Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

De machteloze Jacoba van Beieren

Door: Annemarie LavènHistorisch Nieuwsblad 3/2010

Het leven van Jacoba van Beieren was tragisch, zowel privé als politiek. Ze trouwde vier keer, maar haar huwelijken waren gedoemd te mislukken. Ze werd gedwongen haar graafschappen af te staan aan de hertog van Bourgondië. Hoewel Jacoba in het middelpunt stond van de Europese machtscentra, bleken haar mogelijkheden uiterst beperkt.

Jan Pieterszoon Coen 1587-1629

Bewonderd en inmiddels ook verguisd. Jan Pieterszoon Coen leeft in de herinnering voort als de stichter van Batavia, nu Jakarta, maar niet minder als de man die op bloedige wijze de Bandaeilanden onderwierp. Uit deze eerste wetenschappelijke biografie...

€ 39,90 | Koop nu


Paaszondag, 12 april 1433. Iedereen van enig gewicht uit de Hollandse ridderschap en steden luistert in Den Haag ingespannen naar de twee hoofdrolspelers van de grote vergadering: Jacoba, gravin van Holland, Zeeland en Henegouwen, en Filips, hertog van Bourgondië, beter bekend als Filips de Goede.

Ten overstaan van alle aanwezigen draagt Jacoba haar graafschappen officieel over aan haar neef Filips. In de oorkonde die de overdacht bezegelt verklaart Jacoba onomwonden dat het in het belang van het welzijn van haar landen is om ze in handen te geven van een machtig man met overwicht. Niemand is geschikter om deze taak op zich te nemen dan de hertog van Bourgondië.

Hoe kon het zover komen dat Jacoba niet alleen haar graafschappen, maar ook haar titel afstond aan haar grootste vijand?

Er leek geen vuiltje aan de lucht toen de trotse ouders Margaretha en Willem in 1406 hun vijfjarige dochter Jacoba uithuwelijkten aan een bijzonder goede partij: de tweede zoon van de Franse koning. Ook de bruidegom was net kleuter-af, maar dat was geen enkel bezwaar. Een strategische verbintenis kon niet vroeg genoeg gesloten worden.

De twee groeiden samen op en toen ze de leeftijd bereikten dat het huwelijk geconsummeerd kon worden was de verbintenis een feit. Toen de Franse kroonprins plotseling overleed, was Jacoba’s echtgenoot de eerstvolgende in de erfopvolging, waardoor zij koningin van Frankrijk zou worden. Wat een vooruitzicht!

Door Jacoba aan de Franse koningszoon uit te huwelijken werd een stevige band gesmeed tussen Frankrijk en de drie graafschappen Holland, Zeeland en Henegouwen. De kleine stukjes land, ingeklemd tussen de Duitse, Franse, Engelse en Bourgondische machtsblokken, waren een aantrekkelijke partij. Holland en Zeeland waren dichtbevolkt en economisch welvarend. Henegouwen lag strategisch, tussen de Bourgondische landen van de machtige hertog en de Duitse vorstendommen van de Roomse keizer. Deze graafschappen brachten geld in het laatje, door tolgelden, boetes en de opbrengst van het land, dus wie ze in handen kreeg was verzekerd van een continue inkomstenbron.

De man die het meest gealarmeerd was door de verbintenis met Frankrijk was Sigismund, koning – later keizer – van het Heilige Roomse Rijk. Formeel stonden de drie graafschappen namelijk onder zijn gezag en had hij als opperleenheer officiële zeggenschap over opvolgingskwesties.

Ook Jacoba’s oom, Jan van Beieren, keek met lede ogen toe hoe de Franse invloed steeds groter werd. Hij was bisschop-elect van Luik, dat wil zeggen dat hij nog niet gewijd was. Dat kon nog wel even wachten, want Jan had grotere ambities dan het bisschopsdom. Hij aasde op de graafschappen van zijn nichtje.

Jan van Beieren rook zijn kans toen kort na elkaar de twee belangrijkste mannen in Jacoba’s leven overleden: haar jonge echtgenoot en haar vader. In 1417 blies Willem zijn laatste adem uit, maar niet voordat hij zijn onderdanen in Holland, Zeeland en Henegouwen plechtig had laten verklaren dat zij zijn dochter Jacoba als wettige erfgename van de graafschappen zouden erkennen.

