Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 6/2010

Onafhankelijk persmuskiet

Willem Oltmans (1925-2004)

Door: Paul van der Steen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In bijna alles was Willem Oltmans (1925-2004) het tegendeel van de gemiddelde Nederlandse journalist. Zijn verschijning, zijn onderwerpkeuzes en het rumoer dat hij veroorzaakte weken af van de brave norm.

Van de vele geruchtmakende televisieoptredens van Willem Oltmans geldt het interview bij Adriaan van Dis misschien wel als de grootste klassieker. Alleen al het begin is magistraal. Na een aankondiging van de presentator paradeert de journalist uit de coulissen. ‘Nathan Sid,’ sist hij ter begroeting, verwijzend naar de kort daarvoor verschenen autobiografische novelle over de jeugd van zijn gastheer. Die is duidelijk not amused: ‘Van Dis is de naam.’ 1-0 voor Oltmans, die duidelijk geamuseerd door zijn grap zijn tanden bloot lacht.

Wat wilde de gast drinken? Niks, zegt de journalist. Hij heeft achter de schermen al het een en ander tot zich genomen. Het traditionele ‘Water of wijn?’ aan het begin van elk vraaggesprek in Hier is… Adriaan van Dis wordt hierdoor wreed verstoord. 2-0 voor Oltmans.

De presentator is toe aan zijn eerste echte vraag. Het eerste deel van de dagboeken van Oltmans is net verschenen. De schrijver begon ermee op zijn negende. Of hij al jong het gevoel had voor iets belangrijks in de wieg te zijn gelegd? De geïnterviewde duikt onder tafel, waar hij het zwarte kunststof kapje van Van Dis’ microfoon ziet liggen. Triomfantelijk komt hij weer boven, om het gevondene vervolgens aan te brengen waar het hoort. 3-0 voor Oltmans. Of hij antwoord kan geven op de gestelde vraag, eist een geïrriteerde Van Dis.

Die herneemt zich daarna overigens goed, waarna een zinderend tweegesprek volgt. Beide partijen delen uit. Het vermogen tot ontvangen is bij allebei wat minder goed ontwikkeld, maar dat houdt de spanning er lekker in. Twee eloquente heerschappen denken beet te hebben en lijken niet van plan om los te laten. Oltmans schiet op het moment van aanvallen in zijn gebruikelijke reflexen: zinnen gaan octaven de hoogte in, beweringen worden afgedaan als ‘a bloody shame’ en Van Dis was zo aardig in het voorgesprek, maar zit nu ‘een beetje stoer te doen voor zijn redactie’ (bemenst met onder anderen Cherry Duyns, Frits Abrahams én Geert Mak).

Eigenlijk zette de openingsvraag de toon voor de rest van het gesprek. Had de journalist het gevoel voor iets belangrijks in de wieg gelegd te zijn? Dat zinnetje verwoordt de breed levende weerzin tegen Willem Leonard Oltmans (Huizen, 1925). Een man die wereldleiders tot zijn vrienden rekende. En op z’n minst de suggestie wekte persoonlijk de hand te hebben gehad in belangrijke gebeurtenissen uit de recente geschiedenis. Een man die uiteindelijk vijftienhonderd klappers met dagboekaantekeningen zou nalaten en die zou laten samenvatten in het nog altijd duizelingwekkende aantal van zeventig op de markt te brengen dagboeken. Een man ook die decennialang volhardde in de ogenschijnlijke donquichotterie van een eenmansstrijd tegen de overheid. Wat verbeeldde hij zich wel?

Daar kwam bij dat Oltmans in meer opzichten afweek van de gemiddelde Nederlandse journalist. Waar de meeste vertegenwoordigers van de pers uitblonken in morsigheid, oogde hij als een dandy: onberispelijk in het pak, manchetknopen in de mouwen, vaak een kekke zonnebril, zongebruind, glad geschoren en de haren strak in model. Als zijn sportwagen bij het stoplicht sneller optrok dan het Dafje naast hem, leidde dat al tot scheve gezichten, mopperde Oltmans. ‘Amerikanen zijn veel sportiever dan wij. De Nederlander is buitengewoon snel op zijn pik getrapt.’

