Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 10/2009

‘Ontziet uw vijanden niet, God is met ons’

Jan Pieterszoon Coen (1587-1629)

Door: Luc Panhuysen
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia, was de belichaming van de VOC-mentaliteit: ondernemingsgezind, doortastend en meedogenloos. De Heren XVII keken met walging naar Coens bloedbesmeurde handen, maar deden zich wel te goed aan de rijkdommen die hij hielp binnenhalen.
Batavia bestaat nog geen tien jaar wanneer zich in 1628 donkere wolken boven haar pannendaken verzamelen. Sultan Agoeng van Mataram wil de stad van de aardbodem vagen. Bijna heel Java heeft hij inmiddels onderworpen, alleen Batavia biedt nog weerstand. Nu de rijstoogst is binnengehaald, laat de sultan in alle dorpen de gong slaan. Binnen een paar weken heeft hij een immens leger.

Batavia heeft een handjevol soldaten binnen de muren. De Matarammers zijn met tienduizenden: tanige kerels gekleed in lendendoeken en bewapend met krissen en speren. Uit voorzorg branden de Nederlanders een groot deel van de stad plat en verschansen zich in het fort. De Matarammers zetten hun stormladders tegen de muren en klauteren omhoog.

Dit is voor de kanonniers het signaal. Vanaf de bolwerken buldert het geschut en knetteren de musketten. Na iedere stormloop ligt tussen de versplinterde ladders een wirwar van verminkte lichamen. De Nederlanders houden stand dankzij hun superieure bewapening en strakke discipline. Als na een paar maanden de honger toeslaat in de gelederen van Mataram, moet de sultan de aftocht aanvaarden. Voorlopig is Batavia gered.

De verdediging van Batavia stond onder bevel van Jan Pieterszoon Coen. Hij was de stichter van de stad, die in een paar jaar was uitgegroeid tot het bruggenhoofd van de Verenigde Oostindische Compagnie (VOC) in de rijke, maar vijandige Indonesische archipel. Dankzij Coen hadden de Hollanders het al die tijd in deze slangenkuil kunnen uithouden. Jarenlang had hij de ene koning tegen de andere uitgespeeld. Telkens hadden de Engelsen en Portugezen het nakijken. En ieder jaar hadden zijn opdrachtgevers in het verre Holland, de Heren XVII, vette cijfers in hun boeken kunnen noteren.

Maar het Nederlandse bolwerk was in 1628 allesbehalve veiliggesteld. Coen wist dat de sultan het er niet bij zou laten zitten. Hij wist ook dat de Heren XVII hem weliswaar soldaten hadden beloofd, maar dat hij hoogstwaarschijnlijk weer op zijn eigen inventiviteit en meedogenloosheid was aangewezen. Het behoud van Batavia en de koloniale toekomst van Nederland hingen af van deze ene man.

Jan Pieterszoon Coen was in 1587 ter wereld gekomen in de stad Hoorn, een handelsstad pur sang. Zijn vader was koopman, dus het gezin was bekend met het gegeven dat de wereld niet ophield bij Texel. In Hoorn was het beroemde fluitschip uitgevonden, een wonder van vernuft dat een maximaal laadvermogen paarde aan minimale tol- en personeelskosten.

Jan Coen was een jaar of vijf toen hij hoorde dat Hoornse schippers de piraten bij Gibraltar hadden getrotseerd om graan uit de Baltische Zee te verhandelen in Italië. Ze waren thuisgekomen met fabelachtige winsten. Vader Coen besloot zijn jongen naar Italië te sturen om er de kunst van het nieuwe boekhouden te leren.

Jan was dertien toen hij aankwam in Rome, een streng gereformeerde knaap in de meest pronkerige stad van het katholicisme. Hij liet zich niet gek maken. Na zes jaar studie keerde hij huiswaarts. Hij was nu thuis in de kunst van het dubbele boekhouden, waardoor hij een perfect overzicht kon houden van uitgaven en inkomsten. Boekhouder zou hij zijn hele leven blijven, met een scherp oog voor detail en een talent voor winstmaximalisatie.