Het waren mooie woorden, maar die garandeerden helaas nog geen stabiele machtsbasis. Direct na Willems overlijden begon het getouwtrek om Jacoba’s erfenis. De gravin was nog lang niet klaar om de complexe intriges die onmiddellijk om haar heen ontstonden het hoofd te bieden. Met haar zestien jaren was Jacoba te jong voor haar taak; ze was weinig diplomatiek getalenteerd en had machtige vijanden.

Bovendien werd ze sterk beïnvloed door lieden in haar directe omgeving die allemaal een eigen agenda hadden, in de eerste plaats haar moeder Margaretha. Deze struise dame had haar sporen verdiend in de internationale diplomatie door herhaaldelijk conflicten tussen Franse en Bourgondische machtsblokken te sussen. Ze was vastbesloten haar dochter een minstens zo gewichtige rol te laten spelen. Tot het einde toe zou ze Jacoba sturen bij iedere beslissing die ze nemen moest.

Eén ding was voor iedereen duidelijk: Jacoba had dringend een nieuwe echtgenoot nodig die met krachtige hand haar landen kon bestieren. Al snel vond Margaretha een geschikte kandidaat: Jacoba’s neef Jan van Brabant. Achteraf gezien bleek de man een rampzalige keuze. Dat zijn hart niet bij staatszaken lag was een teleurstelling, maar veel gevaarlijker bleek dat hij makkelijk te beïnvloeden was, en volledig onder de plak kwam te zitten van Jacoba’s tegenstanders.

De negentiende-eeuwse schilder Eeckhout heeft de kerkelijke inzegening van Jacoba en haar tweede echtgenoot met veel fantasie verbeeld. Het lijkt een sprookjeshuwelijk, maar niets is minder waar. Om te beginnen was het de tweede keer dat Jacoba en Jan in de echt verbonden werden. Een maand voor het kerkelijke huwelijk waren ze al haastig in het wereldlijke huwelijksbootje gestapt. Maar om niet tegen de kerkelijke regels in te gaan volgde een maand na de huwelijksvoltrekking het kerkelijke huwelijk, gesloten in de Haagse hofkapel.

De haast was nodig om te voorkomen dat iemand gerede bezwaren tegen het huwelijk zou inbrengen, en die kans was maar al te groot. Om dit huwelijk hing een zweem van incest: Jacoba en Jan van Brabant waren elkaars volle neef en nicht, en die zonde kon alleen worden opgeheven door pauselijke toestemming. Het verzoek werd ingediend en toen na het lange wachten eindelijk het verlossende jawoord kwam, moest er snel getrouwd worden.

Een tweede pauselijke bul was namelijk onderweg; Jan van Beieren had niet stilgezeten. Bij de Rooms-koning Sigismund had hij zijn beklag gedaan. Hij beargumenteerde dat de verbintenis zou leiden tot vreselijke oorlogen en voerde aan dat niet Jacoba, maar hijzelf de wettige opvolger was van de overleden Willem VI. Sigismund zag hier wel wat in en stuurde een delegatie naar de paus. Dat had effect, want de paus trok zijn instemming in. Maar de nieuwe bul kwam te laat; het huwelijk was al gesloten.

Oom Jan had nog meer troeven in handen. Hij maakte handig gebruik van een oud, telkens opspelend conflict dat Holland en Zeeland al jarenlang in de greep hield en voor veel ellende zorgde: de Hoekse en Kabeljauwse twisten. Door de dood van Willem laaiden deze door alle rangen en standen heen snijdende partijstrijd weer hoog op.

Jan van Beieren stond in het kamp van de Kabeljauwen, Jacoba aan Hoekse zijde, in het kielzog van haar moeder, die als partijleidster van de Hoeken beschouwd werd. Echtgenoot Jan van Brabant stond vooral op het jachtveld. Terwijl zijn vrouw met groeiende wanhoop moest toezien hoe haar oom de ene succesvolle overwinning na de andere boekte, was Jan van Brabant nergens te bekennen. Jacoba beet vreselijk in het stof en kon niet anders dan een ongunstige vrede sluiten.

Het werd nog erger. Jan van Brabant werd dermate onder druk gezet door Jan van Beieren dat hij de graafschappen Holland en Zeeland aan hem verpandde voor een periode van twaalf jaar. In Henegouwen broedde Jacoba knarsetandend van frustratie op een tegenoffensief.

