Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2010

De Duitsers gaven niks cadeau

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 1960 sloten Nederland en West-Duitsland een verdrag dat alle uit de Tweede Wereldoorlog voortvloeiende geschillen omtrent herstelbetalingen en grenzen in één grote Generalbereinigung moest oplossen. Nederland verwachtte van de Bondsrepubliek schuldbewuste meegaandheid, maar Bonn verkocht zijn huid duur.
Joseph Luns had het even helemaal gehad met de Duitsers. Midden in de zoveelste vruchteloze bespreking over het Nederlands-Duitse verdrag viel de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken uit naar zijn Duitse ambtsgenoot: ‘Wat denkt u wel! U denkt dat u hier als gelijke zit, maar dan vergist u zich. Wij zijn te beleefd om het te zeggen, maar u spreekt hier als overwonnene tegen de overwinnaar. Wij zijn de overwinnaar!’

Luns’ woedeaanval was tekenend voor de stemming in Nederland. Kabinet, parlement en pers waren geïrriteerd door de houding van de West-Duitse regering. Met het oog op de bezetting tijdens de Tweede Wereldoorlog vonden de meeste Nederlanders dat Bonn zich schuldbewust moest opstellen. Hard onderhandelen paste daar niet bij.

Dát er een Nederlands-Duits verdrag moest komen, daarover was iedereen het wel eens. Voor Nederlands welvaart en veiligheid was Duitsland simpelweg te belangrijk om links te laten liggen. Al halverwege de bezetting schreef de sociaal-democratische voorman Willem Drees op zijn onderduikadres: ‘Wij zijn door onze ligging ertoe voorbestemd een schakel te zijn tussen Duitsland en het overzeese verkeer en ook met Duitsland een uitgebreide in- en uitvoer te onderhouden. Zo eist ook het belang van Europa en in het bijzonder van ons eigen land, dat Duitsland zich kan herstellen en weer ingeschakeld wordt. Economisch ingeschakeld, in de hoop dat het ook geestelijk weer zal zijn in te schakelen.’

Op een vraag van het NIPO of men vond dat Nederland weer evenveel handel met Duitsland moest drijven als vóór de oorlog, antwoordde in 1947 77 procent van de ondervraagden bevestigend. Maar slechts 29 procent van de ondervraagden was de oosterburen ‘vriendelijk’ gezind, tegen 53 procent ‘onvriendelijk’.

De eerste vier jaren na de bevrijding overheerste in Nederland de wens om de voormalige bezetter zwaar te laten boeten. Minister van Justitie H.A.M.T. Kolfschoten (KVP) wilde in augustus 1945 in een zogenoemde operatie Black Tulip alle 17.000 in Nederland verblijvende Duitse burgers het land uitzetten. Het werden er 3691. Dat het er niet méér waren kwam door kritiek van kardinaal De Jong en de geallieerde bezettingsautoriteiten in Duitsland, die de verdreven Duitsers geen opvang konden bieden. Onderwijsminister Gerrit Bolkestein stelde voor om Duits als verplicht schoolvak af te schaffen. Dat voorstel haalde het niet, maar het aantal lesuren werd drastisch ingekort.

Verder eiste Den Haag compensatie voor het oorlogsleed in de vorm van herstelbetalingen en gebiedsuitbreiding. In november 1946 legde de regering een claim bij de vier grote geallieerde mogendheden Amerika, de Sovjet-Unie, Groot-Brittannië en Frankrijk op 1750 vierkante kilometer Duits grondgebied plus een aantal kolenmijnen. Twee maanden later vroeg Nederland om opheffing van de geldende beperkingen aan de export naar Duitsland en aan de Duitse industriële productie.