Vier jaar later vertrok Coen op een reis die zijn leven voorgoed zou veranderen. Als onderkoopman ging hij op het schip de Hoorn mee naar het verre Indië. De landrot die was gaan houden van zijn cijferkolommen, maakte kennis met de woelige elementen en met tuig van de richel. Het werd een indringende ontmoeting.

Samen met de kapitein, de stuurman en de opperkoopman vormde hij het gezag aan boord. Ze sliepen achter de mast, in kleine kamertjes. Het woonoord van de bemanning, 110 zeelui en 30 soldaten, bevond zich vóór de mast, tussen de kanonnen, vaten en scheepskisten. Weldra nam de irritatie in het overvolle scheepsruim toe, aangewakkerd door de rap dalende kwaliteit van het schaarse voedsel. Er krioelden maden in het water; wie niet behoedzaam tussen zijn tanden dronk slikte wormen door.

Toen drie maanden later de Kaapverdische Eilanden in zicht kwamen, brak het moment aan om recht te spreken. Een soldaat die een moord had gepleegd werd door de scheepsraad, waarvan ook Coen deel uitmaakte, veroordeeld tot kielhalen – een bewerkelijke en aanschouwelijke straf. Driemaal werd de soldaat met een touw onder het schip door gesleurd; daarna werd hij naar een onbewoond eilandje geroeid om in stilte het restant van zijn dagen te slijten. Onderkoopman Coen merkte op dat het ineens een stuk rustiger was voor de mast.

Tijdens deze reis maakte Coen nog iets mee wat zijn leven tekende. De Hoorn maakte deel uit van een bescheiden vloot van dertien schepen onder leiding van admiraal Verhoeff. Na bijna een jaar onderweg te zijn geweest, bereikte de vloot de Straat van Malakka. Behoedzaamheid was geboden. Weliswaar had de VOC hier al enkele kantoren, maar de Portugezen met hun inlandse bondgenoten waren oppermachtig.

Voort ging de reis, naar het uiteindelijke doel: de Banda-eilanden en de Molukken. Op de weelderige eilanden werden respectievelijk nootmuskaat en kruidnagel verbouwd. Verhoeff moest het handelsmonopolie op deze producten zien te verkrijgen. De onderhandelingen met de plaatselijke vorsten verliepen moeizaam. Verhoeff liet tegen hun zin alvast beginnen met de bouw van een fort. Alles leek goed te gaan, totdat Verhoeff op Banda in een hinderlaag liep en werd vermoord.

De moord vormde het sluitstuk van Coens leerjaren. Behalve het streven naar handelswinsten nestelde zich in zijn geest een diepe haat tegen de Bandanezen. Ooit zou de boekhouder het de eilanders betaald zetten.

Coen was vier jaar buitengaats geweest toen hij weer in Hoorn op de kade stapte. Aan wal schreef hij een rapport over de ongekende mogelijkheden voor Nederland in de exotische archipel. De Heren XVII waren geïmponeerd en benoemden hem tot opperkoopman. Een jaar na thuiskomst voer hij alweer uit, nu met twee schepen onder zich. Met een gunstige wind bovendeks en een goede tucht benedendeks bereikte Coen een jaar later het eerste Nederlandse kantoor op Bantam. Het was uitgebrand.

Ook andere VOC-vestigingen waren door de Portugezen of hun bondgenoten verwoest. Weer andere waren vervallen omdat de Nederlanders de pakhuizen hadden omgebouwd tot hoerenkasten en ze de godganse tijd dronken waren. Op de Molukken was de situatie niet veel beter. De eerste poging tot volksplanting van de VOC op Ambon joeg de inlanders tegen zich in het harnas. ‘Van zulke slechte planten,’ schreef Coen naar het VOC-hoofdkantoor, ‘kan men geen goede vruchten verwachten.’

