Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 1/2011

Johannes Gutenberg en de boekdrukkunst

De eerste echte boekdrukker

Door: Rob Hartmans
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Eeuwenlang zochten uitvinders naar manieren om snel teksten te drukken. De geniale Johannes Gutenberg vond de oplossing. Hij combineerde als eerste al bestaande technieken tot een nieuw drukproces. Daarmee stond hij aan de basis van een enorme mediarevolutie.
Rond het jaar 1500 werden tal van ideeën ontwikkeld en ontdekkingen gedaan die de wereld voor altijd zouden veranderen. Copernicus kwam tot de conclusie dat de aarde niet het middelpunt van het universum vormde, Columbus ontdekte de ‘Nieuwe Wereld’, Luther viel de hegemonie van de katholieke kerk aan, Erasmus en andere humanisten lieten zich inspireren door de klassieke Oudheid, en Machiavelli introduceerde een andere, niet-moralistische wijze van denken over politiek.

Toch zouden historische fenomenen als de Reformatie, de Wetenschappelijke Revolutie en de Verlichting zich niet hebben voorgedaan, of niet de impact hebben gehad die ze nu hebben gehad, zonder het werk van één man: Johannes Gutenberg, die rond 1445 de drukpers uitvond. De Duitse Verlichtingsdenker Georg Christoph Lichtenberg had gelijk toen hij stelde dat ‘de wereld sterker was veranderd door het lood in de zetkasten dan door het lood in de kogels’.

Het belang van Gutenbergs uitvinding werd al snel ingezien. Begin 1455 schreef de humanistische geleerde Enea Silvio Piccolomini – op dat moment secretaris van keizer Frederik III, maar drie jaar later gekozen tot paus Pius II – enthousiast over de losse vellen van de Latijnse bijbel die Gutenberg kort daarvoor had voltooid. Dolgraag had hij een volledig exemplaar van deze zorgvuldig uitgevoerde en bijzonder leesbare bijbel aangeschaft, maar alle 180 exemplaren waren op voorhand verkocht.

Piccolomini en andere geestelijken zagen onmiddellijk in dat de drukpers een fantastisch middel was om Gods woord te verspreiden – tot dan toe deed een geoefend kopiist ongeveer drie jaar over het overschrijven van een complete bijbel. Maar ook de verspreiding van ketterij zou hierdoor veel gemakkelijker worden. Zo zou Luther zich driekwart eeuw later heel enthousiast uitlaten over de boekdrukkunst, die volgens hem het belangrijkste middel was ‘waarmee God de zaak van het evangelie voortstuwt. Het is de laatste vlam vóór het uitdoven van de wereld’.
 

Zo'n vijftig jaar na de uitvinding van Gutenberg, bereikte de productie van manuscripten een hoogtepunt

De revolutie die de drukpers teweegbracht, was geen gelijkmatig verlopend proces. In het laatste decennium van de vijftiende eeuw, toen Gutenbergs uitvinding zo’n vijftig jaar oud was, bereikte de productie van manuscripten een hoogtepunt. Niet alleen hadden ze lange tijd meer status, er hing ook een geur van heiligheid omheen – zo ging er een verhaal over het opgegraven lichaam van een kopiist wiens schrijfvingers na jaren nog niet waren vergaan.

Bovendien bood het vervaardigen van handschriften economische voordelen. Voor de boekenmarkt betekende de komst van de drukpers het overschakelen van een vraageconomie – waarin op bestelling werd gewerkt – naar een aanbodeconomie, waarbij drukkers enorme investeringen moesten doen en vervolgens in één klap met honderden exemplaren van hetzelfde boek kwamen. Het duurde enige tijd voordat zich een distributienetwerk had gevormd dat de enorme hoeveelheden boeken aankon, zodat nogal wat drukkers in de problemen kwamen. Deze technologische pioniers waren niet altijd de meest bekwame zakenlieden.