Door het wegvallen van Duitsland als leverancier van machines en andere kapitaalgoederen was Nederland gedwongen deze uit de Verenigde Staten te halen. Nederland had daar weinig anders tegenover te stellen dan landbouwproducten, die de Amerikanen niet wilden afnemen. Daardoor werd Nederlands handelsbalans uit het lood geslagen, juist nu het land weer moest worden opgebouwd. Nederland vond bij de grootmachten weinig gehoor. Ook als het gezamenlijk optrok in Beneluxverband, bleef het land uitgesloten van de geallieerde beraadslagingen over de toekomst van Duitsland.

Maar in 1949 boden de Amerikaanse autoriteiten Nederland vrij onverwachts gunstige voorwaarden aan. Na de oprichting van de Duitse Bondsrepubliek werd een handelsverdrag gesloten, waarin de Nederlandse uitvoer vrijwel geheel werd vrijgegeven. Onmiddellijk herstelde zich de traditionele handelsrelatie tussen beide landen. In september 1949 stond West-Duitsland nog op de zesde plaats van Nederlands belangrijkste exportlanden; twee maanden later waren de Duitsers alweer de belangrijkste klanten.

De Nederlandse claims op Duits geld en Duitse grond bleven overeind. Nederland becijferde dat het voor 25,75 miljard gulden schade had geleden onder de bezetting en pleitte bij de geallieerden voor volledige terugbetaling. Den Haag kreeg echter nul op het rekest. Ook de annexatieplannen stuitten op verzet van de geallieerden. Zij hadden geleerd van de fout die ze hadden gemaakt na de Eerste Wereldoorlog, toen ze door het opleggen van grootschalige financiële en territoriale reparaties in Duitsland het revanchisme hadden aangewakkerd. Nederland moest genoegen nemen met een aantal kleine grenscorrecties. In totaal kreeg het er 69 vierkante kilometer en 10.000 Duitse inwoners bij.

Overigens liep noch de Nederlandse bevolking, noch de Tweede Kamer erg warm voor gebiedsuitbreiding. Volgens onderzoek van het NIPO was ongeveer 40 procent van de Nederlanders voor annexatie en zo’n 35 procent ertegen. Het PvdA-Kamerlid Geert Ruygers vond annexatie niet passen bij een politiek van ‘opbouw van een democratisch en economisch gezond Duitsland en inschakeling van Duitsland in de reconstructie van Europa’. Toch stemde hij voor de gebiedsuitbreiding, net als een ruime Kamermeerderheid. Een belangrijke reden was dat het parlement niet wilde buigen voor Duitse druk om van de annexatie af te zien.

Met name minister-president Karl Arnold van Noordrijn-Westfalen, de deelstaat die gebied moest inleveren, voerde een actieve lobby tegen de annexatie. Zo dook hij vlak voor de behandeling van het annexatievoorstel in de Eerste Kamer in Den Haag op om het Duitse verzet kracht bij te zetten. Volgens het Deutsche Büro für Friedensfragen, een overheidsinstantie, had ‘door haar starre houding de Nederlandse regering zich moreel in het ongelijk gesteld’. Dergelijke acties en uitlatingen versterkten bij de diep verontwaardigde Nederlandse politici slechts het gevoel dat zij voet bij stuk moesten houden.

Bovendien bood de annexatie van Duitse gebieden, hoe klein ook, Nederland een gunstige uitgangspositie voor toekomstige onderhandelingen. Veel moest nog geregeld worden tussen Nederland en West-Duitsland. Den Haag wilde nog steeds herstelbetalingen, plus schadevergoedingen voor slachtoffers van het naziregime. Verder was er onenigheid over de grens in de Eems en de Dollard. Met de geannexeerde gebieden als wisselgeld kon Nederland deze geschillen wellicht in zijn voordeel beslechten.

De Bondsregering wilde niets liever dan alle twistpunten in één keer met een algemeen verdrag uit de wereld helpen. Op die manier zou voor Duitsland waarschijnlijk meer voordeel te behalen zijn dan wanneer over elk punt aparte onderhandelingen moesten worden gevoerd. Behalve het verzachten van de Nederlandse eisen had Duitsland zelf ook wensen. Het wilde de geannexeerde gebieden terughebben en probeerde Nederland te bewegen tot een coulanter strafrechtelijk beleid ten aanzien van Duitse oorlogsmisdadigers.