Nederland was het land van het gezegde ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg’, maar ook van ‘Wie voor een dubbeltje geboren is, wordt nooit een kwartje’. Oltmans was het daar niet per se mee oneens. Alleen rekende hij zichzelf niet tot de dubbeltjes. ‘Beschaafd ben ik van geboorte. En geboorte is niet te koop, zoals je weet.’ Hij schreef een boek met de niet eens volledig ironisch bedoelde titel Mijn vriendin Beatrix, terug te voeren op een gouvernante die ze beiden hadden gehad. ‘Ik voel me aan Beatrix volstrekt ebenwert. Al is ze honderd keer prinses van huppeldepup. Hoe moet ik dat uitleggen? Heb je het, dan heb je het. Heb je het niet, probeer het dan niet te leren.’

Ook Oltmans’ turbulente liefdesleven droeg bij aan zijn imago van onruststoker. In de jaren vijftig waren er enerverende damesgeschiedenissen met meisjes van gegoeden huize, Inez Roëll en Frieda Westerman, dochter van een gefortuneerde man uit de oliewereld. Ook de ouders roerden zich daarbij behoorlijk, meestal over onrecht of vermeend onrecht dat Oltmans hun dochter zou hebben aangedaan. Ondertussen had deze al relaties met mannen.

Nadat Oltmans zich definitief had bekend tot de herenliefde, had hij soms vaste partners, maar maakte hij ook geen geheim van zijn voorkeur voor avontuurtjes met bij voorkeur jonge jongens. Ook op hogere leeftijd was het aanhouden van een zekere frequentie noodzaak, vond hij. Want als je het zaakje niet twee keer per week doorblies ‘verkroepoekte’ het maar.

Het sleutelmoment in Oltmans’ leven was zijn beslissing in 1956 om de Indonesische president Soekarno te interviewen tijdens diens staatsbezoek aan Italië. Oltmans was de eerste Nederlandse journalist die dat überhaupt in zijn hoofd haalde. Het waren de tijden dat ministers de hoofdredacteuren in Haagse beslotenheid een beetje bijpraatten over de Greet Hofmans-affaire en hun vervolgens vroegen om er toch vooral niet over te schrijven. Wat ze dan ook niet deden. De medewerkers op de redactievloer vulden als letterknechten en inktkoelies braaf de kolommen, in lijn met de kleur van hun verzuilde medium.

Autoriteiten werden opgewacht door verslaggevers die met de hoed in de hand hun vragen stelden. Misschien is ‘vragen’ het verkeerde woord. Beleefde voorzetten waren het, bedoeld om het gezag de gelegenheid te geven om een monoloog te beginnen. Weerwoord en kritiek behoorden niet tot het standaard-interviewrepertoire. Journalisten warmden zich al aan de schaduw die de hoogwaardigheidsbekleders over hen wierpen.

Willem Oltmans was er het type niet naar om in een dergelijke stijl te opereren. Dat had te maken met zijn achtergrond. Oltmans’ familie van vaders- en moederskant had een groot deel van hun fortuin gemaakt in Indië met onder meer de aanleg van spoorwegen en de ontwikkeling van een geneesmiddel tegen malaria. De jonge Willem ontbrak het in materieel opzicht aan weinig: hij woonde in een landhuis in Bosch en Duin, met personeel en dure auto’s voor de deur. De drie zonen kregen muziek- en paardrijlessen. Vakanties werden doorgebracht op de plekken waar ook de Europese beau monde verpoosde.

In zijn jeugdherinneringen beschreef Oltmans hoe tijdens een verblijf met zijn familie in een hotel in de Franse Vogezen in 1936 de directie hun plots vroeg om te verkassen naar een dependance van de horecagelegenheid, omdat koningin Wilhelmina en prinses Juliana met klein gevolg hun opwachting maakten. De volgende ochtend gingen zij weer verder naar het Zwitserse Grindelwald, waar de liefdesschijnbewegingen tussen Juliana en Bernhard zouden plaatsvinden, al had noch de elfjarige Oltmans, noch zijn familie daar toen weet van.