Allereerst moest ze van haar volstrekt incapabele man af. Dat haar huwelijk nooit de vereiste pauselijke goedkeuring had gekregen kwam Jacoba nu goed uit. Terwijl haar macht afbrokkelde – zelfs Henegouwen en Brabant verkozen Jan van Brabant als landsheer boven Jacoba – richtte Jacoba haar blik op de overkant van de zee: uit Engelse hoek was hulp te verwachten. Humphrey, hertog van Gloucester en broer van de Engelse koning, was de kandidaat met de beste kwalificaties om een Hollandse gravin zonder macht te hulp te schieten.

Jacoba kreeg een warme ontvangst in Engeland. Ze leefde er op stand en vermaakte zich aan het hof. Maar terwijl ze genoot van haar nieuwe leven, was ze officieel nog getrouwd met Jan van Brabant. Zelf ontkende Jacoba dat in alle toonaarden, want vanwege de te nauwe verwantschap met haar neef was het huwelijk immers niet meer geldig. Dat had de paus zelf gezegd. De huwelijksband vormde daarom geen hindernis om te trouwen met Humphrey.

Dit was natuurlijk koren op de molen voor haar tegenstanders. Hoe kon een overspelige gravin, die er diverse echtgenoten op na hield, nu een geschikte vorst zijn? Jacoba’s juristen gingen snel aan de slag om de argumenten voor de ongeldigheid van het huwelijk nog eens op een rijtje te zetten en wereldkundig te maken.

Het is niet toevallig dat in diezelfde tijd Jan van Beieren plotseling ernstig ziek werd en enige tijd later overleed. Hij was vergiftigd; de hoeken van zijn gebedenboek waren ingesmeerd met gif. De opdrachtgevers van deze geraffineerde aanslag moesten aan de Engelse kant van het Kanaal gezocht worden.

Met de dood van haar kwelgeest was Jacoba echter niet van haar problemen af. Holland en Zeeland weigerden Humphrey te erkennen en bleven Jan van Brabant trouw. Ook haar aanhang in Henegouwen was behoorlijk geslonken. Jacoba en haar derde echtgenoot hadden bovendien een nieuwe tegenstander, eentje van een ander formaat dan de overleden Jan van Beieren.

Filips, de nieuwe hertog van Bourgondië, ging zich actief met het conflict bemoeien. Humphrey moest het opnemen tegen een leger waarin, naast facties uit Holland, Zeeland en Brabant, ook Bourgondië vertegenwoordigd was. De enige hoop was steun uit Henegouwen, waar Jacoba’s moeder Margaretha een stabiele Hoekse machtsbasis had, maar dat bleek niet voldoende.

Humphrey gooide de handdoek in de ring. Hij keerde terug naar Engeland, samen met een lieftallige dame uit Jacoba’s hofhouding met wie hij verscheidene kinderen kreeg. Zijn claims op Jacoba’s titels liet hij voorlopig nog niet varen. De gravin zelf was ondertussen danig in het nauw gedreven. Jacoba werd belegerd in de Henegouwse stad Mons. Het stadsbestuur kreeg een simpele eis voorgeschoteld: lever Jacoba uit aan Filips, of de stad wordt bestormd.

Het stadsbestuur twijfelde geen moment en zette Jacoba met haar gevolg de stad uit. En dus toog de gravin naar Gent, waar Filips haar in verzekerde bewaring hield. Daar had ze geen andere keus dan een nieuw bericht van de paus af te wachten. De pauselijke rechtbank zou bepalen wie nu Jacoba’s wettige echtgenoot was: neef Jan van Brabant, of Engelsman Humphrey.

Vooral voor Filips was de uitslag van belang: in de tijd dat Jacoba gevangenzat in het Gentse stadspaleis, had haar (ex-)man Jan van Brabant opnieuw het bestuur over Holland en Zeeland voor een periode van twaalf jaar overgedragen – dit keer aan Filips. De hertog werd zodoende ruwaard van Jan van Brabant, en erfgenaam van Jacoba. Als de paus zou besluiten dat Jacoba’s huwelijk met Humphrey ongeldig was, had Filips’ boude machtsovername een juridische grond. Opnieuw had haar eigen man Jacoba’s erflanden verkwanseld.

Filips besloot dat hij zijn nichtje beter in Lille kon opbergen, ver weg van haar weliswaar magere, maar nog altijd levende Hoekse aanhang. Voor de wanhopige Jacoba was het nu of nooit. Ze trok mannenkleren aan en liep ongestoord de stad uit. Eenmaal buiten de stadsmuren jakkerde ze in het holst van de nacht naar het noorden, naar het strategisch gelegen Schoonhoven, waar haar Hoekse aanhang haar met groot enthousiasme binnenhaalde.