Over Johannes Gutenberg zelf is tamelijk weinig bekend. Hoewel in 2000 zijn zeshonderdste geboortedag werd gevierd, staat geenszins vast dat hij in 1400 is geboren. Afgaande op schaarse gegevens aanschouwde hij ergens tussen 1393 en 1404 het levenslicht in Mainz. Hij was de zoon van de textielhandelaar en patriciër Friedrich Gensfleisch zur Laden, die een tijdlang rekenmeester van de stad was. Vanaf het begin van de veertiende eeuw was de familie eigenaar van een groot pand dat de ‘Hof zum Gutenberg’ heette, waarnaar Johannes zich zou noemen. Over zijn jeugd valt niets met zekerheid te zeggen, behalve dat hij goed Latijn heeft geleerd en beschikte over zowel grote technische als commerciële vaardigheden.

De oudst bekende afbeelding van Gutenberg verscheen honderd jaar na zijn dood in een boek met biografische schetsen van grote Duitsers, geschreven door de Baselse arts Henricus Pantaleon. Maar het portret dat bij het artikel over Gutenberg stond afgedrukt werd ook gebruikt voor verschillende andere biografieën in dit boek. Ook de bekende kopergravure van André Thevet uit 1584, die meestal wordt gebruikt om artikelen of boeken over Gutenberg te illustreren, is vrijwel zeker geen portret van de uitvinder van de boekdrukkunst. Het voorwerp in zijn linkerhand wijst eerder op een stempelsnijder dan op een drukker, en bovendien is zowel baard als kleding atypisch voor een vertegenwoordiger van het Mainzer patriciaat.

Vast staat wel dat de jeugd van Gutenberg door externe omstandigheden niet altijd even rustig verliep. De patriciërs van Mainz lagen begin vijftiende eeuw dikwijls overhoop met de gilden van de stad, met als inzet het privilege van de eerste groep om geen belasting en tolgelden te hoeven betalen.

Verschillende keren leidde dit ertoe dat de meeste patriciërs tijdelijk de stad verlieten, en ook de jonge Gutenberg heeft dit waarschijnlijk verschillende malen meegemaakt. Uit een oorkonde uit 1430 wordt duidelijk dat een aantal mensen dat twee jaar daarvoor uit de stad verbannen werd, weer terug mocht keren. Onder hen bevond zich Johannes – of Henchen, zoals hij in Mainz werd genoemd – ‘zu Gudenberg’. Deze voelde hier blijkbaar niet veel voor, en bleef voorlopig in Straatsburg wonen en werken.

Ook over deze periode zijn de gegevens schaars, al weten we wel dat er tegen Gutenberg een klacht werd ingediend door een dame die beweerde dat hij zijn belofte om met haar te trouwen niet wilde nakomen. Dat hij vermoedelijk was opgeleid tot goudsmid, wordt afgeleid uit een document uit 1439 waarin wordt vermeld dat hij een inwoner van Straatsburg het ‘polijsten en slijpen van edelstenen’ had geleerd.
 

Zeker is ook dat Gutenberg in deze periode met enkele geldschieters de grootschalige productie van pelgrimstekens opzette. In 1439 zou een grote bedevaart naar Aken worden georganiseerd. Duizenden pelgrims zouden de eer bewijzen aan enkele belangrijke relieken, zoals de lendendoek van Christus en de doek waarmee het bloed van de onthoofde Johannes de Doper was opgevangen.

Uit een legering van lood en tin werden enkele tienduizenden pelgrimstekens gegoten, die vaak werden voorzien van een spiegeltje. Het was een forse investering, die de vennoten behoorlijk in de problemen bracht toen bleek dat de bedevaart een jaar werd uitgesteld. Gutenberg en zijn zakenpartners zouden in deze jaren ook nog andere activiteiten hebben ondernomen, die vermoedelijk bestonden uit het vervaardigen van de noodzakelijke apparatuur voor het drukken van teksten.

