Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 5/2010

Stadhouder van Napoleon

Charles-François Lebrun

Door: Hans Schoots
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 1810 werd Nederland door de Franse keizer Napoleon geannexeerd. Charles-François Lebrun werd gouverneur-generaal. Terwijl de keizer hard optreden van hem verlangde, heette hij in Nederland algauw ‘de goede stadhouder’.
Op 14 juli 1810 spoedden de burgemeester van Amsterdam en zijn naaste medewerkers zich naar Alphen aan den Rijn om eer te bewijzen aan de net benoemde gouverneur-generaal voor de Hollandse departementen, die per koets in aantocht was vanuit Parijs. Deze gouverneur was Charles-François Lebrun: Fransman, luitenant-generaal, hertog van Piacenza en prins-opperschatbewaarder van het keizerrijk. Hij kreeg in Nederland de leiding nadat Napoleon had besloten de gewesten aan de Noordzee geheel in zijn rijk te integreren.

Het gebied werd verdeeld in zeven departementen naar Frans model, waarvan elk werd geleid door een prefect. De gulden werd vervangen door de Franse franc en de hoofdstad was voortaan Parijs. Als troost werd Amsterdam uitgeroepen tot Derde Stad van het keizerrijk. Het keizerlijke paleis op de Dam werd Lebruns officiële residentie, Huis ten Bosch zijn buitenplaats.

Oorspronkelijk was het de bedoeling dat Lebrun slechts kort in Nederland zou zijn. Na een overgangstijd moest de algemeen-Hollandse bestuurslaag helemaal verdwijnen en zouden de afzonderlijke departementen net zo rechtstreeks onder Parijs vallen als wanneer ze Dordogne of Ardèche heetten. Zover is het nooit gekomen. De Nederlandse departementen werden tot het einde van de Franse tijd als één geheel bestuurd.

Om de verhoudingen meteen duidelijk te markeren, verklaarde gouverneur-generaal Lebrun op de dag van zijn aankomst in Amsterdam tegenover de oude Nederlandse graaf Van Bylandt dat ook hij liever Hollander zou zijn geweest in de tijd van de admiraals De Ruyter en Tromp, maar dat van die macht nu eenmaal niets meer over was. Er zat dus weinig anders op dan dat de Nederlanders zich onder bescherming stelden van een groot, krachtig en glorieus volk. Het Franse dus.

Nog maar ruim een week eerder was de koning van Holland, Lodewijk Napoleon, onder druk van zijn keizerlijke broer afgetreden. Hij werd niet gezeglijk genoeg bevonden. Op dat moment had Lebrun er nog geen idee van dat zijn eigen naaste toekomst in Amsterdam lag. Totdat er op 8 juli 1810 een brief van Napoleon arriveerde met de opdracht zijn koets klaar te maken voor vertrek en zich meteen op het keizerlijke paleis Rambouillet te melden voor instructies. ‘Het is absoluut noodzakelijk dat je morgenavond Parijs verlaat en je naar Amsterdam begeeft.’ Een dag later vaardigde Napoleon het decreet uit met de boodschap: ‘Holland is verenigd met het keizerrijk.’

Een van de eerste opdrachten die Lebrun van Napoleon kreeg, was in Amsterdam de correspondentie en administratie van zijn voorganger veilig te stellen en naar Parijs te sturen, voordat de eigenaar er zelf de hand op kon leggen. Lodewijk had na zijn aftreden in het geheim de wijk genomen naar Toeplitz, een kuuroord in de toenmalige Oostenrijkse gebieden, waarmee hij zich de keizerlijke woede op de hals had gehaald.

De lotsverbondenheid tussen de keizer en Lebrun ging terug tot 1799, toen generaal Napoleon Bonaparte besloot de macht in Frankrijk over te nemen. Ter voorbereiding op zijn staatsgreep ageerden Lebrun en enkele anderen in de wetgevende vergadering tegen een verzonnen radicaal-links jakobijns complot. De generaal kon zich vervolgens opwerpen als grote redder en na enige gewelddadigheden worden uitgeroepen tot Eerste Consul, waarmee zijn alleenheerschappij al bijna een feit was. Wel waren er nog een tweede en een derde consul, maar die hadden weinig te zeggen. Charles-François Lebrun werd kort na de coup Derde Consul.