Zijn visie begon vaste vormen aan te nemen. Coens opzet bestond uit drie onderdelen. Ten eerste diende de Compagnie serieus werk te maken van de volksplantingen. Hij had geen behoefte aan de gebruikelijke toevloed van maatschappelijke mislukkelingen en avontuurzoekers, maar, zo schreef hij naar huis, aan ‘eerlijke, vrome, arbeidzame en nederige mannen en vrouwen’. Ten tweede had de Compagnie een vast bolwerk nodig, van waaruit de handelsstromen konden worden gecoördineerd en bewaakt. Want behalve de Portugezen lieten ook de Engelsen zich steeds vaker zien.

Ten slotte moest de Compagnie eens serieus werk gaan maken van haar strategie om de specerijenhandel te monopoliseren. De te behalen winsten waren duizelingwekkend. Nootmuskaat groeide uitsluitend op Banda, kruidnagel kwam alleen voor op de Molukken. Nu was het moment om toe te slaan, wist Coen. Als de Nederlanders hun schepen en wapens slim inzetten, waren ze de Portugezen en Engelsen voor. Daartoe waren vaartuigen nodig, wapens en soldaten. De VOC moest keuzes maken. Als ze dezelfde keuzes maakte als hij, hield hij de Heren XVII voor, waren de mogelijkheden onbegrensd.

Coens verhouding met het hoofdkantoor was een merkwaardige. Welbeschouwd was hij een ondergeschikte van de Heren XVII. Die heren, schatrijke kooplieden en regenten in het verre Nederland, namen de besluiten en niemand anders. Coen bedolf hen onder kritiek. Hij verweet hun krenterigheid en gebrek aan durf en visie.

Zinnen als deze vloeiden uit zijn pen: ‘Men zou haast zeggen dat de Heren willens en wetens hun eigen welstand verminderen, want er komen geen schepen of het ontbreekt aan ervaren zeelui, ambachtslieden, munitie, levensmiddelen en scheepsbenodigdheden.’ Ondanks zijn kritiek maakte Coen razendsnel carrière. In 1613 werd hij benoemd tot directeur-generaal, de op een na hoogste functie in Indië. In 1618 volgde de promotie tot gouverneur-generaal.

In het jaar na zijn benoeming tot gouverneur-generaal schreef hij een belangrijk wapenfeit op zijn naam. Op zoek naar de beste plek voor een vast steunpunt was zijn blik gevallen op de stad Jacatra op Java. De havenplaats was in handen van de Bantammers en Coen wilde de Nederlandse aanwezigheid versterken door de bouw van pakhuizen en een complex dat in niets verschilde van een fort.

Zijn activiteiten wekten alom argwaan. De vorst van Jacatra begon zijn stad te versterken. Tot woede van Coen bleken ook de Engelsen ineens in de weer met de aanbouw van een versterking, ‘een batterij recht voor onze neus’. Hij besloot tot de aanval. Hij verwoestte de bouwput en alle Engelse bezittingen. Maar een paar dagen later kwamen de Engelsen terug met een vloot van elf schepen.

De gouverneur-generaal besloot hulp te gaan halen. Een kleine bezetting moest de Engelsen buiten de stad houden; hij ging ondertussen versterking halen uit de Molukken – een maand heen en een maand terug. Toen hij met hulptroepen ter plekke kwam, bleek dat de Engelsen niet hadden doorgepakt. Coen deed dat wel.

Eind mei 1619 trokken de Nederlanders Jacatra binnen. De verovering verliep nagenoeg geweldloos; wel ging de stad in vlammen op. Op de sintels van Jacatra bouwde Coen een nieuwe stad. Graag had hij die Nieuw-Hoorn genoemd, naar zijn geliefde geboortestad. Het werd Batavia. Batavia werd een samenvatting van Hollandse steden, compleet met grachten, ophaalbruggetjes en gevelwoningen. Niets kon een massale immigratie uit Nederland nu nog in de weg staan, zeker het nieuwe fort niet, dat tien keer zo groot was als het oorspronkelijke.