Regelmatig wordt beweerd dat Gutenberg niet de uitvinder van de boekdrukkunst was (zie ook het kader) en dat is ten dele waar. Al in de zevende en achtste eeuw werden in China en Korea met behulp van houtsneden confucianistische en boeddhistische teksten vermenigvuldigd. Hierbij werd de afdruk gemaakt door papier op het houtblok te leggen en stevig over het blad te wrijven. Deze druktechniek verspreidde zich en bereikte omstreeks de elfde eeuw Bagdad en Cairo.

In de dertiende eeuw werd in het door de Mongolen overheerste Tabriz (in het noordwesten van het huidige Iran) papiergeld gedrukt met Chinese tekens. Twee eeuwen later werden in Midden-Europa enkele exemplaren hiervan aangetroffen. Vermoedelijk heeft de Mongoolse opmars ook tot gevolg gehad dat er in Europa gedrukte speelkaarten circuleerden en dat de techniek van de houtsnede hier zijn intrede deed. In het begin van de vijftiende eeuw werd deze techniek gebruikt om speelkaarten en afbeeldingen van heiligen te produceren, terwijl al spoedig ook kleine teksten werden gedrukt.

Er verschenen zelfs zogenoemde ‘blokboeken’, waarbij elke bladzijde bestond uit een afzonderlijke houtsnede. Dit was een tamelijk arbeidsintensief procedé, dat als nadeel had dat bij eventuele correcties de hele pagina opnieuw uitgesneden moest worden. Deze techniek was niet geschikt voor omvangrijke teksten.

Ondertussen werd in China al vanaf de elfde eeuw met aparte stempels gewerkt om houtsneden in te kleuren, en was in Korea vanaf de veertiende eeuw geëxperimenteerd met losse metalen stempels met schrifttekens. Omdat er echter in totaal zo’n 10.000 van die tekens waren, was het drukken van teksten met deze stempels vrijwel onbegonnen werk. Hierin kwam verandering toen koning Sejong het Hangul-alfabet invoerde, zodat de tekens die hele of gedeeltelijke woorden voorstelden werden vervangen door een beperkt aantal letters.

Dit gebeurde echter pas rond het jaar 1444, toen ook Gutenberg al experimenteerde met het drukken met losse letters. Gutenberg was waarschijnlijk niet de enige die zocht naar een methode om sneller en goedkoper boeken te kunnen vervaardigen. In 1444 deed in Avignon het verhaal de ronde dat de Praagse goudsmid Procopius Waldvogel de uitvinder was van de ars scribendi artificialiter, ofwel het ‘kunstmatig schrijven’, wat naar alle waarschijnlijk toch niet veel meer is geweest dan een vorm van stempelen.

Het geniale van Gutenberg was dat hij een aantal reeds bestaande technieken combineerde tot een volstrekt nieuw productieproces. Hij kwam op het idee om met losse letters en vulmateriaal een hele bladzijde samen te stellen, en deze af te drukken met een pers die sinds ongeveer een eeuw werd gebruikt voor het vervaardigen van papier. Daarvoor waren wel enkele aanpassingen nodig om het zetsel op z’n plaats te houden.

Voor hij kon gaan drukken moest Gutenberg ook nog andere technische problemen oplossen. Hij zocht lang naar de juiste loodlegering, zodat de letters eenvoudig te gieten waren en niet te snel zouden slijten. Bovendien vond hij pas na uitvoerig experimenteren de inkt die geschikt was voor dit drukprocedé. Het gieten van letters was overigens niet nieuw; in Straatsburg waren veel klokkengieterijen die hun producten decoreerden met korte teksten. Ook boekbanden werden in deze jaren soms al voorzien van titels die er met stempels in werden gedrukt.