Toch was diens positie zeker niet alleen te danken aan voornoemde bewezen diensten. Lebrun was een Normandiër van tamelijk eenvoudige komaf. Dat hij het tot zijn hoge positie bracht, dankte hij vooral aan zijn uitstekende verstand en zijn bedachtzame houding. Hij werd een expert op het gebied van de staatsfinanciën, die zich te midden van alle politieke stormen gematigd opstelde.

Lebruns loopbaan in overheidsdienst was al begonnen onder de voorlaatste Franse koning Lodewijk XV, voor wie hij de koninklijke domeinen beheerde. Later assisteerde hij Jacques Necker, de minister van Financiën van Lodewijk XVI, bij de ontwikkeling van diens plannen voor staatshuishoudelijke vernieuwing. Een periode van ambteloosheid gebruikte hij om Homerus’ Ilias op nog steeds gewaardeerde wijze in het Frans te vertalen.

Kort voor de revolutie van 1789 publiceerde Lebrun het pamflet De stem van de burger, waarin hij opriep tot politieke hervorming. Hij kreeg zitting in de revolutionaire Grondwetgevende Vergadering en bleef in de daaropvolgende jaren vernieuwingsgezind, zonder afstand te nemen van de monarchie. In 1792 was hij minister van Buitenlandse Zaken van de revolutionaire regering. Zijn weinig radicale houding kwam hem onder Robespierre een paar keer op een verblijf in de gevangenis te staan.

Doordat de Onkreukbare eerder onder de guillotine terechtkwam dan hij, bracht Lebrun het er levend van af, waarna hij opnieuw diverse politieke ambten vervulde. Onder Napoleon was hij onder meer financieel adviseur en gouverneur-generaal van de Ligurische Republiek in Italië. Lebrun verzette zich op principiële gronden – de gelijkheid van de burgers – tegen Napoleons plannen om nieuwe adellijke titels in te voeren, waarna hij er tegenstribbelend zelf een paar opgeplakt kreeg.

Toen de gouverneur-generaal in Amsterdam arriveerde om er de leiding in handen te nemen, was hij al 71 jaar. Een oude man die, hoewel niet erg bekend bij het grote publiek, behoorde tot de belangrijkste figuren van het Napoleontische regime. In zijn Parijse tijd werd Lebrun als vredestichter opgeroepen wanneer hoogwaardigheidsbekleders ruzie met elkaar kregen, al werd zijn omgeving soms ook opgeschrikt door zijn sarcasme. In Amsterdam noemde de Franse directeur van politie Devilliers hem ‘dat lichtgeraakte oudje’.

Terwijl Lebrun zich prima wist te gedragen naar de normen van de oude en de nieuwe adel, werd hij gewaardeerd om zijn eenvoud, onbaatzuchtigheid en gemoedelijkheid. Officieel woonde hij op het paleis op de Dam, maar feitelijk verbleef hij op diverse andere adressen in de stad. In de vele Nederlandse schotschriften die indertijd tegen de Franse autoriteiten werden verspreid, komt Lebrun zelden voor, in ieder geval niet in de exemplaren die bewaard zijn gebleven.

Opvallend genoeg werd hij wel een keer aangevallen in een kwestie die weinig met politiek van doen had. Een pamflettenschrijver meende een persoonlijke tekortkoming te hebben ontdekt toen Lebrun op bezoek ging bij een armlastig Haags gezin waar een drieling was geboren, wat financieel gesproken een kleine ramp was voor de ouders. Daar toonde de gouverneur-generaal zich volgens de criticus een gierig man: ‘Ouders, geef uiting aan uw geluk! Wat gaf Zijne Majesteit? Een stuk van drie gulden!’ Het kan zijn dat Lebrun niet goed wist wat passend was. Aan de andere kant spreekt het voor hem dat hij bij de slachtoffers langsging.

Lebrun stond voor een zware taak in het verarmde Nederland, temeer omdat Napoleon daarover geen gezeur wilde horen. Alle Hollandse pogingen om de handelsblokkade tegen het vijandige Groot-Brittannië te ontduiken moesten in de kiem worden gesmoord. Daartoe moesten de bewaking van de kust en de controle op illegale handel de Hollandse ambtenarij uit handen worden genomen en worden overgedragen aan de Franse douane. De maatregel droeg bij tot een verdere teruggang van de toch al in deplorabele toestand verkerende Nederlandse handel.