Die jeugd in elitaire kringen en mogelijk ook zijn Indische wortels maakten een vraaggesprek met Soekarno voor Oltmans logischer dan voor veel van zijn Nederlandse vakgenoten. Hij had gestudeerd op Nijenrode en aan de universiteit van Yale. In beide gevallen had dat niet geresulteerd in een diploma. Het had wel bijgedragen aan zijn houding: waarom opzien tegen autoriteiten als je zelf deels hebt rondgezwommen in de kweekvijvers van diezelfde autoriteiten?

Via Henk Hofland, een vriend van Nijenrode, rolde Oltmans de journalistiek in. Hij kwam in 1953 terecht op de buitenlandredactie van het Algemeen Handelsblad, werkte daarna korte tijd voor het persbureau United Press, om zich vervolgens als freelance-correspondent voor onder meer De Telegraaf te vestigen in Rome.

Soekarno maakte in 1956 zijn eerste reis naar Europa. Rome en Bonn vormden de bestemmingen. Een bezoek aan het voormalige moederland lag niet voor de hand. Den Haag en Jakarta waren zwaar gebrouilleerd. Maar Oltmans vond de Indonesische president journalistiek dermate interessant dat hij informeerde naar de mogelijkheden om hem te interviewen, als enige van de zeven Nederlandse correspondenten. De rest deed niet eens verslag van Soekarno’s bezoek.

Oltmans’ belangrijkste opdrachtgever, De Telegraaf, ontraadde per telegram het aanvragen van een vraaggesprek. Die liet zich echter niet meer van zijn voornemen weerhouden. Het persbureau AFP had wel interesse en uiteindelijk zou een verslag toch in Elseviers Weekblad belanden.

Oltmans beperkte zich niet tot een simpel interview. Hij trok dagenlang mee in het gevolg van Soekarno, zowel in Italië als later in Duitsland. In zijn stukken rekende hij af met het in Nederland dominante beeld van de Indonesische president als ‘rabiate Belanda-hater’. De correspondent legde nadruk op de gematigde uitspraken van Soekarno en zei overtuigd te zijn van diens wil om tot een betere verhouding met Nederland te komen.

Ondertussen werd – typisch Oltmans – ook nog eens gewag gemaakt van de vriendschappelijke verhouding tussen interviewer en geïnterviewde: ‘En dan legt de president zijn arm om mij heen: “Ik ben blij u bij ons te hebben.”’ ‘Het is jammer,’ zo vervolgt president Soekarno, ‘dat de verhouding met Nederland zo slecht geworden is. Maar u weet het, ik heb steeds opnieuw weer gezegd: wanneer de kwestie-Irian zal worden opgelost, staat de weg naar herstel der vriendschappelijke betrekkingen tussen onze landen open.’

Een oplossing van de kwestie-Irian was echter nog ver weg. Den Haag hield vast aan Nieuw-Guinea, het enige deel van Indië dat in 1949 niet werd overdragen aan de Indonesische republiek. Het laatste koloniale bezit van Nederland in de Oost zou eerst tot beschaving worden gebracht en dan eventueel in vrijheid mogen kiezen voor een andere staatkundige toekomst. Minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns was bereid om ver te gaan in de verdediging van die lijn. Bij een gewapend conflict met Indonesië zou Nederland bovendien kunnen rekenen op de steun van de Verenigde Staten, meende hij.

Oltmans zag dit als een heilloze weg. Vanaf zijn eerste ontmoeting met Soekarno probeerde hij de publieke opinie ervan te overtuigen dat een overdracht van Nieuw-Guinea onvermijdelijk was. Hij deed dat als journalist, als pseudodiplomaat en als verkapte lobbyist van in de groep-Rijkens verenigde, verontruste Nederlandse ondernemers. Zo was Oltmans mede-initiatiefnemer en ondertekenaar van een adres aan de Staten-Generaal in 1957.

Die opstelling zette kwaad bloed bij velen. De Telegraaf noemde Oltmans ‘het door Soekarno gesubsidieerde woelratje’. Luns zou de reporter later ‘een eenmotorige mug’ noemen, maar vond deze persmuskiet wel dermate irritant dat hij zo ongeveer de allerzwaarste verdelgingsmiddelen inzette. De minister van Buitenlandse Zaken gebruikte zijn kanalen om zo veel mogelijk mensen te overtuigen van de onbetrouwbaarheid en het journalistieke onfatsoen van Oltmans.

Dat bleef niet bij een eenmalige actie. Het werd een campagne, die ook nog voortduurde nadat Nederland onder internationale druk afstand had moeten doen van Nieuw-Guinea. De journalist stuitte steeds vaker op gesloten deuren en verloor opdrachtgevers, zowel in Nederland als in het buitenland. In de Verenigde Staten, waar hij eind jaren vijftig naartoe emigreerde, leverde hij aanvankelijk bijdragen aan gerenommeerde kranten als de Washington Post, de Wall Street Journal en de New York Herald Tribune. Na gestook van Van Roijen, de Nederlandse ambassadeur in Washington, was dat snel afgelopen.

Oltmans had gelukkig van huis uit geld en verdiende verder aardig met lezingen geven. Dat betekende niet dat hij zijn oude activiteiten opgaf. In de decennia die volgden was de Nederlander actief als journalist, als diplomaat namens zichzelf en als lobbyist voor ondernemingen als KLM en Philips (veelal eindigend in conflicten met bedrijven die rekeningen niet zouden hebben betaald). Vaak liepen die verschillende rollen ook nog op een merkwaardige manier door elkaar.

Oltmans’ onderwerpkeuze leek te wijzen op een hang naar controverse. Hij reisde naar het Cuba van Castro, had contacten op hoog niveau in de Sovjet-Unie, sprak met en nam het op voor de Surinaamse legerleider Desi Bouterse en hekelde de internationale boycot van het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Op een consequent volgehouden linkse of rechtse koers viel de journalist niet te betrappen. Hij voer op zijn eigen moreel kompas. Daarbij konden uitgesproken reactionaire standpunten samengaan met afschuw van ‘de smerige oorlog’ in Vietnam en inspanningen voor de milieuridders van de Club van Rome.

Wanneer Oltmans op bezoek ging bij omstreden leiders, leidde dat in zijn ogen vrijwel altijd tot bijkleuring van het bestaande beeld. In het echt bleken het vaak best redelijke mensen, wilde de verslaggever maar zeggen. Sterker zelfs: soms suggereerde hij een zekere mate van vriendschap tussen hem en de hoogwaardigheidsbekleder.

Oltmans had toch al de neiging om zijn eigen rol vaak iets groter in te schatten dan reëel was. Zo was het ook gegaan tijdens de ontknoping van de kwestie-Nieuw-Guinea. De journalist was op bezoek geweest bij een van de belangrijkste adviseurs van de Amerikaanse president John F. Kennedy en had daar voorgesteld om het Amerikaanse staatshoofd een gesprek te laten hebben met prins Bernhard. Die zou daarna het Witte Huis hebben overtuigd van het gebrek aan realiteitszin bij Luns en de rest van het Nederlandse kabinet.

De gesprekken vonden inderdaad plaats, net als een overleg tussen Luns en Kennedy. Maar de precieze volgorde valt lastig te achterhalen. Dat adviseurs en presidenten dagelijks met heel veel mensen spreken, beroofde Oltmans niet van de illusie dat juist hij de zaak in de beslissende richting had geduwd.

Later koesterde hij ook nog de gedachte dat hij een nieuwe waarheid achter de moord op Kennedy in Dallas op het spoor was. Tot de grote onthulling kwam het nooit, maar het leverde hem wel een rolletje in Oliver Stones van complotten vergeven film JFK op.

De glansrol die Oltmans zichzelf doorgaans toedichtte maakte onder meer dat G.B.J. Hiltermann hem betitelde als een ‘eerzuchtige, pathologische leugenaar’. Oltmans op zijn beurt was niet onder de indruk van studeerkamerjournalisten als de beroemde radiocommentator.

Veel van zijn criticasters hadden volgens hem geen enkel recht van spreken. ‘Ik was een verlengstuk van Soekarno, ik was een verlengstuk van De Klerk, ik was een verlengstuk van Bouterse, ik was een verlengstuk van Brezjnev. Weet je waarom? Omdat de klootzakken in de polder niet bij die mannen zijn geweest, niet weten hoe het zit. Geen blasse Ahnung hebben ze. Het zijn klootzakken die thuis blijven zitten en niet weten waarover ze praten.’