De Bijbel

Aanvankelijk zou Gutenberg, die sinds 1448 weer in Mainz woonde, vooral kleine teksten, bij voorkeur op één vel, hebben gedrukt. Naar alle waarschijnlijkheid waren dit aflaatbrieven, waarmee de gelovigen hun zonden konden afkopen, en ander gebruiksdrukwerk ten behoeve van de kerkelijke en wereldlijke overheid. In de loop van de jaren vijftig kwamen daar onder meer een beknopte Latijnse grammatica bij, astronomische tabellen en een kalender waarin opgeroepen werd tot de strijd tegen de Turken.

Met geld van zijn zakenpartner Johannes Fust, die hem tweemaal 800 gulden leende (in een tijd dat in Mainz een groot huis 500 gulden kostte), en enkele andere investeerders begon Gutenberg rond 1450 aan een megaproject: het drukken van de volledige Bijbel in het Latijn. De productie van dit kolossale boek, dat 1282 pagina’s telde, duurde enkele jaren.

Alleen al het gieten van de ongeveer 60.000 letters en tekens kostte een half jaar, terwijl zes zetters daarna bijna twee jaar bezig waren met het gereedmaken van de tekst, waarna twaalf drukkers gedurende anderhalf jaar op zes persen de bladzijden drukten. In totaal werden ongeveer 180 complete exemplaren gedrukt, 40 op perkament en 140 op papier, die respectievelijk 50 en 20 gulden per stuk kostten.

Gutenberg en zijn medewerkers leverden een prachtig product af. Wie een Gutenberg-bijbel, met op elke bladzijde 42 regels, vergelijkt met manuscripten uit diezelfde tijd, ziet dat de tekst van het gedrukte exemplaar er veel strakker en regelmatiger uitziet. Ook staan er inhoudelijk bijzonder weinig fouten in.
 

De ongeveer vijftig bewaarde Gutenberg-bijbels zien er allemaal anders uit

De eigenlijke tekst is in het zwart afgedrukt; de hoofdstuktitels en aandachtstekens zijn met de hand in het rood aangebracht, en de initialen en overige versieringen zijn verzorgd door professionele illuminatoren. De ongeveer vijftig bewaard gebleven Gutenberg-bijbels zien er daardoor er allemaal anders uit.

Kort na de voltooiing van dit grote karwei spande Johannes Fust een proces tegen Gutenberg aan, omdat deze de tweede lening niet zou hebben gebruikt voor het drukken van de Bijbel, maar voor allerlei andere projecten. Fust wilde de samenwerking met Gutenberg toch al opzeggen, en gebruikte deze vordering om een breuk te forceren. In de literatuur wordt van dit proces vaak een drama gemaakt. Gutenberg zou zijn drukkerij zijn kwijtgeraakt aan Fust, failliet zijn verklaard en uiteindelijk in armoede zijn gestorven.

Hoewel het proces hem tijdelijk wel in financiële moeilijkheden schijnt te hebben gebracht, heeft Gutenberg het niet zonder meer verloren en is er geen bewijs dat hij de drukkerij met alle toebehoren aan Fust moest overdragen. In de ruim tien jaar tot aan zijn dood, in 1468, heeft hij nog als drukker gewerkt en schijnt hij in zakelijk opzicht redelijk succesvol te zijn geweest.

Wel had Gutenberg er een geduchte concurrent bij, aangezien Fust samen met zijn meesterknecht Peter Schöffer een eigen drukkerij begon, die al spoedig boeken produceerde die technisch geavanceerder waren dan die van Gutenberg. Reeds in 1457 kwamen zij met het zogenoemde Psalterium Moguntinum, waarvan de rode letters en in rood en blauw uitgevoerde initialen eveneens gedrukt waren, terwijl die bij Gutenberg nog met de hand ingetekend moesten worden. Enkele jaren later werd dit typografische hoogstandje gevolgd door een schitterende bijbel, die met een kleiner lettertype niet zozeer voor de kerkdiensten als wel voor privégebruik was bedoeld.