In 1954 stelde de Bondsregering voor het eerst voor om gezamenlijk te proberen tot zo’n Generalbereinigung te komen. Aanvankelijk hield de Nederlandse regering de boot af. Zij vreesde dat het sluiten van een algemeen verdrag zou uitdraaien op een koehandel die niet paste bij het morele kader waarbinnen de onderhandelingen zouden moeten worden gevoerd. Nederland beschouwde West-Duitsland niet als een gelijkwaardige onderhandelingspartner, maar als een schuldig kind dat zijn mond moest houden, totdat de ouders hadden besloten hoe het zijn zonde kon goedmaken.

Maar begin 1957 kreeg Den Haag plotseling haast om op de Duitse uitnodiging in te gaan. De reden was dat in de Bondsrepubliek verkiezingen voor de deur stonden. Bondskanselier Konrad Adenauer (CDU) had in Nederland veel krediet opgebouwd als bereidwillige partner van het vrije Westen, maar zijn uitdager Kurt Schumacher (SPD) riep wantrouwen op met zijn streven naar hereniging van West- en Oost-Duitsland. Als Adenauer de verkiezingen zou verliezen, was de kans op een voor Nederland gunstige overeenkomst mogelijk verkeken.

Zo vond in april 1957 de eerste ontmoeting plaats tussen de delegaties van beide landen. Namens Nederland trad de katholieke oud-minister van Buitenlandse Zaken Johan Beyen op als onderhandelaar; Duitsland werd vertegenwoordigd door Erich Kaufmann. Algauw bleek dat Kaufmann, hoewel zelf van Joodse afkomst, tamelijk ongevoelig was voor de Nederlandse opvatting dat West-Duitsland een morele schuld had in te lossen. Hij stelde zich op als een harde onderhandelaar die voor zijn land het onderste uit de kan wilde halen.

Boven aan de agenda plaatste Beyen het geschil over de Nederlands-Duitse grens in het Eems-Dollardgebied. De Nederlanders wilden de Dollard inpolderen en in de Eemsmonding de oostelijke vaargeul afdammen, zodat schepen die naar de Duitse havenstad Emden voeren eerst de haven van Delfzijl zouden passeren. Volgens Bonn had Nederland geen zeggenschap over de Eems en de Dollard, en zou de rijksgrens vlak langs de Groningse kust lopen. Den Haag daarentegen trok de grens oostelijker, dwars door de rivierbedding.

Kaufmann was tot geen concessie bereid. Beyen ergerde zich dood aan diens ‘agressieve’ en ‘autoritaire’ manier van onderhandelen en voelde zich door Kaufmann, die professor was geweest, behandeld alsof hijzelf ‘een van zijn leerlingen was die een fout in zijn schriftelijk werk had gemaakt’. Al in augustus zag Beyen ‘geen heil’ meer in de besprekingen. Na 29 zinloze sessies verliet hij in januari 1958 definitief de onderhandelingstafel.

Om uit de impasse te komen benaderde Luns rechtstreeks zijn Duitse collega-minister van Buitenlandse Zaken Heinrich von Brentano. Die moest toegeven dat Kaufmann weinig rekening had gehouden met de psychologische gevoeligheden in de bilaterale verhoudingen. Kaufmann werd vervangen door Rudolph Lahr, terwijl Beyen als dank voor bewezen diensten ambassadeur in Parijs werd. Bovendien zouden de ministers van beide landen vanaf nu een oogje in het zeil houden.

Op 23 juni 1958 ontmoetten Luns en Von Brentano elkaar in Den Haag. Voordat de onderhandelingen over de Generalbereinigung konden worden hervat, zo deelde Luns mede, moesten Nederland en West-Duitsland het eens worden over de hoogte van de schadevergoedingen voor Nederlandse oorlogsslachtoffers. De minister vroeg in het kader van de Wiedergutmachung 125 miljoen mark. De Duitse minister van Financiën, Franz Etzel, bood niet meer dan 30 miljoen. Veel te weinig, vond Luns, en opnieuw sleepten de onderhandelingen zich voort. Het was aan bondskanselier Adenauer te danken dat Etzel uiteindelijk akkoord ging met het gevraagde bedrag.

