Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2011

Roelof Overakker (1890-1945)

Schimmenspel op Sumatra

Door: Esther Zwinkels
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Tijdens de bezetting van Nederlands-Indië was de Japanse inlichtingendienst in de greep van een vermeend complot van oud-KNIL-militairen, die op Sumatra verzetsacties voorbereidden. Tientallen verzetsleden werden opgepakt, mishandeld en doodgeschoten. De spil van het complot was volgens de Japanners de Nederlandse generaal-majoor Roelof Overakker.
Sumatra, 9 januari 1945. Op een heuvel vlak bij Fort de Kock (het huidige Bukittingi) worden twee hoge Nederlandse officieren tegenover een Japans vuurpeloton geplaatst. Een twintigtal Japanse officieren en opzieners kijkt toe hoe de fatale schoten worden gelost. Om 13.17 uur verklaart de geneeskundig luitenant de twee Nederlanders dood.

De slachtoffers zijn generaal-majoor Roelof Overakker, die juist vandaag 55 jaar oud is geworden, en de twee jaar oudere kolonel Vic Gosenson. Zij zijn die ochtend door een Japanse krijgsraad ter dood veroordeeld. Overakker en Gosenson stonden volgens de Japanners aan het hoofd van een uitgebreid Sumatraans verzetsnetwerk. De zaak was tot in de hoogste militaire kringen in Tokio berucht onder de naam ‘Overakker-complot’.
 

Overakker

Roelof Overakker werd in 1890 geboren in Haarlem. Na zijn opleiding aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda werd hij in 1912 gestationeerd in Nederlands-Indië. Hij trouwde er met de Indo-Europese Sophie Beer, met wie hij twee kinderen kreeg: Roelof en Margaretha. Overakkers militaire carrière verliep voorspoedig. Hij doorliep de Hogere Krijgsschool en werd in 1925 als officier van de generale staf van het Koninklijk Nederland-Indisch Leger (KNIL) naar Oost-Java en Timor gezonden, waar hij ook was belast met bestuurlijke zaken als belastinginning en rechtspraak. Verder was hij een fervent beoefenaar van de paardensport.

Overakker schopte het tot luitenant-kolonel van de infanterie in Malang. Door de toenemende dreiging vanuit Japan moest het KNIL rekening houden met een militair conflict. Nederlands-Indië met zijn vele grondstoffen was voor Japan een aantrekkelijke prooi.
 
Door de toenemende dreiging vanuit Japan moest het KNIL rekening houden met een militair conflict
Na de aanval op Pearl Harbor op 7 december 1941 begon het Japanse leger aan zijn opmars in Zuidoost-Azië. In januari 1942 landden Japanse troepen in het noorden van Borneo en op Celebes (het huidige Kalimantan en Sulawesi). Op 9 februari werd Overakker van Malang overgeplaatst naar Midden-Sumatra, waar hij het Territoriaal Commando op zich nam en werd bevorderd tot generaal-majoor. Zes dagen later veroverden de Japanners de oliehaven Palembang en stortte het KNIL op Zuid-Sumatra in.
 

Slag in de Javazee

Nergens waren de Nederlandse troepen opgewassen tegen het Japanse leger. Na de verloren Slag in de Javazee lag voor de Japanners de route naar Java open. Op 8 maart moest ook hier het KNIL capituleren en was bijna heel Indië in Japanse handen. De troepen van Overakker hielden in Midden-Sumatra nog drie weken stand. Uiteindelijk zag hij geen heil meer in doorvechten en capituleerde. Alleen op Timor en Nieuw-Guinea zetten Nederlanders, gesteund door Australische troepen, nog tot respectievelijk augustus 1942 en eind 1944 de strijd voort.
 
Na de verloren Slag in de Javazee lag voor de Japanners de route naar Java open
Een periode van drieënhalf jaar Japanse bezetting brak aan. Een strak geleid militair bestuur had binnen korte tijd het land in zijn greep. Via de militaire politie of Kempeitai, een uitgebreid politie- en inlichtingenapparaat en Indonesische burgermilities hield het Japanse bestuur een sterke controle op de bevolking. Een belangrijk aspect van het beleid was de ‘japanisering’ van de samenleving. Niet alleen zou de Japanse cultuur een centrale plaats krijgen in het dagelijks leven, ook dienden alle Europese invloeden te verdwijnen. Europeanen verloren hun functies aan Japanners of Indonesiërs, en Nederlands spreken was slechts beperkt toegestaan.

