natuur- en baksteen, en het aantal graven, die volgens de gewoonte van de Oudheid buiten de bebouwing lagen, wordt het inwonertal op 1000 à 1500 geschat: genoeg om ‘stad’ te heten?

De rivaliteit tussen Nijmegen en Maastricht om de titel ‘oudste stad van Nederland’ nodigt uit tot overpeinzingen over het begrip ‘stad’. Zijn stadsrechten voor die status een voorwaarde? Moet een nederzetting een bepaalde omvang hebben om als stad te gelden? Hoort er een muur te zijn, een markt, zelfbestuur, een cultusgemeenschap rond een centrale god of heilige? Moet er sprake zijn van continuïteit in naam en bewoning? Hoort het centrum op dezelfde plaats te blijven?

Als het om stadsrechten gaat, hebben Stavoren (1058-’68), Utrecht (1122), Deventer (1123) en Aardenburg (1127) de oudste papieren. Maastricht mocht van de hertog van Brabant in 1229 de aarden wal uit 1204 door een stenen vervangen. Als die toestemming mag gelden als een vorm van stadsrechten, dan is Maastricht de tiende in de rij. Nijmegen kreeg in 1230 zijn vrijheden, als nummer 21. Nijmegen, nooit vies van een feestje, vierde dan ook in 1930 zijn 700-jarig bestaan. In 2005 was het ineens 1300 jaar ouder.

In het Nijmeegse jubeljaar 2005 heeft de toenmalige premier een kunstwerk van Rutger Fuchs en Ram Katzer onthuld dat naar de Tiberius-zuil verwijst. Het staat op het plein van het Kelfensbos vóór het Museum het Valkhof. Het heeft de hoogte die het origineel moet hebben gehad, maar priemt schuin de lucht in, want het fungeert als de naald van een grote zonnewijzer.

Deze schuine pijler viert ook de zege van Nijmegen over Maastricht. Tot ontzetting van menig Maastrichtenaar verklaarde hun eigen stadsarcheoloog Titus Panhuysen dat de Tiberius-zuil een onweerlegbaar bewijs was voor de ouderdom van Nijmegen. Door dit ‘verraad’ zit een ‘Altied Mestreech’ er niet meer in.
 

Naam


Nu kunnen critici tegenwerpen dat de naam ‘Nijmegen’ in 17 n.Chr. nog niet bestond. De naam was immers Batavodurum. Daarop bestaan enkele variaties, zoals Oppidum Batavorum, maar in elk geval was de naam ‘Noviomagus’ – Nieuwmarkt, de Latijnse naam voor Nijmegen – nog niet in omloop. Maar ook Maastricht had in de Romeinse tijd nog niet zijn huidige naam. Mosae Trajectum – Maas-oversteek – is pas in de Middeleeuwen ingevoerd.

Bij het huidige Maastricht lag rond het begin van de jaartelling een nederzetting ten westen van een brug in de grote heerweg tussen Boulogne en Keulen. De naam van die nederzetting is onbekend. Op de fameuze Peutingerkaart, een kopie van een wegenkaart uit de derde of vierde eeuw die in 1507 in bezit kwam van Konrad Peutinger, staat ter plaatse niets. Wel worden Tongeren en Heerlen genoemd.

Nijmegen staat ook op de kaart, onder de naamvalsvorm Noviomagi. Het belang van de plaats wordt benadrukt door twee torentjes. In Nederland heeft verder alleen de Brittenburg (Lugdunum) bij Katwijk die onderscheiding.

‘Noviomagus’ was de naam van een nieuwe nederzetting die werd gesticht nadat Batavodurum in de loop van de Bataafse opstand van 69-70 n.Chr. was verwoest. Toen werd op de Hunerberg het tiende legioen gelegerd in een kamp dat uiteindelijk in steen werd uitgevoerd. Tot in de zeventiende eeuw haalden Nijmegenaren daar natuursteen vandaan voor bouwwerken in de stad. Toch zijn er genoeg grondsporen over die de hoge kwaliteit van het kamp aantonen.

In het centrum van het kamp lag het hoofdkwartier (praetorium), 93 meter lang en 65 meter breed, met een aparte ruimte als heiligdom voor de legioensvaandels. De luxueuze woonhuizen die eromheen lagen, hadden vloerverwarming, fresco’s en een wc met aansluiting op het riool.
 