De Heren XVII hadden zich altijd warme voorstanders getoond van het principe van een monopolie. Het was helaas bij woorden gebleven, vond Coen. Hij zou de daad bij het woord voegen. Kerngebied van het beoogde monopolie waren de Molukken en de daaronder gelegen eilandengroep Banda.

Om de handel te controleren, en dus sluikhandel te smoren, legde Coen een stelsel van forten aan. Dit vereiste soldaten, en dus: migranten uit het verre Nederland. Bij gebrek daaraan nam de gouverneur inlanders in dienst, maar ook buitenlanders, bijvoorbeeld Japanse samoerai. In 1619 begon hij met het veroveren van de specerijeilanden. Op de Molukken verliep deze operatie vrij gemakkelijk.

De Banda-archipel was een ander verhaal. Wie per schip de eilanden naderde, rook de nootmuskaat al voordat de eerste bergtop boven de horizon verscheen. Muskaat was in Europa goud waard. Het werd gebruikt als specerij en was geliefd als medicijn tegen tal van kwalen. Coen wilde het verzet van de Bandanezen voorgoed breken. Dat zij van hun vrijheid hielden, had de moord op admiraal Verhoeff al duidelijk laten zien. Bovendien wilden ze zich de muskaatnoot, overal op de Indonesische eilanden als wettig betaalmiddel geaccepteerd, niet laten afnemen. Geweld was de enige oplossing, aldus Coen: ‘Ontziet uw vijanden niet, God is met ons.’

In januari 1621 ankerde hij met een aanzienlijke vloot voor Lonthor, het grootste eiland. Veertig compagnieën peddelden in sloepen naar het strand, versterkt met samoerai, om, zoals een hedendaags historicus het noemt, ‘een van de ergste moordpartijen uit de geschiedenis van de VOC’ ten uitvoer te brengen. Duizenden mannen, vrouwen en kinderen vonden de dood.

Honderden Bandanezen werden als balen in scheepsruimen gestouwd om op de slavenmarkt te worden verkocht. De samoerai ontfermden zich over ruim veertig dorpsoudsten; hun hoofden werden op bamboespiesen gestoken. Mensen vluchtten de bergen in, leden honger en stierven door ziekte. Aan het einde van de operatie waren van de oorspronkelijke bevolking van 15.000 inwoners nog slechts enkele honderden Bandanezen in leven.

Toen de Heren XVII vele maanden later van de slachting vernamen, reageerden ze geschokt. Maar de Banda-eilanden waren van de VOC. En de concurrentie had het nakijken. Het nagenoeg ontvolkte eiland werd in kavels verdeeld en aan kolonisten gegeven, die de nootmuskaatproductie ter hand namen.

Reeds in 1620 had Coen te kennen gegeven naar Nederland te willen terugkeren; in 1623 was het zover. In januari van dat jaar werd hij in Amsterdam binnengehaald als een held. Hij zou drie jaar in patria blijven. Hij trouwde er met de lieftallige Eva Ment. Verder maakt hij ruzie met de Heren XVII. Coen eiste erkentelijkheid voor betoonde ijver – erkentelijkheid in klinkende munt. Hij wist aan beloningen en emolumenten een bedrag van een ton goud bijeen te krijgen.

Zijn verblijf maakte duidelijk dat zijn visies en die van de Heren XVII over het beheer van de wingewesten uiteenliepen. Coens harde hand werd niet geapprecieerd. Hij begon intens te walgen van zijn opdrachtgevers, die verwijtende blikken wierpen op zijn met bloed besmeurde handen, maar zich wel te goed deden aan de rijkdommen die hij hielp verdienen.

De meningsverschillen waren onoverbrugbaar. Niettemin vroegen de Heren XVII hem om opnieuw gouverneur-generaal te worden. In Holland zat niemand op Coen te wachten. In 1627 vertrok hij naar de wereld waar men hem wel nodig had.