De meest ingrijpende maatregel was de isolatie van de Europese en een deel van de Indo-Europese bevolking in internerings- en krijgsgevangenkampen. De opsluiting in afgezonderde complexen moest voorkomen dat Europeanen pogingen zouden doen de macht terug te veroveren. Voor de Europeanen en Indo-Europeanen was de internering een enorme ingreep in hun leven. Maar velen vertrouwden erop dat de maatregelen slechts van korte duur waren en dat geallieerde troepen Nederlands-Indië binnen afzienbare tijd zouden bevrijden.
 

Snelle bevrijding

Ook Overakker ging uit van een snelle bevrijding. Hij instrueerde in de eerste weken na de capitulatie van het KNIL zijn (voormalig) ondergeschikten om zo veel mogelijk voorbereidingen te treffen voor de komst van de geallieerden. Zij moesten informatie verzamelen en de vrouwen en kinderen in de kampen verzorgen. Ook gaf Overakker speciale instructies aan de Indo-Europese militairen in de krijgsgevangenkampen.
 
Overakker ging uit van een snelle bevrijding en instrueerde zijn ondergeschikten om zo veel mogelijk voorbereidingen te treffen voor de komst van de geallieerden
Zoals verwacht werden zij na korte tijd grotendeels vrijgelaten, omdat de Japanse autoriteiten hen als Aziaten beschouwden. Dat bood de Indo-Europeanen de gelegenheid om buiten de kampen een ‘vijfde colonne’ te vormen. Ze moesten werk zoeken bij ondernemingen in de omgeving en zich verenigen wanneer de geallieerden zouden landen op Sumatra. Dan zouden ze de Japanse troepen in de rug aanvallen.

Soortgelijke plannen werden opgesteld door Overakkers collega Vic Gosenson, die territoriaal commandant was van Atjeh. Gosenson was een gerespecteerde vechtjas van Indische afkomst, geboren op Borneo. Hij was getrouwd en had een dochter, Ineke. Hoewel hij als kolonel lager in rang stond dan Overakker, had ook hij een indrukwekkende carrière achter de rug. Gosenson diende in het beruchte Korps Marechaussee en ontving meerdere onderscheidingen voor het bedwingen van opstandige Atjeërs. Hieraan werd hij nog dagelijks herinnerd door een groot litteken op zijn linkerwang van een klewanghouw, die zijn neus, kaak en tong had doorkliefd.
                                                                                                                                                                                                         
 

Gosenson

Gosenson kende Atjeh op zijn duimpje en beheerste de taal. Hij geloofde dat het mogelijk was na de capitulatie een guerrilla te voeren tegen de Japanse bezetter en gaf daarvoor instructies aan zijn ondergeschikten. Gosensons plan voor een guerrilla verschilde van dat van Overakker, die de vijfde colonne pas wilde activeren wanneer de geallieerden te hulp zouden zijn geschoten.

Overakker en Gosenson zouden niet meer meemaken hoe hun plannen ten uitvoer werden gebracht. Na de capitulatie liet de Japanse militaire staf hen overbrengen naar Formosa, het huidige Taiwan. Ze kwamen in een krijgsgevangenkamp, samen met hoge Britse en Amerikaanse officieren, de Special Party genoemd.

Overakker had dit zien aankomen en had daarom het bevel over het noorden van Sumatra overgedragen aan twee reserveofficieren, Klaas ten Velde en Cornelis Woudenberg. Zij waren vanwege hun vakkennis als landbouwkundige en ingenieur door het Japanse bestuur tewerkgesteld buiten de kampen. Dat stelde hen in de gelegenheid contact te onderhouden met andere leden van het verzet.
 
