Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2009

De middernachtzending strijdt tegen prostitutie

Keer terug, keer terug!

Door: Martijn Blekendaal
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Avond aan avond posten de middernachtzendelingen om bezoekers van prostituees op hun schreden terug te laten keren. Met succes. Onderzoeken bevestigen wat de Middernachtzendelingen al jaren verkondigen: de gereglementeerde prostitutie werkte misstanden (koppelarij en vrouwenhandel) in de hand. De Wet tot bestrijding van zedeloosheid maakt een eind aan de legale bordelen in Nederland.


Van Haarlem naar de hel was omstreeks 1888 hemelsbreed zo’n dertig kilometer. Althans, in de ogen van de protestantse prostitutiebestrijders Gerard Velthuysen en Johannes van der Steur. Nergens woekerden zonde en zedeloosheid zo wellustig als in Amsterdam.

Natuurlijk, ook Haarlem had straatjes en stegen waar mannen in de verleidelijke val van de prostituee verstrikt raakten. Velthuysen en Van der Steur stonden daar per slot van rekening niet voor niets al sinds begin jaren tachtig avond aan avond op bordeelbezoekers in te praten: ‘Keer terug, keer terug, want de lippen der vreemde vrouw druppen honingzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie…’

Maar in Amsterdam, nog geen dertig kilometer van Haarlem, leek de duivel pas echt de lakens uit te delen. Dus lag het voor de hand dat de twee zedenpredikers hun nachtelijke zendingswerk in het najaar van 1888 naar de hoofdstad van het land verlegden.

Begin oktober arriveerden de twee zendelingen in Amsterdam. Velthuysen zou het zich jaren later nog herinneren: ‘Huivering en afgrijzen en, laat ik maar eerlijk zeggen, angst vervulden Van der Steur en mij bij wat toen te aanschouwen viel. Die Zeedijk met z’n zijstraatjes en steegjes, met weerzinwekkende vrouwen op wier gelaat de zonde geteekend stond, dat brutaal optreden dier vrouwen, dat schaamteloos lokken tot ontucht, ’t geharrewar van orgels, violen, harmonica’s en andere onmogelijke muziekinstrumenten, maakten ’t verblijf in die buurt tot ’n hel. Hier werd gevochten, gevloekt, er zongen en schreeuwden, tierden en raasden vrouwen en mannen dooreen, zoodat ’t niet mogelijk scheen iets tot waarschuwing, tot vermaan te doen.’

Terwijl dat toch de reden van hun komst naar Amsterdam was: de prostitutie terugdringen door bordeelbezoekers op andere gedachten te brengen. In theorie al geen makkelijke klus. In de praktijk, zo merkten de twee vrij snel, schier onmogelijk.

Aanvankelijk reageerde het zondige publiek op de Amsterdamse Wallen nog laconiek. Die eerste avonden werden Velthuysen en Van der Steur nauwelijks serieus genomen; ze werden beschouwd als ‘een onverklaarbaar verschijnsel, als zonderlingen, lieden met zekere afdwaling’. Twee gekken dus. Maar toen ze na verloop van tijd resultaat begonnen te boeken, veranderde de hoon in haat en agressie. Uit angst voor teruglopende inkomsten ontketenden bordeelhouders en hoerenmadammen geregeld ware klopjachten op de zendelingen.

Het moet een wonderlijk tafereel zijn geweest: twee lijkbleke zedenpredikers, hartje Amsterdam, ‘opgejaagd door ’n gillende en schreeuwende groep woestelingen’. Van de politie hoefden de zendelingen weinig hulp te verwachten. Ook het plaatselijk gezag had de zak vol van de ‘opstootjes, volksverzamelingen en ordeverstoringen’ die de zendelingen veroorzaakten. Prostitutie was legaal. Dus wie was nu in overtreding?
Juist, de zendelingen zelf, met hun ‘irriteerend optreden’.

Nog een geluk dat een zekere pettenmaker Diepenbosch de zedenpredikers welgezind was, anders zouden er zeker gewonden zijn gevallen. Nu konden de zendelingen, als het weer eens uit de hand liep, in zijn woning nabij het Oudekerksplein schuilen. ‘En dat die bescherming wel noodig was, blijkt uit het feit, dat de deur van genoemden Diepenbosch herhaaldelijk werd ingetrapt, zoodat hij deze moest pantseren door ’t aanbrengen van ijzeren platen.’