Dat was een overwinning voor Luns, maar hij moest er een behoorlijke prijs voor betalen. Nu de Duitsers aan de Nederlandse voorwaarde hadden voldaan, was het hun beurt om druk uit te oefenen. Zoals Lahr in de zomer van 1959 aan zijn broer schreef, gold hij na het inwilligen van Nederlands hoofdwens als ‘de begripvolle onderhandelaar, die zich hardnekkigheid op andere punten kan veroorloven’.

West-Duitsland hield voet bij stuk in de Eems-Dollardkwestie en eiste nu bovendien alle door Nederland geannexeerde gebieden terug. Aanvankelijk wilde de Nederlandse regering alleen de grensdorpen Elten en Tudderen teruggeven, maar uit angst dat de Wiedergutmachungsregeling zou sneuvelen ging zij akkoord met het terugdraaien van 94 procent van de – meestal kleine – grenscorrecties. Wat de grenswateren bij Groningen betrof, kreeg Nederland niet meer gedaan dan dat er een gezamenlijk bestuur over de Eems zou komen, met ‘belangrijke garanties’ voor Delfzijl.

Als laatste grote geschilpunt stonden nu nog de herstelbetalingen op de agenda. In 1957 had Nederland iets meer dan 383 miljoen mark geëist. In de zomer van 1959 zakte Den Haag tot 290 miljoen, inclusief de 125 miljoen Wiedergutmachung en 17 miljoen aan investeringen in Elten en Tudderen. Nog steeds gaf het Duitse kamp geen krimp. Het was deze in Nederlandse ogen arrogante opstelling die Luns in woede deed uitbarsten. Opnieuw drong Adenauer bij minister Etzel aan op ruimhartigheid: de miljoenen voor Nederland zouden zichzelf wel terugverdienen. Uiteindelijk hamerden de onderhandelaars af op 275 miljoen mark.

Maar nu toverde Nederland nog een paar verrassingen uit de mouw. Den Haag presenteerde Herrn Bundesfinanzminister een rekening à 5 miljoen voor investeringen in de kleinere grenscorrectiegebieden, plus een post die cryptisch werd omschreven als ‘definitieve regeling van een verder in het financieel verdrag niet uitdrukkelijk genoemd schadegeval’. Het betrof gederfde inkomsten uit het Duitse familielandgoed van prins Bernhard. Bij de revolutie van 1918 had de Duitse staat het vruchtgebruik van deze grond afgekocht, maar de Lippe-Biesterfelds hadden de regeling aangevochten.

Volgens de Duitse justitie was er geen vuiltje aan de lucht. Maar nadat Bernhard persoonlijk in 1953 Adenauer ‘op zeer uitvoerlijke en onverbloemde wijze’ over zijn zaak had onderhouden, was deze toch bereid om over de brug te komen. Uiteindelijk betaalde de Bondsregering aan Bernhard 1 miljoen mark, die werden ‘verstopt’ in het totaalbedrag aan betalingen aan Nederland. Die kwamen daardoor definitief uit op 280 miljoen.

Zo kon 8 april 1960 het Algemeen Verdrag worden gesloten dat de Generalbereinigung tussen Nederland en Duitsland regelde. De Duitsers wilden de ondertekening opluisteren met allerhande ceremonies en feestelijkheden, maar Luns’ hoofd stond daar niet naar. Het verdrag was moeizaam tot stand gekomen en de minister vond dat Nederland aan alle kanten was
uitgeknepen door de Duitsers.