De schriftelijke order van Overakker zorgde niet alleen voor beroering, maar zou ook een belangrijk bewijsstuk vormen voor de Japanse opsporingsdiensten
Overakker stelde de bevelsoverdracht op schrift, om te voorkomen dat de autoriteit van Ten Velde en Woudenberg zou worden betwist. Het was namelijk hoogst ongebruikelijk het bevel over te dragen aan reserveofficieren en hogergeplaatste officieren te passeren. De schriftelijke order zorgde niet alleen voor beroering onder de oud-KNIL-officieren, maar zou later ook een belangrijk bewijsstuk vormen voor de Japanse opsporingsdiensten.
 

Verzet

Ten Velde en Woudenberg hadden dus al een aantal instructies gekregen, maar om werkelijk iets te kunnen ondernemen moesten Overakkers plannen verder worden uitgewerkt. In de eerste maanden na de capitulatie zochten ze naar geschikte personen binnen en buiten de kampen. Behalve militairen sloten zich ook artsen, administrateurs en landbouwkundigen bij de verzetsbeweging aan. Naast Europeanen en Indo-Europeanen voegden zich met name Molukse, Menadonese en Timorese KNIL-militairen bij de groep. Ook enkele Chinezen waren in het netwerk betrokken; zij konden zich zowel binnen als buiten de kampen bewegen.

Deze mensen behoorden tot drie verzetskernen die vrij onafhankelijk van elkaar opereerden in Atjeh, de oostkust van Sumatra en Sumatra’s westkust. Hoewel de leden zo min mogelijk van elkaars betrokkenheid moesten weten, was die vrijwel onmogelijk geheim te houden vanwege de beperkte bewegingsvrijheid en de scherpe Japanse controles.
 
Verzetsgroepen waren moeilijk geheim te houden door de beperkte bewegingsvrijheid en de scherpe Japanse controles
Desondanks valt niet precies vast te stellen wanneer iemand wel of niet bij een bepaalde verzetskern hoorde en waar de drie kernen overlapten. Naar schatting waren er 600 militairen, die als vijfde colonne bij de komst van de geallieerden de wapens op zouden pakken. Nog eens 250 personen waren actief betrokken bij verzetsactiviteiten in het noorden en midden van Sumatra.

Het verzet in Indië was niet te vergelijken met het verzet in Nederland tegen de Duitse bezetter. De internering van de Europese bevolking was daar een van de redenen voor. Er werden wel wapens verzameld, maar van gewapend verzet kwam – behalve in Nieuw-Guinea en Timor – niets terecht. Ook Gosensons plan voor een guerrilla in Atjeh mislukte.
 

Guerrilla

Door een gebrek aan mankracht kon een directe confrontatie met het Japanse leger pas plaatsvinden na een eventuele landing van geallieerde troepen. Om zich daar zo goed mogelijk op voor te bereiden verzamelden verzetsleden wel gegevens over de Japanse troepen en vliegtuigen, bruggen en olie-installaties. Hun voornaamste opdracht was echter uit handen van de Kempeitai te blijven.
 
Door een gebrek aan mankracht kon er geen directe confrontatie met het Japanse leger plaatsvinden, er werden kleinere guerrilla-achtige acties ondernomen
Dat gold bijvoorbeeld voor de verzetsgroep van eerste luitenant Henri van Zanten. Hoewel de activiteiten daarvan vaak als ‘guerrilla’ zijn omschreven, leverde ook deze groep geen strijd. Wel volgde Van Zanten Gosensons instructie op om de Japanse troepen zo lang mogelijk bezig te houden. Tot grote frustratie van de Japanse legerleiding wisten Van Zanten en zijn ongeveer zeventig man zich een jaar lang verborgen te houden door zich voortdurend te verplaatsen in het ruige en dichtbeboste gebied rond Takengon.

De inzet van spionnen en zelfs verkenners op olifanten haalde voor de Japanners niets uit. Van Zantens groep kreeg hulp van onder meer medewerkers van het ziekenhuis in Takengon en een nabijgelegen theeonderneming. Toch haakten er in de loop van de tijd mannen af vanwege ziekte of honger. Uiteindelijk vielen ook Van Zanten en zijn groep ten prooi aan de Kempeitai.
 