Na deze eerste concurrent volgden er spoedig meer, en nog voor het overlijden van Gutenberg waren er drukkers actief in onder meer Straatsburg, Keulen, Augsburg, Basel en Rome. In de tien jaar erna, dus tot 1478, verbreidde de boekdrukkunst zich naar onder meer Frankrijk, Polen, Spanje, Engeland en de Lage Landen.

Vóór het jaar 1500 werden ongeveer 30.000 verschillende edities geproduceerd. Deze vijftiende-eeuwse boeken – die incunabelen of wiegendrukken worden genoemd – verschenen in oplagen van gemiddeld driehonderd exemplaren. Zodoende moeten in de vijftig jaar na Gutenbergs uitvinding reeds zo’n 9 miljoen boeken zijn gedrukt. Dit was de grootse ‘mediarevolutie’ vóór de komst van internet, en de gevolgen ervan zouden immens zijn.
 

Gutenberg of Coster?

Reeds in de vijftiende eeuw ging het verhaal dat de boekdrukkunst was uitgevonden in Haarlem, wat in de fameuze Keulse kroniek uit 1499 een ‘evidente leugen’ werd genoemd. De Nederlandse humanist Adriaan de Jongh (1511-1575), die publiceerde onder de auteursnaam Hadrianus Junius, was in zijn postuum verschenen Batavia (1588) de eerste die Laurens Janszoon Coster noemde als degene die rond 1430 te Haarlem de boekdrukkunst uitvond.

Een van zijn knechten, een Duitser genaamd Johannes, zou met deze kennis naar zijn vaderland zijn teruggekeerd en daar hebben gedaan alsof hij het procedé zelf had bedacht. In sommige verhalen wordt vermeld dat deze Johannes niemand anders was dan Gutenberg.

Volgens andere berichten ging het om Johannes Fust, die ook wel ‘Faust’ werd genoemd. In het in 1808 gepubliceerde toneelstuk Laurens Koster van Adriaan Loosjes werkte zowel Gutenberg als ‘Faust’ in Costers drukkerij, en werden zij afgeschilderd als ‘flemende, kruipende en ondeugende vreemdelingen’.

De historicus en theoloog Antonius van der Linde (1833-1897) publiceerde in 1869-1870 een reeks artikelen in De Nederlandsche Spectator, waarin hij de Coster-mythe ontkrachtte en stelde dat Gutenberg de echte uitvinder van de boekdrukkunst was. Hij haalde zich daarmee zoveel woede en hoon op de hals dat hij daarom naar Duitsland moest verhuizen.

Voor de claim dat Coster het boekdrukken heeft uitgevonden bestaat geen enkel bewijs. Later onderzoek heeft aangetoond dat de schaarse vroege drukken uit Haarlem die aan Coster werden toegeschreven niet vóór 1471 zijn vervaardigd.
 

Verder lezen

De beste biografie van Gutenberg is die van Albert Kapr, Johannes Gutenberg. Persönlichkeit und Leistung (1986), in het Engels vertaald als Johannes Gutenberg. The Man and His Invention (1996). Een handzaam overzicht wordt geboden door Stephan Füssel, Gutenberg und seine Wirkung (1999), dat is vertaald als Gutenberg and the Impact of Printing (2005). Een ingekorte versie verscheen als Johannes Gutenberg in Selbstzeugnissen und Bilddokumenten (1999).

Veel misverstanden en legendes over het proces dat Fust tegen Gutenberg aanspande worden uit de weg geruimd in Hans-Michael Empell, Gutenberg vor Gericht. Der Mainzer Prozess um die erste gedruckte Bibel (2008).
Voor de immense invloed die Gutenbergs uitvinding uitoefende, zie Elizabeth Eisenstein, The Printing Revolution in Early Modern Europe (1983) en Andrew Pettegree, The Book in the Renaissance (2010).