Pakhuizen, een grote herberg én amfitheater


Het kamp had graanpakhuizen, werkplaatsen en een aquaduct dat water vanuit Berg en Dal aanvoerde. Een straat in Nijmegen, de Broerdijk, ligt nog steeds hoger dan de omgeving, want ooit lag daar een wal waarover de waterleiding liep. Buiten het kamp lagen allerlei gebouwen ten behoeve van de kampbevolking; voor gasten was er een grote herberg (mansio), met twee verdiepingen rond een binnenhof.

Er was een heus amfitheater, het enige dat in Nederland is gevonden. Tot in de derde eeuw kwamen bewoners van Noviomagus hier hun portie gewelddadig vermaak halen. Ten slotte lag aan de weg in de richting van Duitsland een grote markthof, gebouwd van natuursteen. Dit forum, met een oppervlak van 166 bij 137 meter, anderhalf voetbalveld groot, was het grootste Romeinse complex in Nederland. De bouwmaterialen moeten zijn aangevoerd via de kade van het verwoeste Batavodurum.

Noviomagus werd op twee kilometer ten westen van het kamp buiten de grafvelden aangelegd, in het huidige Waterkwartier (waar de straten naar rivieren zijn genoemd). Anders dan het spontaan gegroeide Batavodurum had Noviomagus de planmatige aanleg van een rechthoek. Het was 30 hectare groot, circa 45 voetbalvelden. Van west naar oost was de doorsnee 500 meter. Voor deze nederzetting kozen de stichters het vlakke land ten westen van de ‘zeven’ heuvels die het Middeleeuwse Nijmegen uitmaakten. Daar begint het Land van Maas en Waal.

De Pax Romana was zo sterk dat men geen hoogten nodig had om de stad verdedigbaar te maken. Pas onder Marcus Aurelius (161-180), toen de spanning in de grenszone van het Romeinse Rijk toenam, kreeg Noviomagus een stenen muur.
 

Ulpia Noviomagus


Omstreeks het jaar 100 verleende keizer Ulpius Traianus aan Noviomagus de status van gemeente of municipium; de naam kreeg de familienaam van de keizer als toevoeging: Ulpia Noviomagus. Heel gewetensvol vierde Nijmegen in 2005 naast het 2000-jarig bestaan ook het 1900-jarige stad-zijn.

In een municipium had de besturende elite het Romeinse burgerrecht. De leden van de elite van Noviomagus lieten rijke graven aanleggen aan de uitvalswegen. Sommige behoren tot de rijkste graven uit de Romeinse tijd in Nederland. Binnen de stad getuigden een badhuis en twee tempels, voor Mercurius en Fortuna, van een zekere stedelijke allure.

Veel meer dan enkele duizenden inwoners had Nijmegen niet

Veel meer dan enkele duizenden inwoners heeft Noviomagus niet gehad, volgens schattingen op basis van het aantal graven. Een paar bewoners genoten een aanzienlijke welstand, zoals de gebeeldhouwde fragmenten van hun monumentale graven bewijzen.

De naam ‘Noviomagus’ is niet alleen bekend van de Peutingerkaart, maar ook uit enkele inscripties. Zo staat op de grafsteen van Titus Aurelius Vindex, die in Rome is gevonden, vermeld dat hij uit Ulpia Noviomagus kwam. Ook de andere inscripties betreffen militairen, in één geval de vrouw van een commandant. Verder is er in 1993 binnen Noviomagus een ring gevonden met de tekst: ‘Aan de [godin] Welzijn heeft Rusticus voor de Nijmeegse schoenmakers uit het genootschap van Esseravus ten geschenke gegeven en gewijd.’ Wie Esseravus was en wat zijn genootschap voorstelde is onduidelijk, maar de Nijmeegse identiteit van de schoenmakers staat buiten kijf.
 

Verlaten en opnieuw bewoond


Noviomagus is in 260-270 verlaten, toen de grenzen onder een nieuwe golf invasies bezweken. Toen enkele decennia later het Romeinse gezag werd hersteld onder Constantijn (306-337) koos men als locatie voor een nieuwe nederzetting niet de plaats van Noviomagus, maar de plaats van het vroegere Batavodurum. Op het Valkhof werd een versterking gebouwd en de nederzetting aan de voet van de heuvel aan de Waalkant werd van een muur voorzien.