Reveil
Om het werk van de zendelingen een solide basis te geven, werd in 1890 de Middernachtzending-Vereeniging opgericht. Voorzitter was Hendrik Pierson, secretaris Gerard Velthuysen sr. en penningmeester Johannes Muller. Drie vertegenwoordigers van het negentiende-eeuwse Reveil: vanuit een groot besef van zonde vulden ze de dagen met gebed, evangelie en – als een vorm van boetedoening – filantropie.
Pierson, bijvoorbeeld, was directeur van een (her)opvoedingsgesticht voor ‘gevallen vrouwen’ in Zetten, richtte een school op, een kinderhuis, een inrichting voor zwangere (ex-)prostituees, opvanghuizen voor ongehuwde moeders, en – in 1878 – de Nederlandsche Vereeniging tegen de Prostitutie (NVP). Daarmee gold hij als de onbetwiste leider van het protestants-christelijke zedelijkheidsoffensief, dat in de tweede helft van de negentiende eeuw vorm kreeg.

Drankmisbruik, het aanbieden van voorbehoedsmiddelen (het nieuw-malthusianisme), pornografie, vrouwenhandel, homoseksualiteit – zonde en zedeloosheid hadden aan het eind van de negentiende eeuw vele gezichten. Pas in 1911 zou de omvattende wetgeving tegen zedeloosheid juridische handvatten aanreiken waarmee het kwaad bestreden kon worden. Tot die tijd kwam de strijd tegen zedeloosheid vooral neer op protestants-christelijk lobbywerk onder ’s lands bestuurders en politici – waarbij de steun en sympathie van invloedrijke politici als de latere ministers Van Heemskerk en Talma van grote waarde bleek.

Met prostitutie lag het net even anders. Die was namelijk al bij wet geregeld. Alleen helemaal verkeerd: prostitutie was niet verboden, maar juist ‘gereglementeerd’. Dat wilde zeggen: een bordeelhouder mocht zijn prostituees aan het werk zetten zodra hij de dames in kwestie bij de politie had laten registreren en uit een medische keuring gebleken was dat ze geen geslachtsziekte onder de leden hadden waarmee ze bordeelbezoekers konden besmetten. Prostitutie, zo werd geredeneerd, was nu eenmaal een noodzakelijk kwaad, dat vanuit het oogpunt van de volksgezondheid maar beter in goede banen geleid kon worden dan overgelaten aan de wetten van de straat.

Die logica was in de ogen van Pierson en zijn zedelijke wapenbroeders de wereld op zijn kop. Als de man geen geslachtsziekte wenste, moest hij zich maar leren inhouden. En daarbij: ‘Waarom aan de vrouw, die zich prostitueert, de keuring opgelegd, en den man, die met haar zondigt, vrijgelaten? Is niet juist hij de persoon, die de besmetting op het nageslacht en andere personen overbrengt?’

De gereglementeerde prostitutie verschafte iedere Middernachtzendeling afzonderlijk een concreet, haalbaar doel: die ene zondige ziel te redden. En misschien schuilt daarin wel een verklaring voor de ijzeren volharding waarmee de zendelingen avond aan avond de beproevingen van het postwerk doorstonden.

De agressie die hun daar wachtte, aanvaardden zij als boetedoening voor de menselijke zonde. ‘Ik heb meermalen een pak slaag gehad in die dagen,’ zou Johannes van der Steur in 1916 schrijven, ‘ook meer dan eens een pot urine of faecalien over mijn hoofd, maar toch heb ik heerlijke herinneringen aan menschen, welke geheel en al tot inkeer kwamen en die behouden werden voor hun gezin en de maatschappij.’

Oproermakers
Zo ontpopte de Middernachtzending zich als het voetleger van de zedeloosheidsbestrijding. Krijgshaftig vertoon, zoals de militaire rangen en uniformen bij het Leger des Heils, bleef achterwege, maar de strijdlust was er niet minder om. Na Haarlem en Amsterdam trokken Velthuysen en Van der Steur voorwaarts in oostelijke richting, om volgelingen te werven en afdelingen op te zetten.

