Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 7/2010

Strijd om het celibaat

Celibaat en concubinaat in de rooms-katholieke kerk

Door: Afke van der Toolen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Meer dan duizend jaar na de allereerste paus, die gewoon getrouwd was, stelde de rooms-katholieke kerk het celibaat voor priesters verplicht. Daarmee kwam een einde aan een eeuwenlange strijd. Tenminste in theorie. In de praktijk bleef het ‘concubinaat’ nog lang bestaan.
Mainz anno 1075. Het is een tumult van jewelste op de rooms-katholieke synode die onder voorzitterschap van aartsbisschop Siegfried plaatsvindt. Er wordt geschreeuwd en met vuisten geschud, en een aantal bisschoppen verlaat op hoge poten de conferentie. Sommige dreigen zelfs de aartsbisschop met geweld van zijn bisschopszetel te sleuren en ter dood te brengen. Volgens een ooggetuige is het hun bedoeling om Siegfrieds opvolgers te waarschuwen dat ze niet ‘eenzelfde gruwel’ moeten begaan als hij.
 

Een strikt celibatair leven

Welke misdaad had aartsbisschop Siegfried gepleegd om een dergelijke heftige reactie teweeg te brengen? Niet meer dan het voorlezen van een pauselijke brief. De explosieve inhoud was deze: paus Gregorius VII (1021-1085) eiste van alle priesters en diakenen, clerici van een lagere wijding, een strikt celibatair leven, een bestaan zonder enige beoefening van seks. Hij maakte alleen een uitzondering voor degenen die al legitiem getrouwd waren. Wie werd betrapt, zou zwaar worden bestraft.

Aartsbisschop Siegfried wist uiteindelijk zijn vege lijf te redden door te beloven dat hij zou proberen de paus op andere gedachten te brengen. Maar niet alleen in Mainz kreeg de celibaatsbrief een roerig onthaal, zoals blijkt uit diverse schriftelijke getuigenissen. Bisschop Altmann van de Beierse stad Passau las het epistel voor tijdens een religieuze festiviteit. De inhoud deed de aanwezige priesters in zo’n grote woede ontvlammen dat ze de bisschop ‘ter plekke in stukken zouden hebben gereten’ als de wereldlijke autoriteiten niet hadden ingegrepen. Bij de Fransen ging het al net zo. Op een synode in Parijs werd een abt fysiek door priesters aangevallen toen hij waagde te zeggen dat hij het eens was met de voorschriften van de paus. Volgens de aanvallers waren die juist ‘ondraaglijk’.
 

Paus Gregorius VII eiste van alle priesters en diakenen een strikt celibatair leven

Vreedzamer, maar misschien wel des te sprekender, was de reactie van de aartsdeken, een soort vicebisschop, van het Normandische Coutances. Omringd door vrouw en kinderen protesteerde hij met klem tegen de pauselijke brief, die was voorgelezen door de monnik Bernard van Trion. De aartsdeken vroeg luidop waar deze Bernard, een monnik toch en dus voor de wereld gestorven, het lef vandaan had om de levenden de wet voor te schrijven.

Let wel: paus Gregorius zelf was ook uit een klooster afkomstig. Het was dus een gewaagde uitspraak van de aartsdeken. Het was bovendien een bijzonder puntige samenvatting van de controverse rond het priesterlijke celibaat. Waarom zouden clerici die zich niet hadden teruggetrokken van de wereld, maar hun werk deden te midden van de mensen, niet mogen trouwen, geen seks mogen hebben, geen kinderen mogen krijgen?
 

Eeuwenlange strijd

Voor de duidelijkheid: de celibaatsverplichting voor rooms-katholieke clerici bestond in de elfde eeuw nog niet. Wel woedde al eeuwenlang een strijd om dit punt. Het priesterlijk celibaat waarover nu zoveel te doen is, is geen onderdeel van de rooms-katholieke geloofsleer. Het is een na veel interne strijd tot stand gekomen disciplinaire regel, waarbij kerkpolitieke belangen een grote rol speelden.

De vraag is: waar kwam die strenge celibaatseis oorspronkelijk vandaan? En als het in religieus opzicht een vanzelfsprekende eis zou zijn, waarom duurde het dan meer dan elfhonderd jaar voor de verplichting er kwam?
 

Waar kwam die strenge celibaatseis oorspronkelijk vandaan?

