Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 2/2008

Ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley (1841-1904)

Een diep mededogen met Afrika

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
Mark Twain en Anton Tsjechov roemden de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley als een van de nobelste mannen van hun tijd. Maar vanwege de gruwelen van het Belgisch bewind in de Congo en een effectieve lastercampagne ging Stanley de geschiedenis in als het prototype van de moorddadige en hooghartige koloniaal.


Zijn weerzien met de Congo ervaart Henry Morton Stanley als ‘een kwade droom’. Zes jaar geleden, in februari 1877, passeerde de ontdekkingsreiziger voor het eerst de nederzettingen aan de bovenloop van de machtige rivier. In zijn herinnering waren het levendige dorpen. Nu treft hij overal omgehakte palmbomen aan, verbrande huizen en verschoeide akkers. Rug aan rug gebonden vrouwenlichamen drijven in het water. Even verderop slaat een groepje mannen de expeditieleden apathisch gade, ‘alsof ze verder geen kwaad kon overkomen’. De helft van de vrouwen en kinderen in het dorp en tweederde van de mannen blijken te zijn weggevoerd door slavenhandelaren.
Deze gruwelijke ontdekking raakt Stanley als een mokerslag. Hij is er altijd van overtuigd geweest dat zijn ontdekkingsreizen door Afrika de inheemse bevolking ten goede komen. Handelscontacten met westerlingen zouden ‘het duistere continent’ welvaart en beschaving brengen. De nietsontziende slavenjacht van Afrikaanse Arabieren zou worden bestreden. Nu daagt het bij de ontdekkingsreiziger dat hij met zijn tochten waarschijnlijk zelf het pad heeft geëffend voor de opmars van deze slavenhandelaren naar het hart van Afrika.
Stanleys vermoeden wordt bevestigd als hij enkele kilometers verderop het kamp aantreft van de Arabische slaven- en ivoorhandelaar Abed bin Salim, die hij in 1876 in het veel oostelijker gelegen Nyangwe heeft leren kennen. In Bin Salims kamp bevinden zich zo’n 2300 slaven, onder wie veel kinderen. Stanley vermoedt dat eenzelfde aantal Afrikanen is vermoord om de lugubere handelswaar te bemachtigen. ‘Als ik toch maar, bij God, een mogelijkheid zag om ze te bevrijden, en de beulen af te slachten die de onbeschrijflijke wreedheden hebben begaan die ik vandaag heb gezien,’ schrijft een machteloze Stanley die avond in zijn dagboek.

Armenhuis
Kwade dromen en teleurstellingen vormen opvallende constanten in Stanleys leven. In feite kondigt zijn tragische levenspatroon zich al aan op 28 januari 1841 – de dag waarop hij als John Rowlands wordt geboren in het plaatsje Denbigh in Noord-Wales. Zijn moeder, de achttienjarige lichtekooi Elizabeth Parry, neemt koud van het kraambed de benen. Omdat de geregistreerde vader John Rowlands niet zijn echte verwekker is en slechts fungeert als schaamlap voor de reputatie van een overspelige lokale notabele, neemt grootvader Parry de kleine John onder zijn hoede. Vijf jaar later valt de maatschappelijk afgegleden oude man dood neer in een aardappelveld.
Met de smoes ‘een uitje naar tante Mary’ wordt John door zijn resterende familie in een armenhuis gedumpt. Het regime van het St. Asaph workhouse is gebaseerd op een streng ontmoedigingsbeleid. De bewoners mogen het ‘mededogen’ van de gemeenschap vooral niet als vanzelfsprekend gaan ervaren. Ze worden daarom keihard aangepakt. Bij aankomst worden ze met ijskoud water gewassen, hun haren worden kortgeknipt en ze krijgen identieke kleding. Zo zijn de ingezetenen voor de buitenwereld immer herkenbaar als uitschot dat teert op de gemeenschap.