Hollandse staatsleningen werden bovendien tot eenderde in waarde teruggebracht, waardoor talloze burgers en instellingen hun bezittingen kwijtraakten. Ook door nieuwe, zware belastingen op koloniale waren groeide de toch al nijpende armoede. Handelaren kregen de boodschap dat ze binnen enkele weken 40 tot 50 procent heffing dienden te betalen over hun hele voorraad, anders werd deze geconfisqueerd. Tel daar de invoering van de dienstplicht bij op en er waren genoeg aanleidingen voor de bevolking om ontevreden te zijn.

Lebrun voelde goed aan welk effect de genoemde maatregelen hadden op zijn nieuwe onderdanen. Hij nam de taak op zich om de ongeduldige Napoleon af te remmen wanneer deze het zoveelste drastische en onmiddellijke ingrijpen eiste. Officieel was de gouverneur-generaal niet meer dan een uitvoerder. Hij was ‘de oren en de ogen’ van de keizer, zoals deze het uitdrukte, handelde in diens directe opdracht en legde aan hem persoonlijk verantwoording af.

Nog op de dag van zijn aankomst in Amsterdam ging zijn eerste brief per koerier te paard naar Napoleon in Parijs. Voor het jaar om was, waren al een paar honderd brieven heen en weer gegaan. En hoeveel vertrouwen Napoleon ook stelde in ‘mon cousin’ Lebrun, de keizer liet hem wel bespioneren door zijn secretaris Sérurier, die in het geheim eigen verslagen stuurde. Maar Parijs bleef ver weg en Napoleon had wel wat anders te doen dan zich met de Hollanders bezighouden. Van deze luwte wist de gouverneur-generaal gebruik te maken om zijn eigen stempel op het beleid in zijn departementen te drukken.

Overigens kwam er niet alleen een stroom Franse beambten, militairen, politieagenten en douaniers richting Holland. Omgekeerd kregen Nederlandse vertegenwoordigers posities in Parijs. Zij moesten een bijdrage leveren aan de integratie in het keizerrijk, dat zich nu uitstrekte van Gibraltar tot Oost-Polen. Er kwamen Nederlanders in de senaat, de staatsraad, de wetgevende raad en andere organen. Het waren voornamelijk mensen die eerder hoge functies hadden vervuld in Lodewijk Napoleons Koninkrijk Holland.

Op 15 augustus 1810 ontving Napoleon, omringd door talrijke prinsen, ministers, kardinalen en officieren, een delegatie van de Nederlandse marine, het leger en de stad Amsterdam. De delegatieleider, de Nederlandse admiraal Verhuell, verklaarde dat ze allemaal vol gevoelens van bewondering, vertrouwen en gehoorzaamheid waren. De keizer sprak op zijn beurt mooie woorden over het grootse verleden van Holland, dat helaas wel voorbij was. Tegelijk werd op de Dam in Amsterdam een groot feest gehouden, waar, naar wordt beweerd, de hele Amsterdamse elite haar opwachting maakte. De mutsen gingen de lucht in van vreugde en toen Lebrun verscheen, klonk het: ‘Vive l’empereur!’

Maar een maand later al verloor Napoleon zijn geduld met de Amsterdamse handelaren, die klaagden over de economische dwangmaatregelen waarvan zij – en heel Nederland – te lijden hadden. In een aantal van zijn brieven toonde Napoleon zich een verwend, stampvoetend kind. ‘Willen ze dat hun stad wordt bezet door 30.000 van mijn soldaten? Ik wil dat ik word gehoorzaamd, dat wil ik, hoor je? En dat ze het goed weten.’ Hij ergerde zich aan ‘onderdanen die het wagen de keizerlijke wil ter discussie te stellen’.

Lebrun probeerde zo weinig mogelijk uitvoering te geven aan Napoleons opdracht Britse importgoederen publiekelijk te verbranden. Dat zulke demonstratieve acties intense afkeer opriepen in een land waar de handel stagneerde en de armoede groot was, vereiste niet zo heel veel inlevingsvermogen. In Amsterdam kreeg de gouverneur-generaal zijn zin; elders in het land hadden prefecten, politiechefs en douaniers niet altijd zulke scrupules.

Hoewel de betrekkingen tussen Napoleon en Lebrun in grote lijnen goed bleven, botsten ze in hun brieven nogal eens over de behandeling van tegensprekers en opstandigen. ‘Laat de Hollanders weten dat ik niet ben als koning Lodewijk en dat ik ervoor zal zorgen dat mijn orders worden uitgevoerd,’ schreef de keizer. Lebrun verweet hij te slap op te treden. Deze verzekerde zijn keizer dat hij het mis had. ‘Uwe Majesteit weet dat ik van nature streng ben aangelegd en u zult me de eer aandoen te geloven dat ik niet bangelijk ben. Mijn hele streven is dit land kalm en trouw te maken.’