Het nieuwe ‘Nijmegen’ was niet onbetekenend, zoals de muur van bijna honderd meter die opdook bij de bouw van het Holland Casino in 1985-’87 liet zien. Dit voor Nederland unieke monument moest wijken voor het gokhuis. Bulldozers deponeerden de brokstukken op het plantsoen voor mijn toenmalige flat; ik heb er steels stukjes lood van Romeinse waterleidingen uit gehaald. Alleen een nietig stukje wordt in een etalage van het Casino getoond.

In de vierde eeuw werd nog steeds buiten de nederzetting begraven. Midden in het huidige centrum, aan de Burchtstraat, werd in 2001 een loden grafkist gevonden met daarin de resten van een vrouw van 35-40 jaar. Het kostbare lood, dat in het noordwesten van het rijk maar zelden werd gebruikt, heeft haar beter geconserveerd dan een gewone stenen grafkist zou hebben gedaan. Een forensisch expert heeft een gezichtsreconstructie vervaardigd van een nogal mannelijke dame.

De nederzetting uit de vierde eeuw moet net als de eerdere nederzetting Noviomagus zijn genoemd, zoals de Peutingerkaart bewijst. In de zesde eeuw verschijnt de naam ‘Niomago’ op gouden munten die in de buurt van Grave zijn gevonden, en de Romeinse naam ‘Noviomagus’ blijft in teksten voorkomen. Daarin wordt ook gesproken van ‘N(i)umaga’, zoals in het Leven van Karel de Grote in de negende eeuw geschreven door Einhardt. En zo is de naam blijven voortleven in allerlei vormen: Nieumeghen (van Mariken van Nieumeghen), Nimmegen, en het Duitse Nymwegen.

Anders dan Maastricht werd Nijmegen in de late Oudheid en vroege Middeleeuwen geen christelijk centrum. Er zijn maar weinig sporen van christendom uit de Romeinse tijd: meer dan een Christus-monogram (het chi-rho-teken) op een olielampje en op een haarspeld is er eigenlijk niet. De Nijmeegse geschiedenis van na de Romeinse tijd vertoont daardoor een zeker gat.

Maar die leemte wordt door voortgaande vondsten steeds meer gevuld. Het laat-Romeinse grafveld aan de huidige Burchtstraat bleef in gebruik; er zijn voorwerpen uit de vijfde eeuw aangetroffen. Ook potten uit de zesde en zevende eeuw zijn in de omgeving opgedoken. In graven op het Valkhof zijn twee zwaarden uit de zevende eeuw gevonden. In 777 vierde Karel de Grote in de ‘villa met de naam Niumaga’ het paasfeest. Spoedig daarna bouwde hij op het Valkhof zijn palatium (palts).

De bewijzen voor de continuïteit van Nijmegen in de Merovingische en Karolingische tijd, van de vijfde tot tiende eeuw, zijn vooral indirect. Het is plausibel dat aan de voet van het Valkhof steeds een bevolkingsconcentratie was; daar konden bewoners zich nestelen in de resten van de Romeinse gebouwen van bak- en natuursteen. Maar omdat de Waal de oever in de loop der eeuwen flink heeft uitgeschuurd ontbreken de harde bewijzen.
 

Ononderbroken bestaan


In dit ‘gat van Nijmegen’ springen verstokte Maastrichtenaren. Hun stad mag dan wel in ouderdom voor Nijmegen onderdoen, maar kan bogen op een ononderbroken bestaan sinds er in de derde of vierde eeuw een castrum, een vesting, werd gebouwd. De muren daarvan zijn tot circa 1000 overeind gebleven.

Deze versterking besloeg maar een klein oppervlak, 1,5 hectare – twee à drie voetbalvelden. Ze moest in de onzekere tijd de rivierovergang in de grote weg van de Kanaalkust in het huidige Frankrijk naar Keulen beveiligen. Hier lag een vaste brug. Brokken van de stenen pijlers zijn in 1915 en in de jaren zestig gevonden. De pijlers rustten op eikenhouten palen die in de rivierbodem waren gedreven. Jaarringen geven het jaar 38 van onze jaartelling als de vroegste datum van constructie.
Aan weerszijden van de brug lagen langs de heerweg taveernes en werkplaatsen, en uit een vroegere periode zijn de resten van een badhuis en een heiligdom gevonden. Binnen de muren van dat heiligdom stond een Jupiter-zuil.