Maar niet alles is kommer en kwel in St. Asaph. John ontvangt een primaire scholing, iets waar hij buiten het armenhuis wellicht nooit mee in aanraking was gekomen. Hij blinkt uit in lezen en schrijven, rekenen en geografie. Zijn leraar Frencis neemt zelfs enige malen contact op met zijn familie, om ze tot interesse aan te sporen voor zijn lievelingsleerling. Maar de relatief welvarende familie weigert ieder contact met de ‘bastaardjongen’.
Een hoopvollere toekomst lijkt voor John aan te breken als hij op vijftienjarige leeftijd door zijn vrijgezelle neef Moses Owen, die schoolhoofd is in Brynford, in huis wordt genomen. Aanvankelijk vol enthousiasme brengt Moses de leergierige jongen in de naschoolse uren wiskunde bij en laat hij hem kennismaken met zijn rijke privébibliotheek. Maar zodra Moses zich realiseert dat zijn kansen op de victoriaanse huwelijksmarkt ernstig te lijden hebben onder het feit dat hij zijn dak deelt met een buitenechtelijk verwekt kind, verhardt zijn houding. Opnieuw wordt John weggestuurd.
Wat volgt laat zich lezen als een schelmenroman van Mark Twain – niet toevallig een van de grootste bewonderaars van de latere Stanley. Een reeks van omzwervingen en halve ambachten brengen John in 1859 als scheepsjongen naar de haven van New Orleans. Daar knijpt hij ertussenuit. Hij neemt de naam aan van een rijke katoenhandelaar uit de Mississippi-delta, van wie hij zijn leven lang zal beweren dat deze hem liefdevol heeft geadopteerd. In werkelijkheid heeft hij de illustere katoenmagnaat Henry Stanley (dus zonder ‘Morton’) nooit ontmoet.
Met zijn nieuw aangemeten Amerikaanse identiteit gaat ‘Henry’ in de handel, om zich tijdens de Burgeroorlog aan te sluiten bij de Geconfedereerden, en na een periode van krijgsgevangenschap dienst te nemen bij de noordelijken. Hij deserteert, neemt dienst bij de Amerikaanse marine, deserteert ook daar weer, wordt zeeman, graaft naar goud in de Rocky Mountains en belandt uiteindelijk in Ethiopië, als oorlogscorrespondent voor de New York Herald.
Eenmaal raapt deze waif, of ‘zwerver’, zoals hij zichzelf noemt, al zijn moed bij elkaar om zijn moeder in Wales op te zoeken. Het bezoek loopt uit op een van de meest vernederende ervaringen van zijn leven. De inmiddels getrouwde Elisabeth wijst haar zoon ijskoud de deur met de woorden: ‘Laat ik je hier nooit meer zien – of het moet zijn dat je in veel betere omstandigheden verkeert dan nu het geval lijkt.’ Voor zover het hem nog niet duidelijk was, is het Henry Morton Stanley nog eens ingepeperd: als ‘bastaard’ zal hij wel uitzonderlijk succesvol moeten zijn om de waardering van zijn naasten te verdienen.

Helse tocht
Vanaf de tijd dat Stanley als tiener de bestseller Missionary Travels van de Schotse missionaris, arts en ontdekkingsreiziger David Livingstone verslond, heeft de voormalige fabrieksarbeider uit Glasgow hem niet meer losgelaten. Zodra Stanley in 1867 in dienst treedt bij de New York Herald, probeert hij dan ook de steenrijke eigenaar Gordon Bennett Jr. ervan te overtuigen dat een zoektocht naar – de op dat moment zoek gewaande – Livingstone een sensationele primeur kan opleveren. Het duurt drie jaar voordat de mediamagnaat zijn goedkeuring verleent, maar op 6 januari 1871 arriveert een opgewonden Stanley eindelijk op het Oost-Afrikaanse eiland Zanzibar. Hij treft er de laatste voorbereidingen voor zijn tocht naar de Arabische handelsnederzetting Ujiji op de oostelijke oever van het Tanganjika-meer, waar de Schot in 1869 voor het laatst is gesignaleerd.