Verder terug in de tijd, de vierde eeuw na Christus. Bisschop Augustinus van Hippo zit te schrijven aan zijn Confessiones (‘Bekentenissen’) zonder te bevroeden dat hij later als een van de grootste kerkvaders van het christendom zal worden gezien. Augustinus (354-430) beschouwt zichzelf juist als een grote zondaar. Hij schrijft over ‘het vuil’ waarin hij zich ‘had gewenteld’. En dan gaat het vooral over seks. Daar heeft hij nogal veel aan gedaan, met vrouwen, met jongens ook. En dat vindt hij verschrikkelijk slecht. Het punt is: hij kon er maar niet mee ophouden. ‘Geef mij kuisheid,’ smeekte hij in die wilde tijd, om er in één adem op te laten volgen: ‘maar nu nog niet.’

 
Misschien dat die schriftelijke worsteling met zijn zonden een retorische aandikking was. Dat Augustinus er zijn uiteindelijke overwinning des te glanzender mee maakte. Maar dan nog belichaamt hij met zijn fanatieke kuisheidsdrang een tendens die in het vroege christendom prominent aanwezig was.
 

Vroege christenen

Het was een drang die niet voortkwam uit de lessen van Jezus van Nazareth, maar uit het neoplatonisme, een populaire, niet-christelijke denkrichting die een strikte scheiding tussen lichaam en geest leerde. Al het lichamelijke was daarbij verderfelijk, al het geestelijke nastrevenswaardig. Het gevolg was een dwingend ascetisme, met de zichzelf verstervende stylieten oftewel pilaarheiligen als extreemste voorbeeld.
 

In die prille dagen van het christendom was kuisheid een vrije keuze, geen van bovenaf opgelegde plicht

Augustinus was niet de enige neoplatoonse kerkvader die een probleem met seks had. Een grootheid als Origenes (ca. 185-254) ging hem voor: het verhaal gaat dat hij kuisheid bereikte door zichzelf te castreren. Het was een opmerkelijke tendens. Jezus was volgens de meeste schriftelijke overleveringen zelf wel een sober mens geweest, maar het celibaat had hij van niemand gevraagd. Zijn apostel Petrus, die de allereerste paus werd, was gewoon getrouwd. Nergens in de apostolische werken wordt van absolute kuisheid gerept. En kerkmaker Paulus, de invloedrijkste christen na de apostolische tijd? Die wenste wel dat allen ongetrouwd zouden blijven, maar dat deed hij vanuit de vrij praktische gedachte dat ze zich dan geheel aan de verkondiging van de leer konden wijden. Eisen deed hij het van niemand.

In die prille dagen van het christendom was kuisheid een vrije keuze, geen van bovenaf opgelegde plicht. Er was trouwens nog nauwelijks een ‘bovenaf’. Maar langzamerhand kwam er een aparte priesterkaste op, die zich het exclusieve recht voorbehield om cultische handelingen te verrichten. Het oudtestamentische idee dat priesters tijdens zulke handelingen rein moesten zijn herleefde.

En toen het zover kwam dat priesters dagelijks de mis opdroegen, was de gedachte niet ver meer dat ze dan ook maar altijd rein moesten zijn - een gedachte die ook nog eens naadloos paste bij die van oorspong heidense afwijzing van al het lichamelijke. Zo kon het gebeuren dat op een vierde-eeuwse Spaanse synode de clerici voor het eerst werden opgeroepen om niet met vrouwen te verkeren, en geen kinderen voort te brengen.
 

Tegenstanders tegen kuisheid

Maar de weerstand tegen een verplicht ambtelijk celibaat kan bogen op net zo’n oude en eerbiedwaardige traditie als de roep erom. De vierde-eeuwse christelijke denker Helvidius, die betoogde dat Maria geen maagd was geweest voor de geboorte van Jezus, schatte het huwelijkse leven hoger dan de kuisheid. Zijn tijdgenoot Jovinianus, ooit monnik geweest, keerde zich tegen het ascetische ideaal en schreef dat ‘het engel-gelijke leven niet werd geëist, hooguit aanbevolen’.
 

Het Concilie van Nicea was de allereerste vergadering van christelijke ambtsdragers

Een andere gerenommeerde tegenstander uit diezelfde tijd was Paphnutius van Thebe, later net als Augustinus heilig verklaard. Hij zou eigenhandig hebben tegengehouden dat het Concilie van Nicea een celibaatswetje aannam. Dit concilie vond plaats in 325 en was de allereerste algemene vergadering van christelijke ambtsdragers. De vergadering was bijeengeroepen door de bekeerde keizer Constantijn de Grote, die na zijn bekering het christendom stimuleerde en voortrok waar hij kon.
 