Het eerste nummer van De Middernachtzendeling, dat in september 1892 verscheen, maakte melding van nieuwe afdelingen in Harderwijk, Zwolle, Leeuwarden en Zutphen. De oplage groeide snel: van 1400 lezers in 1903 naar circa 12.000 op het hoogtepunt in 1931. In Amsterdam was aan de Herengracht nummer 192 een informatiebureau geopend waar ouders en meisjes terechtkonden voor inlichtingen over de betrouwbaarheid van vacatures en werkadressen.

Uit Arnhem, met gemiddeld zo’n dertig leden de grootste afdeling van Nederland, kwam ook goed nieuws. Na een lange verwoede strijd was er eindelijk een wig geslagen tussen de plaatselijke bordeelbaas Wörtmann en commissaris Cramer van politie. Die werkten als gevolg van de gereglementeerde prostitutie al zo lang samen dat er een goede vriendschap uit was ontstaan: de politie deed de administratie van Wörtmanns bordelen, terwijl Wörtmann zelf een paar straten verderop de bier- en wijnleveranties van Cramers zoon, een wijnhandelaar, regelde.

Je zou het corruptie kunnen noemen, maar er was geen enkele reden tot omkoping, want bordeelbaas en politie stonden aan dezelfde kant van de wet – en de Middernachtzending als gemeenschappelijke vijand daar recht tegenover. ‘Weet je wat ge zijt?’ snauwde de Arnhemse politiecommissaris Velthuysen en Van der Steur toe. ‘Oproermakers. Ik begrijp niet wat ge hier komt doen. Het is absoluut ongeoorloofd om menschen, die zich trouw houden aan wat hun bij Wet en Verordening is voorgeschreven, in hun bedrijf te benadeelen.’

De gereglementeerde prostitutie lag per slot van rekening stevig in de wet verankerd. In een stad als Leeuwarden gold, om de Middernachtzending het werk onmogelijk te maken, zelfs een verbod om stil te staan ‘in nabijheid van huizen’.

Het plaatste de Middernachtzendelingen, meest eenvoudige lieden, voor een dilemma: in hoeverre moest de overheid gehoorzaamd worden? ‘Gaven wij gehoor aan hare wenschen, dan zouden wij voorzeker bijna overal onzen arbeid hebben te staken.’ Een richtlijn in een van de eerste nummers van De Middernachtzendeling bood uitkomst. Aangezien een vrome christen in de eerste plaats het ‘hooger gezag’ van God heeft te gehoorzamen, diende hij gewoon door te gaan met posten voor bordelen. Toch was het verstandig de bevelen van politie op te volgen. ‘Doch wend u daarna tot degenen, die over hem gesteld zijn en zoo dit niet baat en het geval ernstig is, tot den officier van justitie.’

Afdeling Zutphen nam de proef op de som. Zutphen telde aan het eind van de negentiende eeuw slechts één bordeel, maar de weerstand tegen de Middernachtzending was er niet minder om. De plaatselijke bordeelhouder, ‘een zeer slecht mens’ met de initialen R.W., had ‘de geheele buurt op zijn hand weten te krijgen door drank, geld en mooie praatjes, en des avonds zijn niet zelden honderden menschen in de weer om het de zending zoo lastig mogelijk te maken’. En net als elders hoefden de zendelingen in Zutphen weinig van de politie te verwachten: burgemeester en politie ‘heulden’ met de bordeelhouder.

De zendelingen lieten het er echter niet bij zitten, en zochten het volgens voorschrift hogerop. En inderdaad, de officier van justitie bezag de zaak door een andere bril. Met als gevolg dat R.W. op 28 september 1892 terechtstond voor het mishandelen van de Middernachtzendeling Evert Jan Lammers. De rechter veroordeelde hem tot twee maanden gevangenis.