Kampen

Sommige verzetsgroepen hielpen de geïnterneerden in de kampen. Die kampen bestonden uit oude legerbarakken, scholen of gebouwen waar voorheen contractarbeiders van plantages waren ondergebracht. De kampen waren een soort kleine woonwijken, waarin de geïnterneerden dicht op elkaar leefden. Aanvankelijk verbleven er complete gezinnen, maar al snel werden mannen en vrouwen in aparte kampen ondergebracht.

Verzetsleden smokkelden berichten, voedingsmiddelen, medicijnen en gebruiksvoorwerpen de kampen binnen. Op allerlei manieren werden de spullen overgebracht: via het riool, door gaten in muren, of via corveeërs en bewakers. Sleutelfiguren bij het smokkelen waren artsen, tandartsen en apothekers die de kampen bezochten en mensen in enige privacy konden behandelen.
 
Verzetsmensen smokkelden van alles de kampen in, op allerlei verschillende manieren

Om het kampleven fysiek te doorstaan was het voor de geïnterneerden belangrijk hoop te blijven koesteren. Ze hadden grote behoefte aan nieuws over het verloop van de oorlog. Er was nauwelijks een illegale pers; wel werd op grote schaal nieuws verspreid via de radio. Hoewel er strenge straffen stonden op het bezit van een radio, waren er in verschillende kampen toestellen aanwezig, waarmee de geïnterneerden stiekem naar bijvoorbeeld de BBC luisterden.
 

Ontvanginstallatie

Een groep technici in een van de kampen bouwde in opdracht van Ten Velde een ontvangstinstallatie. Door op hun werkplaats buiten het kamp onderdelen te verzamelen en deze in hun barak onder tafel in elkaar te knutselen, fabriceerden ze een werkende installatie, die ze inbouwden in de badkamer.

Later bouwden dezelfde technici ook een zendinstallatie, maar ze hebben nooit een reactie gekregen van de geallieerde hoofdkwartieren. Sowieso was het voor de verzetsgroepen in Sumatra lastig om contact te onderhouden met de buitenwereld of zelfs onderling. Met name Indonesiërs werden, omdat ze minder opvielen, ingeschakeld om berichten over langere afstanden over te brengen, maar door de strenge Japanse controles lukte dit maar mondjesmaat.
 
Verzet plegen tegen de Japanners was riskant, hoe meer mensen er bij betrokken raakten hoe groter de kans op verraad was
Verzet plegen tegen de Japanners was riskant. De kans op verraad was groot en nam toe naarmate er meer mensen bij betrokken raakten. Bovendien waren de Japanse opsporingsmethodes uitermate effectief. Het Japanse bestuur beschikte over netwerken van spionnen en informanten onder de burgerbevolking. Volgens Japanse officieren was een lid van de verzetsgroep van Ten Velde overgelopen. Ook zou de Nederlandse hoofdcommissaris van politie in Medan leden van het verzet hebben afgeluisterd en informatie hebben doorgespeeld.
 

Arrestaties

Vanaf januari 1943 werden veel verzetsgroepen in het noorden van Sumatra opgerold. De agressieve verhoormethodes van de Kempeitai leidden tot telkens nieuwe arrestaties. Hoewel vorm en mate van geval tot geval verschilden, waren zowel mentale als fysieke mishandeling aan de orde van de dag.

Veel arrestanten werden geslagen en geschopt. Een andere veel gebruikte methode was het ophangen van een verdachte aan handen en voeten, soms wel urenlang.
Een van de meest beruchte behandelingen was waterboarding. Ook het misleiden van verdachten maakte deel uit van de Japanse tactieken. Door verdachten te confronteren met verklaringen van medestanders of door te bluffen over bewijsmateriaal zetten de Japanners sommigen aan tot bekentenissen. Zo wist de Kempeitai veel informatie te achterhalen.
 