Nicea

‘Nicea’ zou een klinkend begrip worden in de kerkgeschiedenis, omdat de aanwezigen er een aantal leerstellingen formuleerden die de grondslag werden van de christelijk geloofsleer, zoals de drie-enigheid van God en de goddelijke status van Jezus van Nazareth. Te midden van al dat dogmatische geweld stond ook de toch wat minder gewichtige kwestie van het celibaat op de agenda. Veel leden van de clerus waren al getrouwd voordat ze toetraden en het prikkelende discussiestuk was nu of zij hun vrouwen dienden te verstoten. Over dit debat bestaat een verhaal, door de wat later geboren kerkhistoricus Sokrates Scholastikos opgetekend in zijn Ekklesiastike historia (‘Kerkgeschiedenis’).

Scholastikos schrijft: ‘Uit het midden van de aanwezige bisschoppen verhief zich Paphnutius, en hij sprak met heldere stem: “Verzwaar het juk van de kerkelijke dienaren toch niet zo. Want het huwelijk is eervol voor iedereen en geheel smetteloos. [...] Niet iedereen kan een leven leiden zonder enige gevoelens. Ik geloof dat niemand voor de liefde behouden blijft, als mannen van hun echtgenotes worden beroofd. Het samenleven van een man met zijn vrouw ís al een voortreffelijke onthouding.”’
 

De uitkomst van het debat was dat de bisschoppen het celibaatvraagstuk overlieten aan ieders goeddunken

Tegenwoordige kerkhistorici denken dat dit een apocrief citaat is. Dat wil niet zeggen dat het betekenisloos is. Paphnutius van Thebe was niet de minste: hij was om zijn geloof vervolgd geweest en zelfs gemarteld, en keizer Constantijn zelf had hem grote eer bewezen. Een christenheld dus, die probleemloos kon dienen als verpersoonlijking van de tegenstroming.
 

De Paphnutius-benadering, uit welke mond of monden die ook geklonken heeft, overtuigde de aanwezigen. De verplichting kwam er niet. De uitkomst van het debat was dat de bisschoppen het celibaatvraagstuk overlieten aan ieders goeddunken. Getrouwde priesters mochten ongestraft getrouwd blijven. Eunuchen in de traditie van Origenes daarentegen werden van de kerkelijke ambten uitgesloten.

 

Verzet bleef bestaan

De pro-celibatairen hadden het eerste grote gevecht verloren. Dat betekende niet dat de geest van Augustinus en de zijnen was uitgedoofd. Telkens weer riepen synodes de clerici op om kuis te leven. Maar het verzet bleef. En in de praktijk was het te moeilijk om mannen voor de kerkdienst te ronselen als daar een seksloos bestaan tegenover stond.
 

In de Middeleeuwen was het dan ook realiteit dat veel priesters, zelfs bisschoppen, gewoon getrouwd waren en dat ongehinderd konden blijven

Daarbij kwam dat nieuw gekerstende stammen als de Franken en de Saksen op z’n zachtst gezegd weinig affiniteit hadden met geestelijke zelfcastratie. In de Middeleeuwen was het dan ook realiteit dat veel priesters, zelfs bisschoppen, gewoon getrouwd waren en dat ongehinderd konden blijven. Het zuiverheidsideaal was stukgelopen op de rommelige werkelijkheid.

Pas toen die werkelijkheid veranderde ten nadele van de kerk, ontstond er weer een momentum voor de pro-celibatairen. In de loop van de Middeleeuwen was het kerkelijk ambt een zeer gewilde carrièremogelijkheid geworden. Het kerkelijk vermogen was enorm aangegroeid, ook omdat er geen belasting over hoefde te worden betaald. Met de ambten was macht gemoeid en zeer lucratief beheer van kerkelijk bezit. Rond de tijd dat het eerste christelijke millennium overging in het tweede werden veel mannen priester. Niet uit roeping, maar om zichzelf en hun kinderen vooruit te helpen. Ze waren vaak loyaler aan de dynastie dan aan de kerk.