Undercover
In dat soort kleine successen kondigde zich een verschuiving aan die de jaren erna langzaam gestalte kreeg. Want de opofferingen van de zendelingen bleken niet voor niets. Het informatiebureau en het (post)werk leverden een schat aan gegevens op over de dagelijkse gang van zaken in de prostitutiewereld: de vaste patronen, de sleutelfiguren, de clandestiene huizen. En juist aan feiten ontbrak het in de discussie over prostitutie. Zo werd de prostituee gezien als een zondig wezen dat bewust kiest voor een leven in ontucht, terwijl de zendelingen vooral veel onschuldige meisjes zagen die slachtoffer waren van een uitgebreid netwerk van souteneurs, koppelaars, bordeelhouders, en een wetgeving die ‘den drijvers van zulke goddelooze praktijken geen stroo breed in den weg’ legt.

Dogma’s, stereotypen en angst bepaalden het beeld. De angst, bijvoorbeeld, dat afschaffing van de gereglementeerde prostitutie allerlei vormen van clandestiene prostitutie in het leven zou roepen. Uit cijfers van de Middernachtzending bleek echter dat een stad als Arnhem naast vier erkende bordelen in 1897 al 28 geheime huizen en 62 straatprostituees telde. De politie kwam desgevraagd op eenzelfde totaal.

Onderzoek werd een beproefd middel om de argumenten kracht bij te zetten. In 1900 publiceerde de jurist Wolter Collard zijn proefschrift De handel in blanke slavinnen, en begon de Haarlemse politierechercheur J. Balkestein op verzoek van Velthuysen en Pierson een undercover onderzoek naar prostitutie en vrouwenhandel. Beide onderzoeken bevestigden wat de Middernachtzendelingen al jaren verkondigden: de gereglementeerde prostitutie werkt misstanden (koppelarij en vrouwenhandel) in de hand.

Tegen dergelijke harde feiten was het pragmatisme van de Nederlandse wetgeving veel slechter bestand dan tegen de zedelijke bezwaren waarmee Pierson en andere lobbyisten ’s lands bestuurders en politici nu al enkele jaren bestookten. Nadat in kleinere plaatsjes als Dordrecht en Harlingen midden jaren negentig de erkende bordelen al bij lokale verordening verdwenen, viel in voorjaar van 1901 het doek voor de bordelen van Arnhem. Een jaar later volgde een bordeelverbod in Amsterdam. De strijd begon vruchten af te werpen.

Gewapend met het overtuigende resultaat van de lokale maatregelen en landelijke onderzoeken, wendden Pierson en Jan van Munster, de drijvende kracht achter de Middernachtzending in Arnhem, zich in 1902 tot koningin Wilhelmina met een petitie waarin meer dan 1100 zedelijkheidsorganisaties (de zogeheten Rijkswetbeweging) afschaffing van de gereglementeerde prostitutie bepleitten, en een wettelijk verbod op bordelen.

Het vooruitzicht van zo’n omvattende zedelijkheidswet – die er uiteindelijk in 1911 zou komen: de Wet tot bestrijding van zedeloosheid – was voor de Middernachtzending reden om zich op haar toekomst te bezinnen. Een bordeelverbod maakte het nachtelijke posten – en zelfs min of meer de hele Middernachtzending – per slot van rekening overbodig.

Ongehuwde moeder
Van Munsters toekomstvisie straalde het zelfvertrouwen uit van de aanstaande overwinning: ‘De Middernachtzending moet dan worden een Christelijke vereeniging tegen de ontucht met vertakkingen over geheel het land, om den gevaarlijken vijand ook uit zijn schuilhoeken te verjagen.’ Kortom, voortaan zou de Middernachtzending zich niet op één, maar op alle verschijningsvormen van het kwaad richten: geslachtsziekten, pornografie, het nieuw-malthusianisme met zijn pleidooi voor voorbehoedsmiddelen en ga zo maar door.

Zover zou het echter niet komen, temeer omdat er voor de bestrijding van ieder kwaad al een aparte stichting bestond: de Vereeniging tot Bestrijding van het Nieuw-Malthusianisme, het Comité tot Bestrijding van de Pornografie, het Nationaal Comité tot Bestrijding van den Handel in Vrouwen.