De antislavernij-activist Livingstone zette voor het eerst voet op het Afrikaanse continent in het jaar dat Stanley werd geboren. Hij maakt in de jaren vijftig naam met een epische ontdekkingsreis langs de Zambezi, die hij ternauwernood overleeft. Een latere poging deze rivier voor westerse handel en het Evangelie te ontsluiten, faalt echter jammerlijk. Sindsdien concentreert Livingstone zich op zijn zoektocht naar de meest zuidelijke bronnen van de Nijl.
Als hij eenmaal onsterfelijke roem heeft vergaard als ontdekker van deze bronnen, zo hoopt de Schot, kan hij politici er gemakkelijker van overtuigen dat handel met het Westen Afrikaanse leiders een alternatief biedt voor de verkoop van hun onderdanen aan Arabische slavenhandelaren. Na het succes van de westerse abolitionisten – de trans-Atlantische slavenhandel wordt in de loop van de negentiende eeuw afgeschaft – is de zwarteslavenhandel met de islamitische wereld namelijk onverminderd doorgegaan. Missionarissen als Livingstone roepen westerse politici op ook deze laatste praktijk te bestrijden.
Maar Livingstone is geen heilige, zoals het populaire beeld wil. Hij kan meedogenloos zijn voor Europese collega’s met een zwakkere constitutie, die hij verwijt hem in de steek te laten als ze bezwijken aan tropische ziektes. Zijn inlandse faithfuls roken marihuana, bezoeken hoeren waar ze die maar kunnen vinden en roven incidenteel vrouwen voor gedwongen seks. Minstens eenmaal heeft Livingstone, die overigens een licht ontvlambaar karakter heeft, een kogel op zijn volgelingen afgevuurd. De desertie onder zijn kudde is zo groot – en het aantal gevallen van interne diefstal zo omvangrijk – dat de fameuze humanitarian zich in 1867 gedwongen ziet aansluiting te zoeken bij een rondreizende slavenhandelaar.
Dat Livingstone ‘verdwenen’ zou zijn, strookt ook niet geheel met de realiteit. De Schot is wantrouwig jegens concurrerende ontdekkingsreizigers en heeft een misantropische inslag, zodat hij contact met westerlingen zo veel mogelijk mijdt. Maar nu heeft hij al zo lang niets van zich laten horen dat hij geheel vergeten dreigt te raken. Stanley wil dus niet alleen Livingstones vege lijf redden – mocht dit daadwerkelijk in gevaar verkeren –, maar het ook terugplaatsen in de schijnwerpers van de publieke belangstelling.
Hij slaagt op wonderbaarlijke wijze in beide doelstellingen. Na een helse tocht waarin de ‘Amerikaan’ wordt geplaagd door malaria, oorlogvoerende en mensenetende stammen, grootschalige desertie van dragers en het verlies van allebei zijn blanke metgezellen, arriveert hij in november 1871 in Ujiji. Vijf dagen eerder is daar Livingstone aangekomen, die zijn zoektocht naar de bronnen van de Nijl noodgedwongen heeft moeten onderbreken. De man is – gelukkig voor Stanley – inderdaad hulpbehoevend: hij is volledig uitgemergeld door dysenterie en kan nauwelijks nog lopen van de tropische zweren op zijn voeten. Tot overmaat van ramp bleken de voorraden die hij in Ujiji hoopte aan te treffen te zijn geplunderd door zijn lokale vertrouweling, de Arabische handelaar Bin Ahmed.

Mensenroof
Livingstone verwelkomt zijn ontzetter, die hem in werkelijkheid overigens nooit heeft begroet met het fameuze ‘Dr. Livingstone, I presume?’, een onderkoelde frase die Stanley later verzon om aan de veronderstelde smaak van het Britse publiek te voldoen. De twee mannen ontwikkelen een intieme verstandhouding. Stanley wordt geraakt door Livingstones uitgesproken bewondering voor de Afrikaanse bevolking – iets wat beiden overigens niet als strijdig zien met hun wens om de westerse beschaving in dit deel van Afrika te introduceren. Hun houding ten opzichte van de Afrikanen wordt gekenmerkt door een diep gevoeld, overigens wel paternalistisch mededogen, en lijkt mede te worden gevoed door een grote afkeer van de Arabische slavenhandelaren.
Veelzeggend is een anekdote van Stanley over een tocht over het Tanganjika-meer. Op een gegeven moment worden de reizigers vanaf de oever met stenen bekogeld door luid schreeuwende Afrikanen. ‘Als Livingstone niet in de boot zat, had ik zeker getracht ze een lesje te leren,’ schrijft Stanley, ‘want ik ben al begonnen te leren dat hoe inschikkelijker men is, hoe meer van dergelijke inlanders je geduld komen testen. Maar de dokter zei dat zijn ervaring hem leerde dat de Arabische slavenhandelaren hier geweest moeten zijn en dat de woede van deze mensen aan hun optreden te wijten is. Zijn verklaringen waren zo wijs dat ik blij was geen wraak te hebben genomen.’
De lichtelijk herstelde Livingstone weigert met Stanley naar Zanzibar terug te keren en de twee mannen nemen op emotionele wijze afscheid. In november 1872 verschijnt Stanleys bestseller How I Found Livingstone, waarin de missionaris als smetteloos model voor zijn internationale collega’s wordt gepresenteerd. Een maand na publicatie bezwijkt Livingstone aan de oevers van het Bangweulu-meer. Deze trieste afloop van zijn queeste grift zijn heiligenstatus definitief in het geheugen van de mensheid.
Stanley neemt zich voor Livingstones levenswerk af te ronden. In september 1874 arriveert hij opnieuw op Zanzibar, waar zojuist de bouw van een anglicaanse kathedraal is gestart op de plek van de voormalige slavenmarkt. Een jaar eerder heeft het sultanaat onder Britse politieke druk – mede veroorzaakt door Stanleys journalistieke verslagen over de slavernijgruwelen in het binnenland – de slavernij verboden. Aangezien de Arabische kolonie Zanzibar van oudsher een belangrijke overslagplaats vormde voor de slavenhandel tussen Oost-Afrika en de islamitische wereld, is dit een gevoelige slag voor deze handel. In het binnenland gaat de mensenroof echter onverminderd door. Erger nog: die floreert als nooit tevoren nu een overschot aan slaven ze betaalbaar maakt voor inlandse warlords. Die schaffen bij duizenden (kind)slaven aan om hun legers te versterken.
Tot overmaat van ramp veroorzaken volksverhuizingen vanuit het zuiden van Afrika een kettingreactie van stammenverplaatsingen en wreedheden. De reis die Stanley wil ondernemen naar de bronnen van de Nijl is daarom gevaarlijker dan gelijksoortige expedities van voorgangers. Centraal-Afrika lijkt verzeild te zijn geraakt in een maalstroom van geweld, waaruit het tot op de dag van vandaag niet heeft weten te ontsnappen.
Het is dan ook een wonder te noemen dat Portugese handelaren aan de monding van Congo, aan de andere zijde van het continent en meer dan 11.000 kilometer verwijderd van Stanleys vertrekpunt, in februari 1877 een zwarte jongen aan zien komen lopen met een brief gericht ‘aan iedere heer die Engels spreekt’. Het blijkt een noodkreet te zijn van Stanley, die met 115 halfverhongerde, merendeels doodzieke mannen, vrouwen en kinderen vier dagreizen stroomopwaarts op redding wacht. Van de 228 expeditieleden is meer dan de helft bezweken aan ziektes, vermoord, verdronken, verdwaald, krankzinnig geworden of – een kleine minderheid – gevlucht. Maar Stanley heeft zijn doel bereikt: hij heeft vastgesteld dat de Lualaba niet de bron is van de Nijl, zoals Livingstone veronderstelde, maar van de minstens zo magnifieke Congo-rivier, die hij bijna tot aan de Atlantische kust in kaart heeft gebracht.