Direct bij terugkomst in Batavia bleek hoe nodig. Batavia was in Coens afwezigheid afgegleden tot Babylonische liederlijkheid. Overal dronkenschap, vernielzucht in moskeeën, Hollanders die zich vergrepen aan Javaanse meisjes. Bovendien had sultan Agoeng van Mataram niet stilgezeten. Mataram was nu veruit het sterkste rijk op het eiland Java. Coen was net op tijd terug om zijn stad in gereedheid te brengen voor de aanval van Agoeng.

In 1628 was Coen er nog betrekkelijk gemakkelijk in geslaagd Batavia te behouden. De kanonnen hadden effectief afgerekend met de pover bewapende Matarammers. Maar in 1629 volgde een veel groter offensief. Sultan Agoeng had nu 100.000 man onder de wapenen. Deze keer beschikte hij bovendien over olifanten, twee kanonnen en een aantal van de Engelsen gekregen musketten. Zijn mannen hadden al het water in de omgeving vergiftigd. Tot overmaat van ramp werden de Nederlandse gelederen uitgedund door ziekte. In de straten van Batavia waarde de ‘rode loop’: dysenterie.

Coen had het massale offensief niet gelaten afgewacht. Al een paar maanden eerder was hij in actie gekomen – een beslissing die uiteindelijk de redding van de stad zou blijken te zijn. Een gezant had zich aan de poort gemeld met een vredesvoorstel, maar Coen had onraad geroken. Hij was uitstekend geïnformeerd en wist zodoende dat uitgerekend deze gezant in de havens aan de noordkust enorme rijstvoorraden had opgekocht.

De man werd meegesleurd naar de martelkamer, en zowaar: de rijstvoorraden bleken bedoeld om een aanvalsleger te voeden. Direct daarop had Coen een eskader uitgezonden dat de voedselvoorraden vernietigde. De gouverneur wist daarom dat de aanval die zich nu met olifantgetrompetter en kanonsalvo’s aankondigde weldra moest haperen. Hij zou gelijk krijgen. Het enorme leger van de sultan kreeg te kampen met hongersnood.

Maar inmiddels maakte de rode loop in het van ratten en ander ongedierte vergeven fort honderden slachtoffers. In de tweede week van september – Coens vrouw was een paar dagen eerder bevallen van een meisje – kreeg de gouverneur zelf de ziekte onder de leden. Aanvankelijk zag het er vrij onschuldig uit. Maar in de nacht van 20 op 21 september 1629 stierf hij, 42 jaar oud.
Zo vond Jan Pieterszoon Coen de dood in het Batavia dat hij acht jaar eerder had gesticht. Zijn schepping zou hem echter overleven. Een dag na Coens dood arriveerde zijn opvolger, Jacques Specx, met een geduchte vloot. Hierdoor waren Batavia en Indië gered. Het bruggenhoofd dat Jan Pieterszoon Coen met bruut geweld had gevestigd en de imperiale visie die hij met taaie volharding had nagejaagd, hadden de basis gelegd voor een koloniaal rijk dat het langer dan driehonderd jaar zou uitzingen.

Toen premier Balkenende een poosje geleden argeloos het woord ‘VOC-mentaliteit’ liet vallen, dachten historisch beter onderlegden ogenblikkelijk aan de combinatie van doortastendheid en meedogenloosheid van Jan Pieterszoon Coen. Zonder zo’n mentaliteit sticht je geen koloniën.

Welkom bij Historisch Nieuwsblad!

Maak nu gratis kennis met de journalistiek van Historisch Nieuwsblad. In dit dossier hebben wij de mooiste verhalen uit ons archief voor u gebundeld. Lees bijvoorbeeld welke kant van Martin Luther King Amerika liever vergeet, waarom de Slag om Arnhem faliekant mislukte en hoe Willem van Oranje slim gebruikmaakte van propaganda.