Jacoba’s spectaculaire ontsnapping was een klap in het gezicht van Filips. Het was een persoonlijke vernedering, maar erger was dat Jacoba’s aanwezigheid de Hollandse en Zeeuwse Hoeken nieuwe moed zou inblazen. En even leek het daar ook op. Jacoba deed haar uiterste best Holland ervan te overtuigen dat zij de enige rechtmatige vorst was, maar behalve in Gouda en een paar andere steden ving ze bot. De machtige Filips was niet zo’n slechte keuze voor de steden, zeker niet gezien de dreigende aanwezigheid van zijn legers.

Jacoba wachtte met smart op een teken van leven uit Engeland. Dat kwam uiteindelijk, maar niet met de overweldigende overmacht die ze graag gezien had. Een Engelse vloot (Humphrey bleef zelf in Engeland) bracht manschappen om Jacoba bij te staan. Het werd een kort, maar krachtig gevecht, waarbij het door Hoeken versterkte Engelse leger genadeloos in de pan werd gehakt.

Toch was de strijd nog niet gestreden. Drie jaar lang woedde de burgeroorlog. Vooral het platteland had vreselijk te lijden van de guerrilla-acties. De oorlogvoering kostte bakken met geld, en hele dorpen werden met de grond gelijkgemaakt.

In 1427 stierf Jan van Brabant, en even gloorden er nieuwe kansen voor Jacoba. Ze stuurde de vergadering van de steden van Holland en de grafelijke raad een brief om de hoge heren eraan te herinneren dat zij hun landsvrouwe was, en dat ze haar ooit als zodanig gehuldigd hadden. Maar Filips was haar een zet voor: hij schilderde Jacoba af als een onbekwaam bestuurder die het niet zo nauw nam met de huwelijkse moraal en haar landen verkwanselde, en beargumenteerde dat hij de enige geschikte bewindvoerder was.

Door de continue oorlogvoering was Jacoba in zware financiële problemen terechtgekomen. Bovendien was haar politieke steun nu volledig afgebrokkeld. Ze zag zich gedwongen met haar Engelse echtgenoot te breken en Filips als haar meerdere te erkennen. Met de Zoen van Delft in juli 1428 werden de nieuwe verhoudingen officieel vastgelegd.

Filips erkende Jacoba als gravin. In ruil gaf zij Filips het gouverneursschap over haar landen en benoemde hem tot haar erfgenaam. Om een nieuwe escalatie van de gevaarlijke partijstrijd te voorkomen verbood Filips iedereen om ooit nog de termen Hoek of Kabeljauw in de mond te nemen.

Jacoba had in Filips een te sterke tegenstander. De hertog beschikte over uitzonderlijke diplomatieke kwaliteiten, beter gezegd: hij was een intrigant van het eerste uur. Onder zijn leiding was het Bourgondische imperium flink uitgebreid en nam het een geheel nieuwe plaats in op de Europese staatkundige kaart.

Jacoba’s rol was definitief uitgespeeld en ze was zo goed als blut. In 1433 huwde ze voor de vierde keer. Deze keer was de rijke Zeeuwse edelman Frank van Borssele de gelukkige. Hij garandeerde haar ruim voldoende inkomsten om een welvarend leven te leiden, en misschien bloeide er wel echte liefde tussen beiden.

Zo leefde Jacoba nog enkele jaren in relatieve rust, totdat ze in 1436 aan de tering overleed. De gravin werd slechts 35 jaar oud. In haar testament had ze bepaald dat ze in Sint-Maartensdijk begraven zou worden. Maar evenmin als over haar leven had ze zeggenschap over haar dood: ze kreeg haar laatste rustplaats in de Haagse hofkapel.

De levens van Jan Six

De levens van Jan Six volgt de uit Amsterdam afkomstige elitefamilie Six door vier eeuwen heen. Regent Jan Six is vooral bekend van het portret dat Rembrandt van hem schilderde in de zeventiende eeuw. Hij kende iedereen in het zeventiende eeuwse...

€ 24,99 | Koop nu

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

E-book: Jan de Quay (1901-1985)

In de oorlog was Jan de Quay medeoprichter van de omstreden Nederlandsche Unie. Na de bevrijding werd hij minister van Oorlog en commissaris van de koningin van Noord-Brabant, maar hij werd vooral bekend als premier van het eerste naoorlogse kabinet...

€ 16,72 | Koop nu

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen