Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2010

De Martelaren van Gorcum

Door: Luc Panhuysen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Het staat bekend als een van de dieptepunten in de opstand tegen Spanje: de moord in 1572 op negentien katholieke geestelijken in Gorcum, op bevel van de roekeloze geuzenleider Lumey. Toch is het deze bloedige daad die het verzet tegen Spanje van moeizame plannenmakerij omzet in een slagvaardiger organisatie.


6 Juli, een nacht in het veelbewogen jaar 1572. Een vrachtschuit maakt zich los van de kade van Gorcum en glijdt de duisternis in. Aan boord een groepje franciscanen, twee pastoors en hun bewakers. De bewakers zijn vijandig. Het zijn watergeuzen, rauwe gasten met op hun kledij een vignetje met een bril erop. Ze lachen veelbetekenend dat de tocht naar Den Briel gaat.

Ruim een week eerder waren de watergeuzen voor Gorcum verschenen. Een eskader van dertien schepen had het stadje opgeëist voor de Prins van Oranje. De dag erna was de capitulatie gevolgd. De afspraak was dat niemand een haar zou worden gekrenkt, ook de inwoners van het franciscanenklooster en de priesters van Gorcum niet. Maar de overeenkomst werd onmiddellijk geschonden. De geestelijken werden mishandeld en in een onderaards hol gegooid.

En nu dus naar Den Briel. Opnieuw is het aardedonker. Den Briel is het hoofdkwartier van Willem van der Marck, graaf van Lumey. Lumey is de opperbevelhebber der watergeuzen. Dit heerschap lust papen rauw.

In het licht van de ochtend doemt eerst Dordrecht op. Het is vroeg en het is zondag, maar op deze rustdag des Heren staat op de kade al een menigte klaar om de opvarenden te overladen met scheldwoorden en fluimen. Veel hebben de mannen de mensheid niet misdaan. Een enkeling zal er een vriendinnetje op na hebben gehouden, een ander heeft hier en daar een koter verwekt. Hun grootste zonde is het simpele feit dat ze katholiek zijn.

De hertog van Alva is ook katholiek. Uit naam van zijn Spaanse God heeft Alva talloze protestanten en doopsgezinden laten oppakken en levend laten verbranden. Alle machteloze woede hierover wordt nu uitgestort over de Gorcummers.

Van Dordrecht naar Den Briel doet de schuit er nog eens een dag over. Het is zeven uur in de ochtend, normaal geen tijdstip waarop de graaf van Lumey interesse toont in de buitenwereld. Voor de gasten uit Gorcum maakt hij evenwel een uitzondering. Vanaf zijn paard monstert Lumey de gevangenen. Hij maakt geen erg evenwichtige indruk. Eerst loert hij met grimmige blik naar de verfomfaaide gestalten. Dan begint hij te lachen, steeds luider, tot hij schaterend zijn evenwicht verliest en achterover van zijn paard tuimelt.

Als Lumey al dronken wordt van het kwellen van papen, dan maakt hij zich nu op voor een delirium. Hij laat de Gorcummers opstellen in rotten van twee en in een schertsprocessie naar het centrum van Den Briel lopen. Onderweg knalt zijn zweep over hun ruggen. Eenmaal op het marktplein aangekomen, worden ze opnieuw onthaald door een tierende, speekselrijke menigte. Er staat ook een galg, waar ze driemaal omheen moeten lopen. Daarna worden ze in de gevangenis gegooid, in afwachting van wat Lumey nog meer voor hen in petto heeft.

De stadsraad van Den Briel heeft inmiddels genoeg gezien. Er zitten nu meer dan twintig mannen in het cachot en hun lot ziet er pikzwart uit. De heren regenten schrijven een expresbrief aan de Prins van Oranje met het verzoek het leven van de gevangenen te redden. Prins Willem reageert onmiddellijk. De volgende dag al brengt een bode zijn antwoord op het stadhuis, met het bevel de gevangenen vrij te laten. De brief valt echter in handen van een handlanger van Lumey.

Door Oranjes brief worden de geestelijken inzet van een conflict dat de Opstand tegen Spanje al een tijdje parten speelde. Wat later het begin van de Tachtigjarige Oorlog zou worden genoemd, was nog geen duidelijk gecoördineerde opstand, met een duidelijke leiding. Er waren wel plannen, maar die werden telkens ingehaald door spontane acties.

In dit stadium stonden, ietwat schematisch gesteld, twee vormen van rebellie tegenover elkaar. Aan de ene kant was er de impulsieve opstand, gevoerd door mensen die handelden uit woede en wrok. Deze lieden waren ongeduldig, avontuurlijk en hardhandig. Voor hen was Lumey de grote held. Aan de andere kant was er het verzet dat werd geleid ‘van bovenaf’: een bewerkelijke rebellie die zich bezighield met moeizame plannenmakerij, overleg tussen overheden en het verkondigen van religieuze verdraagzaamheid. Deze opstand stond onder leiding van de Prins van Oranje.

De twee versies bleken elkaar steeds duidelijker uit te sluiten. Eén van beide moest wijken. De lotgevallen van de mannen uit Gorcum dreef de rivaliteit op de spits, de uitkomst zou bepalend zijn voor het verloop van de Tachtigjarige Oorlog.

Willem II, graaf van Lumey (Lummen), was dertig jaar oud en erfgenaam van het oude geslacht Van der Marck, dat verschillende prins-bisschoppen aan het bisdom Luik had geleverd. Voordat de Opstand goed en wel was begonnen, had Lumey zich al ontpopt tot een rebel. Terwijl Willem van Oranje nog vroom het katholieke geloof beleed, was Lumey al overgegaan tot het calvinisme.

En in de tijd dat Oranje zich nog demonstratief onthield van geweldplegingen, had Lumey al een soort paramilitaire organisatie opgezet, de zogeheten ‘vossenstaarten’. Hij overviel dorpen en stadjes met zijn troep, herkenbaar aan op hun hoofddeksel bevestigde vossenstaarten. ‘Lumey de Vossenstaart’ luidde zijn bijnaam. Waar hij kwam moesten Spaansgezinden en geestelijken het ontgelden. De ene keer werd het slachtoffer achter een paard door de modder gesleurd, een andere keer met de strop om de nek gedwongen de paus af te zweren.

Door zijn familiebanden was Lumey verknoopt met belangrijke personages uit de vroegste fase van de Opstand. Hendrik van Brederode, een van de belangrijkste leden van het zogeheten ‘Verbond der Edelen’, was een volle neef. Lumey en Brederode waren fuifnummers, wapenbroeders in nachtenlange drinkgelagen. Lumey was tevens familie van Lamoraal van Egmont, behorend tot de adellijke top. Egmont, namens de Spaanse koning stadhouder van Vlaanderen en Artesië, was eveneens een sleutelfiguur in de aanstaande gebeurtenissen.

De eerste rimpelingen van georganiseerd verzet tegen de Spaanse overheersing waren zichtbaar geworden toen in 1565 het Verbond der Edelen werd opgericht. Hierin hadden de voornaamste leden van de lage adel zich verenigd om te protesteren tegen de vervolging van protestanten door het Spaanse gezag in Brussel. Het woord ‘geus’, waarmee Lumey bekendheid zou verwerven, bestond nog niet in het Nederlands.

Het werd geboren toen een jaar later, in 1566, dezelfde edelen het zogeheten ‘Smeekschrift der Edelen’ aan Margaretha van Parma, de landvoogdes in Brussel, kwamen aanbieden. Lumeys neef Brederode was leider van de delegatie. De landvoogdes zegde een grotere godsdienstvrijheid toe, maar ondertussen had een hoveling de delegatie van het Eedverbond net hoorbaar uitgemaakt voor ‘bedelaars’ – gueux in goed Frans. In goed Hollands werd dat ‘geus’.

De toon was gezet. Toen Brederode op zijn thuisreis Antwerpen aandeed, bleek dat het verhaal hem vooruit was gesneld. Duizenden burgers applaudisseerden voor hem toen hij voor herberg de Rode Leeuw uit het zadel sprong. Brederode werd bekend als de ‘Grote Geus’. Edelen begonnen als mascotte een kleine bedelnap aan hun riem te dragen.

Willem van Oranje deed aan al dat geuzengedoe niet mee. Hij behoorde tot de top van de Nederlandse adel. In 1544 was hem door vererving het prinsdom Orange in Frankrijk toegevallen, waardoor hij zich ‘Zijne Hoogheid’ mocht laten noemen. Zijn positie bij de Spaanse koning was prominent. Samen met de hertog van Alva behoorde Oranje tot de belangrijkste raadsmannen van koning Filips II. Prins Willem was bovendien ridder in de Orde van het Gulden Vlies, een buitengewoon illustere herensociëteit waarin de peilers van het Spaanse gezag zitting hadden.

Er was dan ook heel wat voor nodig voordat de prins tegen zijn vorst opstond. Net als alle andere Nederlandse edelen was Oranje tegenstander van Filips’ streven de staat te centraliseren. Die centralisatie ging namelijk ten koste van de adellijke privileges. Tevens was Oranje gekant tegen de harde belastingmaatregelen.

Maar bovenal verafschuwde hij de vervolging van protestanten. Al in 1564 had hij luid en duidelijk afstand genomen van Madrid: ‘Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen.’ Samen met Lamoraal van Egmont en de graaf van Horne had hij per brief geprotesteerd tegen de invoering van de inquisitie in Vlaanderen.

Het waren uiteindelijk gebeurtenissen buiten zijn invloed die Willem van Oranje dwongen tot handelen over te gaan. Allereerst was daar de Beeldenstorm in 1566, toen de haat tegen de katholieke kerk en koning leidde tot vernielingen van beelden en altaars. In een tweede Beeldenstorm maakten de vandalen geen onderscheid meer tussen de beelden en hun vereerders. De reactie van Filips wierp vervolgens olie op het vuur: hij stuurde de hertog van Alva met een leger van 60.000 soldaten naar de roerige regio. De Prins van Oranje wist dat hij nu moest kiezen.

Hij nam de wijk naar zijn stamslot Dillenburg, gelegen in het Duitse Nassau. Hier ontving hij berichten over het schrikbewind dat in de Lage Landen over de bewoners neerdaalde. Alva had een tribunaal ingericht, al snel de Bloedraad genoemd. Het jaar 1568 was aangevangen met de terechtstelling van 84 personen en de arrestatie van 1500 anderen. In Dillenburg vernam Willem dat hij door de Bloedraad als landverrader was gedagvaard. Hier ook hoorde hij dat Lamoraal van Egmont en de graaf van Horne, op last van Alva, in Brussel waren gearresteerd en onthoofd.

De Opstand kwam nu in een volgend stadium. Er moest iets worden ondernomen. Oranje zou zijn complete familiekapitaal spenderen aan de organisatie en uitrusting van een aantal veldtochten. Maar het waren niet zijn verrichtingen, noch die van zijn broers die het verzet tegen de ijzeren hertog momentum zouden geven, maar de onvoorspelbare acties van de roekeloze Lumey.

Op het moment dat Lumey zich verheugde op de terechtstelling van de Gorcumse geestelijken, was hij van een amokmakende dronkenlap opgeklommen tot een van de grootste voortrekkers van de Opstand. Wat was er in de tussentijd gebeurd?

Allereerst had zijn neef Brederode het veld geruimd. Even was de ‘Grote Geus’ de spil van de Opstand geweest, maar na een mislukte veldtocht was hij naar Duitsland gevlucht, waar hij in 1568 ontgoocheld zijn laatste adem uitblies. Op zich was de Prins van Oranje nu de meest voor de hand liggende leider van het verzet geworden, maar zijn militaire acties lieten te lang op zich wachten of zetten weinig zoden aan de dijk.

Een andere belangrijke ontwikkeling was dat het strijdtoneel zich had uitgebreid naar zee. Lumey had inmiddels, net als vele andere lagere edelen die voor Alva’s Bloedraad waren gedaagd, een veilig heenkomen gezocht op het water. Hier waren de Spanjaarden beduidend minder gevaarlijk dan op land. Ter zee kon de vijand veel effectiever worden bestreden. Uitgerust met kaperbrieven maakten deze edelen de scheepvaart voor vriend en vijand onveilig. De ‘watergeuzen’ waren een feit en Lumey werd door zijn energie en gedrevenheid hun natuurlijke leider. In 1571 werd de graaf officieel door de Prins van Oranje tot hun opperbevelhebber benoemd.

Lumeys belangrijkste wapenfeit vond plaats in het jaar hierna. Tot die tijd hadden de watergeuzen gebruik kunnen maken van de Engelse havens, waar ze ongrijpbaar waren voor de vijand. Maar Lumeys kapers veroorzaakten zoveel overlast dat koningin Elizabeth ze begin 1572 uit haar havens verbande.

In maart dat jaar voeren ze de Noordzee op en werden ze overvallen door een hevige storm. Toen de golven eindelijk tot bedaren waren gekomen, vonden de ruim twintig schepen zichzelf terug voor de kust van het eiland Putten, waar de contouren van het stadje Den Briel (Brielle) wenkten. Den Briel bleek geen soldaten binnen de muren te hebben. Zonder slag of stoot viel het stadje in handen van de watergeuzen. ‘Op 1 april verloor Alva zijn bril,’ luidde weldra een volksdicht. Lumey verstond de kunst van pr. Hij verwijderde de vossenstaart en liet bij zijn mannen een vignet met daarop een bril op hun kleding naaien.

Den Briel groeide uit tot een kapersnest, van waaruit bliksemaanvallen werden uitgevoerd op Spaanse stellingen. Door list, waaghalzerij en met hulp van de lokale bevolking vielen dat jaar verschillende Zeeuwse en Hollandse steden in handen van Lumey en zijn mannen: Vlissingen, Veere, Dordrecht, Delft – meer dan twintig steden en stadjes, waaronder dus ook Gorcum op 26 juni.
Steevast maakten Lumeys mannen daarbij jacht op geestelijken, of die de Opstand nu hadden gesteund of niet. De enkele keer dat Oranje daarvan te horen kreeg, richtte hij een vermaning aan Lumeys adres. Veel haalde dat niet uit. In 1572 zouden de watergeuzen tweemaal zoveel plaatsen veroveren als Willem van Oranje met zijn twee inderhaast uitgevoerde veldtochten. Lumey begon zichzelf te zien als de leider van de Opstand, en hij was de enige niet.

Als de opperbevelhebber der watergeuzen in het Brielse stadhuis de brief van de Prins van Oranje in handen krijgt, staat hij op z’n zachtst gezegd weinig open voor het bevel zijn katholieke gevangenen vrij te laten. Bij het lezen van de brief ontsteekt Lumey dan ook in woede. Deels is die woede gericht tegen zijn handlanger, die hem niet het origineel, maar een afschrift heeft gegeven.

Maar het werkelijke doelwit van zijn uitbarsting is natuurlijk die bemoeial van een Oranje. ‘Welke bevelen heb ik van de Prins van Oranje te ontvangen?’ roept Lumey woedend. ‘Zou het niet beter passen dat ik over hém het bevel zou voeren?’ Als de Gorcumse geestelijken al een kansje hadden, dan is dat nu verkeken.
Inmiddels hebben familieleden van de geestelijken geld verzameld om hen vrij te kopen. Lumey is echter niet geïnteresseerd in geld. De volgende dag organiseert hij een dispuut, een religieuze redetwist, bedoeld om de papen in het aangezicht van de dood van hun geloof te laten vallen. De franciscaan Claas Pieck heeft zich in afgelopen dagen opgewerkt als morele leidsman van de gevangenen. Hij reageert smalend op de bekeringspoging. Moet hij nu ineens een ‘vals en ketters geloof’ aannemen? ‘Dat is toch al te dwaas. Eens zal de dood mij toch verrassen.’ Slechts twee gevangenen kiezen eieren voor hun geld, onder wie Hendrik, een lekenbroeder van slechts achttien lentes.

Rond middernacht laat Lumey de gevangenen uit de stad leiden en naar Rugge brengen, even buiten Den Briel. Daar voegt de jeugdige Hendrik zich weer bij het gezelschap – hij heeft berouw gekregen van zijn keuze. In Rugge staan de resten van een afgebrand regulierenklooster, met ernaast een turfschuur. Lumey is zelf niet van de partij, maar de afwikkeling geschiedde in zijn geest.

Binnen hangen al enkele stroppen aan de balken. Er wordt nog een allerlaatste poging gedaan de geestelijken aan de moederkerk te ontfutselen. Voor de laatste maal kunnen ze het leven redden door de paus af te zweren. Opnieuw krijgt Hendrik het te kwaad; hij liegt twee jaar van zijn leeftijd af, waardoor de geuzen hem te jong achten voor de strop. Hendrik moet toezien hoe de negentien anderen worden gehangen, Claas Pieck als eerste.

Tien dagen na de moord op de negentien van Gorcum vindt in Dordrecht de eerste Statenvergadering van Holland plaats. Bij deze eerste vrije bijeenkomst van de opstandige steden wordt Willem van Oranje tot stadhouder van Holland benoemd. Ook worden er bepalingen opgesteld die een einde moesten maken aan de wreedheden en onbeteugelde wraaknemingen van Lumey.

De Prins van Oranje zal nog het nodige te stellen krijgen met de graaf. Pas als Lumey eind 1572 een zware militaire nederlaag lijdt, kunnen effectief stappen tegen hem worden ondernomen. Begin 1573 wordt hij uit zijn functies ontheven en gevangengezet. Hij wordt vrijgelaten, maar blijft een intense wrok koesteren jegens Oranje. In 1577 overlijdt hij, waarschijnlijk door vergiftiging, en nadat hij is teruggekeerd in de schoot van de moederkerk. Zijn erflanden lagen in katholiek Spaans gebied, en nu de Opstand hem min of meer had uitgespuugd was hij maar weer een grootgrondbezittende graaf geworden.

De negentien slachtoffers van Lumey zouden postuum een glansrijke carrière doorlopen. Katholieken bleven nog lang een benarde minderheid in de Lage Landen. Voor hen werden de negentien lichtende bakens in de duisternis. In 1675 vond hun zaligverklaring door de paus plaats. In 1867 werden de martelaren officieel heilig verklaard. Den Briel groeide uit tot een bedevaartsplaats.