In 1990 vertrok Oltmans naar Zuid-Afrika. Zijn ouders hadden er tien jaar gewoond, zijn broers nog veel langer. Nu wilde hij er zelf oud worden. Maar na twee jaar werd hij om duistere redenen het land uit gezet. De journalist vermoedde dat hij opnieuw het slachtoffer was van het Nederlandse ministerie van Buitenlandse Zaken.

Zijn familiefortuin was inmiddels op. Bij gebrek aan werk ging Oltmans de bijstand in. De dandy moest zien rond te komen van net iets meer dan 1200 gulden in de maand. Wonen deed hij in een eenkamerappartement in de Jordaan.

Ongeveer tegelijkertijd werd duidelijk dat Oltmans met zijn openlijke beschuldigingen in de richting van Luns geen spoken had nagejaagd. Dankzij de Wet Openbaarheid van Bestuur kwam hij in het bezit van een reeks documenten die lieten zien dat het departement hem decennialang had dwarsgezeten. Hij dacht nu voldoende munitie te hebben voor een zaak tegen de Staat der Nederlanden.

Tussen gelijk hebben en gelijk krijgen gaapte echter nog een behoorlijk gat: de procesgang bleek af en toe nogal kafkaëske trekken te vertonen en de opstelling van de klager zelf hielp ook niet altijd om sympathie voor zijn zaak te wekken. Oltmans liet enorme aantallen ambtsdragers opdraven als getuigen, en zelfs leden van het Koninklijk Huis. Meesmuilend zeiden sommigen dat ook God te zijner tijd een oproep kon verwachten.

Oltmans had bovendien de neiging om zijn verontwaardiging weinig verfijnd te uiten. Hem niet welgezinde bijdragen waren ‘a bloody shame’. Betrokkenen werden weggezet als ‘schoften’ of ‘vuilakken’. ‘Je kon zomaar veranderen van een good guy in een bad guy,’ schreef Volkskrant-hoofdredacteur Pieter Broertjes in het voorwoord van het boek van Oltmans’ advocate over de zaak. ‘Eén fout woord was voldoende om hem in woede te doen ontsteken. In zijn strijd tegen de Staat duldde Oltmans geen tegenspraak. Wie niet onvoorwaardelijk partij voor hem koos, was de vijand. Zo simpel was dat. Ophoepelen kon je dan.’

Pogingen om de zaak te schikken mislukten. Oltmans weigerde zich na al die jaren te laten afschepen met een fooi. Die volharding betaalde zich uit: toen een arbitragecommissie in 2000 haar finale uitspraak deed, kreeg de benadeelde een bedrag van 8 miljoen gulden netto, een voor Nederlandse begrippen ongekend hoog bedrag aan smartengeld. Oltmans’ reputatie en loopbaan hadden bij voortduring klappen gekregen, oordeelde de commissie. Die hadden zijn imago mede gevormd ‘zoals de beschadiging van een boom vergroeit met zijn vorm’.

Nadat hij alsnog zijn gelijk had gehaald, kon Oltmans zijn laatste jaren doorbrengen op een manier die aansloot bij de rijkdom van zijn jeugd. Hij kocht een penthouse aan de Amsterdamse grachten, waar onder meer plaats werd gemaakt voor een Steinway-vleugel. De nu welgevulde portemonnee stelde hem ook in staat om weer behoorlijk te reizen. Het genieten was van korte duur, want hij kreeg kanker en overleed in 2004 op 79-jarige leeftijd.

Tussen Willem Oltmans en zijn vaderland was altijd een haat-liefdeverhouding blijven bestaan. De journalist zag zichzelf als man van de wereld, die het niveau van de dorpspomp was ontstegen. Tegelijkertijd bleef hij zich betrokken voelen bij Nederland. Zelf was hij een te complexe persoonlijkheid om ooit op brede sympathie te kunnen rekenen. Men vond hem spannend, maar geen etiket voldeed om hem te typeren. Dat schuurt in een land dat houdt van zijn hokjesgeest.