Vele priestervaders loodsten hun kinderen als hun erfopvolgers het kerkelijk ambt binnen. Zo ontstonden hele dynastieën die het kerkelijk bezit generatie op generatie in de familie hielden en opmaakten. Bovendien raakte het bezit versnipperd doordat ook de kinderen die niet tot de kerk toetraden hun aandeel in de erfenis kregen. Een seksloos priesterschap was bijna een contradictio in terminis geworden.
 

De pausen

En pauselijk Rome? Daar leek men zijn best te doen om de decadente excessen van de antieke keizertijd te benaderen. Niet alleen op het gebied van macht en rijkdom, maar ook seksueel. De oude Paphnutius zou paf hebben gestaan van de levenswandel van bijvoorbeeld paus Johannes XII. Die wipte niet alleen van het ene minnaressenbed naar het andere, hij deed het ook met jongetjes. Een tienjarig ventje dat hem seksueel van dienst was geweest, wijdde hij als dank tot bisschop. Na acht jaar pausschap van twijfelachtig allooi (955-963) vond hij zijn einde in het bed van een van zijn minnaressen: haar man kwam onverwachts thuis en sloeg hem naar verluidt met een kachelpook de schedel in.
 

Johannes XII was niet de enige paus die zich zo misdroeg

Johannes XII was lang niet de enige paus die zich zo misdroeg. Maar er kwam een tegenbeweging. De excessief feestende en beestende pausen werden afgewisseld door juist bijzonder preutse hervormingspausen, vaak afkomstig uit het klooster. Zij zetten het celibaat weer op de agenda. Maar lang niet alleen om religieuze redenen.
 

Winnende motief

Een van die monnikenpausen, Benedictus VIII, opende in 1022 de Synode van Pavia met een uitgebreid pleidooi voor het celibaat. Opvallend genoeg woog de teloorgang van spirituele waarden in zijn ogen minder zwaar dan de verkwanseling van de meer aardse schatten van de kerk. De priesters die weigerden celibatair te leven kregen er van hem flink van langs. Dat waren ‘ontaarde vaders’, die voor hun ‘net zo ontaarde kinderen’ steeds meer goederen en erfdelen en ander kerkelijk bezit wegsluisden. Hij was de eerste die repte van sancties tegen die kinderen.

En daarmee hadden pro-celibatairen eindelijk hun winnende motief. De belangen van de kerk en haar dienaren waren lijnrecht tegenover elkaar komen te staan, met het priesterhuwelijk als pièce de resistance. De Paphnutius-achtigen zouden het verliezen.
 

De rooms-katholieke kerk moest een waarlijk onafhankelijke grootheid worden, ook in financieel opzicht

Voor nuance was in deze extreme tijden geen plaats. Er was tegelijk een reusachtige machtsstrijd gaande tussen keizers en pausen. De hervormingspausen wilden de kerk losmaken uit de verknoping met de wereldlijke macht. Dat betekende ook de onafhankelijkheid van priesters ten opzichte van de dynastieke belangen van hun nakomelingen. De rooms-katholieke kerk moest een waarlijk onafhankelijke grootheid worden, ook in financieel opzicht. Ze moest daarom worden verkloosterd.
 

Gregorius VII

Gregorius VII, de paus van de zo stormachtig ontvangen brief, was een van die grote kerkhervormers. Dit was de man die de Duitse keizer Hendrik IV zover kreeg om zijn beroemde gang naar Canossa (1077) te maken, waarmee de keizer het recht opgaf om zich te bemoeien met de benoeming van bisschoppen en abten.
 

Ongemeen fel bleek het verzet tegen Gregorius’ strenge kuisheidseis

Maar de clerus zelf bleek moeilijker te temmen dan de wereldlijke macht. Ongemeen fel bleek het verzet tegen Gregorius’ strenge kuisheidseis. Al kreeg Gregorius een celibaatswet nog niet voor elkaar, hij plaveide wel de weg met een ware kruistocht tegen getrouwde priesters, en ook tegen hun zonen. Die mochten van hem best ook priester worden, maar alleen als ze monnik werden. Zo bouwde hij aan een nieuw rechtsbewustzijn over de onverenigbaarheid van huwelijk en priesterschap.



Dat zijn navolgers niet vies waren van een leugenachtig middel om hun doel te bereiken, blijkt uit de notulen van het Eerste Lateraanse Concilie in 1123. Dit concilie sprak zich uit tegen het samenleven van priesters met hun legitieme echtgenotes, waarbij het zich beriep op het Concilie van Nicea. Het feit dat Nicea zich juist níét tegen het priesterhuwelijk had uitgesproken werd voor het gemak verdonkeremaand.
 