Bovendien had de wet tegen zedeloosheid niet de gewenste uitwerking. Sterker nog: de zedenverwildering nam, met name tijdens en na de Eerste Wereldoorlog, zo’n vlucht dat de Middernachtzending een katholieke pendant kreeg: leden van de Roomsch-Katholieke Vereeniging voor Eer en Deugd gingen de straat op om kermisattracties, bioscoopvoorstellingen, advertenties en zelfs kleding en dansgelegenheden op eigen houtje aan de wet tegen de zedeloosheid te toetsen.

Ook de Middernachtzending zette het werk op straat na 1911 gewoon voort. Maar los van het posten voor clandestiene bordelen bekommerde de vereniging zich in toenemende mate om de wortels van het kwaad: de ongehuwde moeder die in de prostitutie belandde omdat zij niet voor haar kind kon zorgen. Door de vader op zijn verantwoordelijkheden te wijzen, hoopten Middernachtzendelingen de moeder uit de prostitutie te houden. In diverse steden kwam een zogeheten ‘Consultatiebureau voor het Onderzoek naar het Vaderschap’ van de grond, waar ongehuwde moeders met hun kind terechtkonden voor geestelijke,
financiële en juridische bijstand.

In 1930 spande het consultatiebureau van de Middernachtzending in Amsterdam 138 zaken aan tegen vaders voor een bijdrage in de onderhoudskosten van het kind. Streven was natuurlijk dat vader en moeder alsnog in het huwelijk zouden treden. En als dat onmogelijk was, zoals in het geval van een buitenechtelijke relatie of als de vader een ‘moreel laag staand mensch’ was, dan toch in ieder geval erkenning van het kind.

Om mannelijke zendelingen niet in de verleiding te brengen werd dit werk zo veel mogelijk door vrouwen gedaan. Al uit de begintijd van de Middernachtzending zijn verhalen bekend van mannelijke zendelingen die ‘naar aanleiding van een vergrijp tegen de zeden’ hun functie moesten neerleggen.

Het nachtelijke postwerk bleef evenwel een mannelijke aangelegenheid. Zo meldde de afdeling Amsterdam in het jaarverslag van 1930 dat de heer Molenaar, ‘als leider van den praktischen arbeid’, twee keer per week de beruchte wijken en straten had bezocht en in een jaar tijd maar liefst 12.000 folders had uitgedeeld. ‘Het stemt tot bijzondere dankbaarheid dat in den kleinen kring van medewerkers op dit gebied – die dringend uitbreiding behoeft – de moed nog niet is verflauwd en er nog met volharding en ijver aan dit, ook in onze dagen zoo noodige en belangrijke werk wordt deelgenomen.’

Tot het begin van de Tweede Wereldoorlog gaat het ‘posteeren bij verdachte huizen’ door in Den Haag, Amsterdam en Haarlem. Met de komst van de Duitsers gaat letterlijk het licht uit. De verplichte verduistering maakt het nachtelijke postwerk zo goed als onmogelijk. In Haarlem, de stad waar het vijftig jaar eerder allemaal begon, loopt zendeling Hartendorf op 15 of 16 mei 1940 de laatste ronde. ‘Ik meen in Haarlem en omgeving behoorlijk den weg te kennen en toch gebeurde het meerdere malen, dat ik op niet onzachte manier met een boom of ander wegstaketsel in aanraking kwam, en meermalen was niet te onderscheiden met welk soort mensch we te doen hadden.’ Nog geen anderhalf jaar later, in oktober 1941, keert Nederland op last van het Duitse gezag weer terug tot de gereglementeerde prostitutie.

Daarmee lijkt al het werk, alle pijn en moeite van meer dan vijftig jaar Middernachtzending, in één keer tenietgedaan. Maar zo ervaren de zendelingen het zelf niet. Juist in het verdragen, in het doorstaan van al die wereldse beproevingen school de overwinning. ‘Wij weten toch dat God ons niet noodig heeft, maar wij zijn vereerd dat Hij ons een tijd van ons leven heeft willen gebruiken. Wij hadden daar nooit den moed voor gehad zonder het woord van Christus, Joh. XVI, 33: “Hebt goeden moed, Ik heb de wereld overwonnen.”’