Napoleon eiste de executie van raddraaiers: ‘Er is geen andere manier om het canaille onder de duim te houden.’ Lebrun antwoordde dat hij moeite had met het uitvoeren van zulke rigoureuze orders. ‘Ze veroorzaken in dit ongelukkige land een ondraaglijke leegte, een gruwelijke misère. Ik dring aan op uw medelijden, uw goedheid, uw menselijkheid, uw clementie, die vaak meer goed kan doen dan machtsuitoefening en terreur.’ Het vuurpeloton deed niettemin ook in de Hollandse departementen af en toe zijn werk. Toen in het voorjaar van 1813 in tal van plaatsen in het westen verzet was tegen de dienstplicht, werden minstens negen oproerkraaiers geëxecuteerd. Dat het er niet veel meer werden, kan grotendeels op Lebruns conto worden geschreven.

Voor de Franse autoriteiten was het door volksoplopen en gewelddadige rellen geen geheim dat veel Nederlanders ‘zeer uitgesproken anti-Frans’ waren, zoals werd bericht in een verslag uit augustus 1813. Er werd wel aan toegevoegd: ‘Ze zijn niet ondernemend genoeg en hebben de eenheid niet om er wat mee te doen.’ Zo bleef de situatie goedbeschouwd ook, tot de Franse macht in het najaar van 1813 door externe omstandigheden ineenstortte.

De veldtocht naar Rusland van 1812 was fataal verlopen. Ook Lebruns eigen tweede zoon Alexander liet er als officier het leven. Napoleon probeerde weer op te krabbelen, tot hij in de Slag bij Leipzig een nieuwe grote nederlaag leed. Daarna was de vraag alleen nog wannéér de vijanden van de keizer Nederland zouden binnenvallen. Terwijl vanuit Den Haag al werd gewerkt aan een voorlopig Oranjegezind bestuur en in Amsterdam douanehuisjes in brand werden gestoken en barricaden werden opgeworpen, verlieten de Franse troepen de Derde Stad van het keizerrijk.

Charles-François Lebrun vertrok met zijn koets richting Utrecht, op straat door wat Amsterdammers nageroepen. In elf dagen bereikte hij Parijs, terwijl zijn eerste zoon Anne Charles, die als generaal de veldtocht naar Moskou wel had overleefd, zich voorbereidde op de verdediging van Antwerpen. Na de terugkeer van de oude monarchie in Frankrijk kreeg Lebrun er nog een titel bij. Het was het laatste van de vele regimes waaronder hij zijn taken verrichtte. Onder de koningen, tijdens de revolutiejaren en in de Napoleontische periode was hij steeds de vroegmoderne ambtenaar geweest, die zichzelf zag als een radertje in een staatsapparaat ten dienste van de burger.

Intussen hoogbejaard trok Lebrun zich terug op zijn landgoed in Sainte-Mesme ten zuiden van de Franse hoofdstad. Hij overleed in 1824, kreeg een praalgraf op de Parijse begraafplaats Père-Lachaise en werd daarna volgens alle Franse bronnen vergeten.
 

Verder lezen

Over Lebrun is in Nederland nooit een boek verschenen. Wilfried Uitterhoeves nieuwe boek Koning, keizer, admiraal eindigt in 1810, precies waar Lebruns verhaal begint. Van de drie boekwerken die in het Frans over hem te vinden zijn, werden er twee geschreven door familieleden. Het belangrijkste vanuit Nederlands perspectief is L’architrésorier Lebrun. Gouverneur de la Hollande door zijn nazaat, markies De Caumont la Force. Het verscheen in 1907.

Een Nederlands boek met veel aandacht voor Lebrun is het oude standaardwerk van Johanna W.A. Naber over de periode van de inlijving: Overheersching en Vrijwording (1909). Dat is nog tamelijk eenvoudig antiquarisch te krijgen. Ook in Johan Joors onderzoek naar het volksverzet tijdens de annexatie, De adelaar en het lam (2000), komt Lebruns rol tussen de bedrijven door uitvoerig ter sprake. Matthijs Lok bespreekt in Windvanen (2009) hoe talrijke politici en ambtenaren zich net als Lebrun in de jaren van de revolutie, de Napoleontische tijd en de restauratie aan uiteenlopende regimes wisten aan te passen.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.