Tweede Lateraanse Concilie

In 1139 was het dan echt zover. Het Tweede Lateraanse Concilie besloot tot een celibaatsverplichting. Dit was geen theologisch leerstuk, maar een disciplinaire regel. Gehuwde priesters verloren hun ambt en beneficie, hun kinderen de mogelijkheid hen op te volgen. Het priesterhuwelijk veranderde van een wijdverbreid geaccepteerd verschijnsel in een kerkrechtelijk vergrijp. Dat gold ook voor het ongehuwd samenleven van priesters met vrouwen, oftewel het concubinaat.
 

Het Tweede Lateraanse Concilie besloot tot een celibaatsverplichting

Noord-Brabant, vijftiende eeuw. Henricus van Oerle, pastoor van Gemonde, onderhoudt langdurige seksuele betrekkingen met de getrouwde Bela, de dochter van Dirk Handschoenmaker. Vicaris Johannes de Hoeps heeft vaste verkering met een non uit het klooster Hooidonk en maakt haar zwanger. Beide clerici krijgen slechts een boete.
 

Laverend tussen kerk en wereld

Uit het proefschrift Laverend tussen kerk en wereld (1993) van Arnoud-Jan van Bijsterveld blijkt dat in het midden van de vijftiende eeuw eenderde van de Brabantse clerici zich niet aan het celibaat hield - degenen die niet werden beboet niet meegeteld. Ruim 80 procent van de bisdommelijke boetelijsten uit die tijd betrof incontinentia, onkuisheid. Vele clerici werden jaren achtereen beboet.

De meesten van hen onderhielden langdurige, quasihuwelijkse relaties met een vrouw met wie ze samenwoonden. In de boeteregisters werden die vrouwen aangeduid als de famula of ancilla, de huishoudster, of als sua, zijn partner, en een enkele keer concubina of focaria, ‘haardgenote’. Het was niet alleen voor de wereld een breed geaccepteerd verschijnsel. Ook de kerkelijke autoriteiten hadden er minder problemen mee dan met kortstondige en wisselende seksuele contacten. Ondanks de celibaatsverplichting was er voor de vele onvolmaakten een ontsnappingsroute gevonden. Je zou kunnen zeggen dat de oplossing de geest van Paphnutius benaderde.
 

Ondanks de celibaatsverplichting was er voor de vele onvolmaakten een ontsnappingsroute gevonden

Van Bijsterveld concludeert in zijn proefschrift, dat geschreven werd lang voor de huidige verhalen over kindermisbruik: ‘Het kan niet anders dan dat ook de kerkelijke autoriteiten in het bisdom Luik zich vooral richtten op het vermijden van het openlijk schandaal en pas in de tweede plaats op het indammen van klerikale onkuisheid.’

Pas na de Reformatie, met de opkomst van een kerkelijke concurrent die luidkeels spotte met zulke openlijke breuken tussen theorie en praktijk, begon de kerk ook het concubinaat aan te pakken. Pas toen verkloosterde de kerk definitief.
Althans, dat wilde ze graag doen geloven.
 

Meer weten?


Boeken
Een goed Nederlandstalig boek over de historie van het rooms-katholieke celibaat is er niet. Voor wie echt de diepte in wil is Die Geschichte des Zölibats van kerkhistoricus Georg Denzler (1993) aan te raden. In het Nederlands vertaald is het breder uitwaaierende, lezenswaardige boek van Uta Ranke-Heinemann Eunuchen voor het hemelrijk. De rooms-katholieke kerk en seksualiteit (1990). De Confessiones van Aurelius Augustinus is door Gerard Wijdeveld vertaald als Belijdenissen (Ambo 2007).

Journalist Gerard van Westerloo publiceerde eerder in 2010 De pater en het meisje, over een priester die seksspelletjes deed met jonge tienermeisjes. Heel verhelderend voor wie zich afvraagt hoe een priester zulk gedrag zonder veel moeite voor zichzelf kan verantwoorden.

Internet
Verdedigers van het celibaat zijn er ook nog. Op YouTube (zoekterm ‘Celibacy Vocations Awareness’) is een rooms-katholiek reclamespotje te zien over het celibaat.