Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 9/2005

'Het staat niet meer om liberaal te zijn'

De vooruitgang

Door: Marianne Wilschut
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
De negentiende eeuw wordt wel eens omschreven als de eeuw van het liberalisme. In de eerste helft van de twintigste eeuw raakte de stroming echter op zijn retour. Sinds de invoering van het algemeen kiesrecht in 1918 heeft Nederland geen liberale premier meer gehad. De teruggang van de liberalen is echter niet alleen terug te voeren op het algemeen kiesrecht, meent historicus en VVD’er Patrick van Schie. 


Toen de liberalen bij de verkiezingen van 1937 niet meer dan vier van de honderd zetels wisten te behalen, schreef Het Liberale Weekblad over dit teleurstellende resultaat: ‘Hetgeen wij tegen hebben waarde geestverwanten, dat is de mode. Het staat niet meer om liberaal te zijn.’ Hiermee sloeg het blad de spijker op zijn kop, meent Patrick van Schie, directeur van de Teldersstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD.

Van Schie, die onlangs promoveerde op de geschiedenis van de voorlopers van zijn partij, constateerde dat de liberalen er moeite mee hadden om in de nieuwe tijdgeest hun draai te vinden. Daardoor slaagden ze er niet in de kiezers een duidelijk eigen gezicht te presenteren.

Stond in de negentiende eeuw het individu nog centraal, in de eerste helft van de twintigste eeuw zag men meer toekomst in grotere, organische verbanden. Ook verwachtte men heil van een maatschappij waarin de staat zich meer met de burgers bemoeit. Mede hierdoor wisten de confessionelen en socialisten sterke zuilen op te bouwen. De liberalen, die sowieso niets van die hele verzuiling moesten hebben, raakten onderling juist verdeeld over zaken als staatsbemoeienis en de rol van godsdienst in de samenleving.

In 1901 hadden de vrijzinnig-democraten zich afgesplitst van de liberalen. Zij gingen verder als Vrijzinnig Democratische Bond (VDB) en profileerden zich als een brugpartij tussen de liberalen en sociaal-democraten. De overgebleven liberalen organiseerden zich in de Liberale Unie (LU) en de Bond van Vrije Liberalen (BVL). De vrijzinnig-democraten en de liberalen trokken echter nog wel af en toe gezamenlijk op in de verkiezingen. Het kabinet dat premier Cort van der Linden in 1913 formeerde stond formeel los van de partijen, maar was in feite een kabinet van liberalen en vrijzinnig-democraten.

Dit kabinet maakte een einde aan de schoolstrijd en de kiesrechtstrijd. Deze uitruil met de confessionelen – de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder onderwijs tegen de invoering van het algemeen mannenkiesrecht – wordt ook wel de Pacificatie genoemd. ‘De meeste historici gaan ervan uit dat de ruil voor beide partijen bevredigend was,’ zegt Van Schie. ‘Maar dat was hij voor veel liberalen allerminst. Zij zagen met lede ogen hoe het openbaar onderwijs, dat het kind zelfstandig wilde leren nadenken, werd verdrukt.

Ook de vervanging van het districtenstelsel door het stelsel van evenredige vertegenwoordiging met partijlijsten was tegen het zere been van veel liberalen. Zij vreesden dat de directe band van kiezers met individuele Kamerleden zou worden vervangen door een stelsel waarin partijbonzen in plaats van de kiezers gingen uitmaken wie er in de Kamer kwam.’

De teleurstelling over de grondwetsherziening van 1917 en onvrede over de gevolgen van de Eerste Wereldoorlog waren een voedingsbodem voor nieuwe liberale splinterpartijen. Deze fuseerden in 1921 met de LU en de BVL. ‘Deze Vrijheidsbond wilde elk wat wils bieden en stelde daardoor slappe compromissen op,’ vindt Van Schie. Ook ging zij de concurrentie aan met de confessionelen door christelijke kiezers voor te houden dat die ook bij haar terechtkonden. Daarnaast stemde de partij tijdens de crisis van de jaren dertig in met protectionistische maatregelen om de economie te beschermen. Dit tot ongenoegen van een deel van de achterban.

‘Al deze factoren maakten dat de stroming zijn gezicht verloor en vanaf 1918 steeds meer zetels kwijtraakte,’ analyseert Van Schie. ‘Het was echter niet zo dat het liberalisme voor de gewone man niet aantrekkelijk was. Bij de verkiezingen van 1913 scoorden de liberalen bijvoorbeeld goed in arme Drentse kiesdistricten.’

P. van Schie, Vrijheidsstreven in verdrukking. Liberale partijpolitiek in Nederland 1901-1940, 504 p. Boom, euro 35,00