Ook de Raad van State was uiterst kritisch over het behaalde resultaat: ‘Tot hiertoe is het moreel en materieel schuldige volk blijkbaar bereid te gaan,’ schreef de raad bitter, ‘het volk van het Wirtschaftswunder en van het nationale inkomen per hoofd van de bevolking, dat hoger ligt dan dat van het Nederlandse volk.’ Ook de Tweede Kamer was teleurgesteld. ‘Verbazend krenterig,’ noemde Connie Patijn (PvdA) het Duitse aanbod. Volgens partijgenoot Johan Scheps had West-Duitsland Nederland ‘vernederingen’ aangedaan en waren de bilaterale verhoudingen ‘volkomen verknoeid’.

Sieuwert Bruins Slot (ARP) vertolkte het gevoel van de hele Tweede Kamer toen hij zei dat het Algemeen Verdrag ‘geen spoor [bevat] van enige poging tot het delgen van een morele schuld’. Daar zat voor Nederland de pijn: amper vijftien jaar na de Tweede Wereldoorlog leek de West-Duitse regering het besef te hebben verloren dat zij bij haar buren in het krijt stond. Luns bevestigde dat Duitsland zich had laten kennen als een ‘glasharde onderhandelingspartner’ en dat dit Algemeen Verdrag het ‘maximaal bereikbare’ was. Verder onderhandelen had geen zin.

Bovendien had Nederland veel belang bij goede relaties met de Bondsrepubliek. Staatssecretaris van Buitenlandse Zaken Hans van Houten wees erop dat ‘Duitsland nu eenmaal ons grote buurland is’, waar Nederland economisch en internationaal-politiek van afhankelijk was. ‘Als wij in redelijke verstandhouding met Duitsland verder willen leven,’ zo zei ook KVP-Kamerlid Jan Maenen, ‘dan kunnen wij dit verdrag niet verwerpen.’ Er restte de Tweede Kamer weinig anders dan het Algemeen Verdrag te ratificeren. Dat gebeurde op 20 februari 1963, met 84 tegen 23 stemmen, gevolgd door de senaat.

Door het harde Duitse spel rond de Generalbereinigung was Nederland hardhandig met zijn neus op de feiten gedrukt. Het was geen 1945 meer. (West-)Duitsland was weer een sterk en zelfbewust land dat – binnen de internationale kaders van NAVO en Europese samenwerking – in de relatie met andere landen op normale wijze opkwam voor zijn nationale belangen. Er bestond in Duitse politieke kringen zelfs een toenemende irritatie over de anti-Duitse toon die aan het Binnenhof te beluisteren viel.

De machtsverhouding tussen Duitsland en Nederland was altijd ongelijk geweest. Nederland hoopte na de bevrijding de balans om te draaien door zich te beroepen op het door de bezetting opgebouwde morele kapitaal. Het was een schok om te ontdekken dat dit kapitaal in de wereld van 1960 weinig tot niets meer waard was. Nederland was geen overwinnaar, maar een middelklein land dat de grote buurman in het oosten maar beter te vriend kon houden.


MEER WETEN?

Boeken
Dit artikel is gebaseerd op de studies van Friso Wielenga, die de naoorlogse relatie tussen Nederland en Duitsland intensief heeft onderzocht. In West-Duitsland: partner uit noodzaak (1989) beschrijft Wielenga de eerste tien jaren na de bevrijding van 1945. Van vijand tot bondgenoot (2000) trekt de lijn door tot het einde van de twintigste eeuw en gaat ook uitgebreid in op de Generalbereinigung van 1960.
In De Duitse buur (1996), onder redactie van Wielenga, worden de Nederlandse, Belgische en Deense relaties met Duitsland vergeleken. Ook was Wielenga mederedacteur van Kannitverstan? Deutschlandbilder aus den Niederlanden (1995), waarin de wijze waarop Nederlanders zich tot hun oosterburen verhouden vanuit verschillende gezichtspunten wordt bekeken. Frits Boterman volgt in zijn inaugurale rede Duitsland als probleem (1998) het Nederlandse wantrouwen jegens Duitsland terug tot in de negentiende eeuw.