Het overheersende beeld van Oltmans is dat van een notoire heibelzoeker. Waar Willem kwam, kwam ruzie. Dat de man een zeker plezier had in enig stoken, kan onmogelijk ontkend worden. Maar wie hem louter wegzet als een intrigant, doet Oltmans tekort.

Veel van de kwesties waar hij zich in wisselende en door elkaar lopende rollen aan wijdde, zijn evengoed uit te leggen als pogingen om meer harmonie tot stand te brengen. Een oplossing in de Nieuw-Guinea-kwestie zou de verhoudingen tussen Nederland en Indonesië kunnen verbeteren. Wanneer mensen zich wat minder zouden verschansen in de schuttersputjes van de Koude Oorlog, kon dat leiden tot ontspanning tussen Oost en West. Iets meer begrip voor de Surinaamse legerleider Bouterse zou de relatie tussen Nederland en de voormalige kolonie in de West goeddoen. ‘Mensen aan elkaar naaien’ noemde Oltmans dat zelf.

Wat hij schreef, lijkt niet zijn belangrijkste journalistieke verdienste. Historische onthullingen bracht hij niet op zijn naam. De stapels boeken die hij afleverde zijn niet van uitzonderlijke kwaliteit. Wat Oltmans bijzonder maakte was waaróver hij schreef. Hij mocht dan in veel opzichten een ongeleid projectiel zijn, in een tijd dat veel van zijn collega’s nog al te zeer geleid functioneerden, kan die onafhankelijkheid ook als verdienste worden gezien.


MEER WETEN?

BOEKEN
Misschien niet altijd de meest betrouwbare, maar met voorsprong de meest uitputtende bron over Willem Oltmans zijn de geschriften van Willem Oltmans zelf. Behalve een boekenkastvullende reeks dagboeken kan de lezer terugvallen op publicaties als De staat van bedrog (1998) en Persona non grata (1996, over het proces tegen de Nederlandse regering), en In het land der blinden (2001, over Oltmans en gebeurtenissen uit de wereldgeschiedenis).

Ellen Pasman, lang de advocate van Oltmans, beschrijft in Oud zeer. Achter de façades van de Nederlandse rechtsstaat (2002) de procesgang en ontknoping van de slepende strijd. Het was een lange weg tussen gelijk hebben en gelijk krijgen.

Journalisten in Nederland. Een persgeschiedenis in portretten (2002) van Piet Hagen bevat een treffende biografische schets van Oltmans. De journalist duikt ook op in diverse levensgeschiedenissen van anderen, zoals in Luns. Een politieke biografie (2010) van Albert Kersten.

Wouter Meijer kijkt in ‘Ze zijn gék geworden in Den Haag.’ Willem Oltmans en de kwestie-Nieuw-Guinea (2009) naar het ontstaan van het jarenlange loopgravengevecht tussen de journalist en de Nederlandse overheid. Historicus Meijer heeft plannen voor een biografie van Oltmans.

Ook journalist/psycholoog Edwin Oden had dat voornemen, maar zag af van uitvoering nadat hij berekend had dat het hem alleen al een jaar of twaalf zou kosten om alle dagboeken fatsoenlijk door te werken. Het onderwerp liet hem echter niet los. Dus verschijnt komend najaar van zijn hand het boek De man van acht miljoen. Vriend en vijand over het fantastische leven van Willem L. Oltmans (1925-2004) (2010).

DVD
De hoogtepunten van Hier is… Adriaan van Dis (2008), met ook het vermaarde interview met Oltmans, zijn verschenen op een 10-dvd-box. Een lang vraaggesprek van Theo van Gogh met de journalist staat op de dubbel-dvd De eenmotorige mug (2005). Op YouTube zijn ook andere tv-optredens van de journalist te vinden (onder meer in Het zwarte schaap), en persiflages door Wim de Bie en Erik van Muiswinkel.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld hoe de Stasi tijdens de Koude Oorlog spioneerde in Nederland, waarom we 1968 kunnen bestempelen als rampjaar en wat ooggetuigen van de Tachtigjarige Oorlog in hun dagboek schreven.