De Japanse inlichtingendienst was ervan overtuigd dat er op Sumatra een groot verzetsnetwerk bestond
De Japanse inlichtingendienst was ervan overtuigd dat er op Sumatra een groot verzetsnetwerk bestond. Dit netwerk werd Sapoe Tangan Merah oftewel ‘De Rode Zakdoek’ genoemd, omdat de leden een rode zakdoek als herkenningsteken zouden gebruiken. De Japanners wisten niet dat het een animistisch gebruik van Molukkers was om een rode zakdoek bij zich te dragen. De inlichtingendienst dacht zelfs dat De Rode Zakdoek in contact stond met verzetsgroepen op Java. Maar hoewel ook daar en in andere gebieden in de archipel verzetsgroepen actief waren, was van uitwisseling amper sprake.

In mei 1943 vond de Kempeitai bij een huiszoeking bij Ten Velde en Woudenberg in kamp Gloegoer de schriftelijke order van Overakker, die was verstopt in het handvat van een aktetas. De Japanners dachten het bewijs te hebben gevonden dat Overakker de spil was van een groot complot. Het briefje bewees volgens hen dat Overakker plannen had om de wapens op te pakken tegen het Japanse leger. Ook Gosenson zou met een eigen groep mensen betrokken zijn bij het verzet.
 

Overakker-complot

Een twintigtal hoofdverdachten uit de kring rond Overakker werd meerdere malen verhoord en soms zwaar mishandeld. De verhoren leidden tot nog meer arrestaties en nieuw bewijsmateriaal. Overakker en Gosenson zelf werden in augustus 1943 van Formosa weer naar Sumatra overgebracht voor nader onderzoek. Tot in het algemeen hoofdkwartier in Tokio waren de Japanse autoriteiten op de hoogte van de onderzoeken naar het ‘Overakker-complot’.

Dat de Japanners zo uitgebreid onderzoek deden was bijzonder. Meestal werden tegenstanders van de Japanse bezetter zonder vorm van proces gestraft. Tot eind 1944 werden op Sumatra meer dan honderd (vermeende) verzetsleden gevonnist. Bijna de helft van hen kreeg de doodstraf.
 
Tot in het algemeen hoofdkwartier in Tokio waren de Japanse autoriteiten op de hoogte van onderzoeken naar het 'Overakker-complot'
 Kennelijk wist de legertop niet goed wat ze met Overakker en Gosenson aan moest, want na het onderzoek werden ze nog een jaar gevangen gehouden in Fort de Kock.
Nadat op het hoogste niveau overleg was gepleegd over de strafmaat, vond uiteindelijk op 9 januari 1945 een officiële rechtszitting plaats. Overakker en Gosenson werden beschuldigd van het aanzetten tot verzetsactiviteiten en spionage. Daarnaast werd Overakker samenzwering ten laste gelegd. De Japanse krijgsraad veroordeelde de twee officieren tot de dood.
 

Plicht als officier

Was er werkelijk sprake van een complot? Overakker en Gosenson hadden hun ondergeschikten opgedragen zich niet geheel neer te leggen bij de Nederlandse capitulatie, maar van een goed georganiseerd verband of een uitgewerkt strijdplan was geen sprake. Ook strekte het Sumatraanse netwerk van verzetsgroepen zich zeker niet uit tot Java.

Evenmin kon Overakker worden beschouwd als de leider van het verzet, omdat hij direct na de capitulatie naar Formosa was overgebracht en met de uitvoering van de plannen niets van doen had. De werkelijke leiders waren Ten Velde en Woudenberg.

Maar omdat Overakker de hoogste bevelhebber was van de bij het verzet betrokken KNIL-militairen, maakte dat hem verantwoordelijk voor hun daden. De Japanse rechters namen het hun vooral kwalijk dat ze hun ondergeschikten hadden blootgesteld aan de zware gevolgen van hun acties.
 
De twee officieren hadden zich in hun lot geschikt. Zo schreef Gosenson dat hij en Overakker hun plicht als officier hadden gedaan
Het vonnis werd direct na de uitspraak voltrokken. Overakker en Gosenson kregen alleen nog gelegenheid een afscheidsbrief te schrijven aan hun families. De twee officieren hadden zich in hun lot geschikt. Want, zo schreef Gosenson aan zijn vrouw, Overakker en hij hadden hun ‘plicht als officier gedaan’.

Afbeelding: Bukittingi (Aldo Samulo, 2009)
 

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.