Maar een duidelijke structuur en status had de nederzetting niet. Een Romeins kamp was er niet nodig, omdat het gebied al spoedig na de Romeinse verovering onder Julius Caesar en Augustus in het veilige binnengebied lag. Alleen op de Pietersberg heeft omstreeks 31 v.Chr. enige tijd een grote versterking gelegen, die wel een rol zal hebben gespeeld bij de pacificatie.

Later werd een klein castrum aan de Maas gebouwd. Dat was beter te verdedigen dan het omvangrijke Tongeren. Daarom zocht Servatius, de tiende bisschop van Atuatuca Tungrorum, in 384 zijn toevlucht in de vesting aan de Maas. Hij werd er de eerste bisschop. Na zijn dood werd hij als heilige vereerd en kreeg hij een gedachteniskapel en later een kerk.

Zo werd ‘Maastricht’ een bedevaartsoord, tot stichting en profijt van de bewoners. Vanaf Servaas tot Sint-Hubertus, die in 722 de bisschopszetel naar Luik overbracht, droegen 21 bisschoppen achtereenvolgens de mijter, een bewijs voor continue bewoning in die periode. Een vergelijkbare religieuze impuls ontbrak in Nijmegen. Pas met Petrus Canisius (1521-1597) produceerde de Waalstad een lokale heilige.
 


Wat is er te zien?

Veel is er in Nijmegen en Maastricht bovengronds van de Romeinse resten niet te zien: in Nijmegen een brokstuk in de Nicolaas-kapel, de zogeheten Karolinigische kapel; hergebruikte zuilen in de Barbarossa-kapel op het Valkhof; vitrines met Romeinse vloerverwarming en een stukje muur in het Nijmeegse casino. In Maastricht zijn er resten onder Hotel Derlon en een moderne Latijnse inscriptie op de plaats van de brug.

Het Nijmeegse Museum Het Valkhof stelt permanent de Tiberius-zuil en andere fraaie vondsten tentoon, zoals voorwerpen van barnsteen. In Maastricht kan men alleen via de website van het Centre Céramique de Romeinse vondsten zien die ooit een bezoek aan het Bonnefantenmuseum de moeite waard maakten.

De tijd van de grote opgravingen lijkt in beide steden voorbij, nu allerlei renovaties zijn voltooid. De Universiteit Nijmegen heeft haar afdeling Provinciaal-Romeinse Archeologie gesloten. Den Haag dwingt de steden ook op hun geschiedenis te bezuinigen. De Nijmeegse wethouder voor Cultuur, Hannie Kunst, heeft voorgesteld de verplichting tot archeologisch onderzoek in het centrum en Oost op te heffen als het te bebouwen oppervlak op het achtererf minder dan 50 vierkante meter is. Maar juist hier, in onbebouwde tuinen en erven, is de kans dat het bodemarchief ongeschonden is het grootst. Daar kunnen de kleine puzzelstukjes opduiken die het ’m doen in de archeologie.

Anton van Hooff is voormalig hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit van Nijmegen.


MEER WETEN
Boeken

Louis Swinkels en Annelies Koster, Nijmegen, oudste stad van Nederland (2005), te koop in de museumwinkel van Museum Het Valkhof, is een handzame en rijk geïllustreerde uitgave van 88 pagina’s die een overzicht geeft van de diverse lagen van Romeins Nijmegen. Veel uitvoeriger en wetenschappelijker is deel 1 van Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland, Prehistorie en Oudheid, onder redactie van Willem Willems e.a. (2005).

Voor Maastricht moeten we het nog steeds doen met Titus Panhuysen, Maastricht staat op zijn verleden (1984). Wel zijn beschrijvingen van Romeinse vondsten in Maastricht sinds 1984 via internet goed te vinden.

Het meeste actuele, algemene boek over de Romeinen in Nederland is Jona Lendering & Arjen Bosman, De rand van het Rijk. De Romeinen in de Lage Landen (2010).

Afbeelding: Jan van Goyen, Gezicht op de Waal (1641, Museum het Valkhof)