Als Stanley de eerste blanke mannen die hem komen ontzetten ontwaart, ondergaat hij een sensatie die veel van zijn Afrikaanse tijdgenoten zullen herkennen. Hij noteert in zijn verslag: ‘Hun bleke gelaatskleur had, na zo lang slechts rijke zwarte en bronzen te hebben gezien, een onverklaarbare spookachtigheid. Ik kon het idee niet loslaten dat ze ziek waren. Tegelijkertijd boezemden hun kalme grijsblauwe ogen me ontzag in, en de smetteloosheid van hun kleding deed me duizelen.’

Miljoenenpubliek
Stanley schaart zich met zijn odyssee onder de grootste ontdekkingsreizigers van de geschiedenis. Toch levert het hem geen eeuwige roem op, zoals veel van zijn contemporaine collega’s. Dit is deels aan hemzelf te wijten. In zijn drang om het publiek te behagen, dikt Stanley het aantal slachtoffers aan dat hij – uit zelfverdediging – onder de inheemse bevolking maakt. Ook presenteert hij zichzelf als een expeditieleider die altijd bereid is tot een afranseling of zelfs executie als individuele expeditieleden zich niet gedragen.
In werkelijkheid steekt Stanley juist gunstig af bij racistische, cynische tijdgenoten als Richard Burton. Maar waar de laatste het wel uit hun hoofd liet het publiek in te lichten over de wijze waarop westerse ontdekkingsreizigers in de negentiende eeuw zich gedwongen zagen op te treden, bezorgen Stanleys naïviteit en journalistieke scoringsdrift hem het imago van een genadeloze bruut. Dat hij zich ook nog eens voordoet als Amerikaan, maakt het allemaal nog erger.
Jaloezie van het Britse establishment leidt tot een lastercampagne, die koningin Victoria in haar dagboek doet optekenen dat Stanley stelselmatig Afrikanen mishandelt en vrouwenslaven houdt. Niettemin bereiken zijn boeken en krantenverslagen een miljoenenpubliek. Zijn liefhebbende familie in Wales zoekt zelfs contact met hem, maar alleen om hem – met succes – te chanteren met zijn angstvallig verzwegen verleden van buitenechtelijk kind.
Stanleys imago wordt verder bezoedeld wanneer hij tijdens een expeditie in de jaren tachtig tegen zijn gewoonte in Britse officieren meeneemt die, in zijn afwezigheid, onvoorstelbare gruweldaden begaan. Zo koopt ene James Jameson, telg van de vermaarde Ierse whiskyfamilie, voor zes zakdoeken een inheems meisje, om haar vervolgens aan kannibalen uit te leveren. Het hele proces van slachten, bereiden en opeten legt hij minutieus vast in zijn schetsboek.
Rond de eeuwwisseling ondergaat Stanleys imago de definitieve genadeslag. Dan wordt langzaamaan duidelijk dat het ‘verlichte’ bewind van de Belgische koning Leopold II in de ‘Kongo-Vrijstaat’ niet is gestoeld op de loffelijke principes van vrijhandel en humanisme – de waarden waarmee de ‘filantroop-koning’ zijn project een decennium eerder internationaal had verkocht (zie kader) –, maar op een koninklijk monopolie in de rubberproductie- en handel, op dwangarbeid en meedogenloze uitpersing van de bevolking. De wreedheden die Belgische officieren in de Congo begaan, de onmenselijke omstandigheden waaronder op de rubberplantages wordt gewerkt – het zijn evenzovele smetten op Stanleys blazoen. Hij is namelijk degene die – tussen 1879 tot 1884 in dienst van de Belgische vorst – een groot aantal handelsposten heeft ingericht aan de Congo-rivier. Zonder Stanleys contacten met inheemse leiders was de privékolonie van Leopold zelfs nooit tot stand gekomen.
Maar ook tijdens zijn dienstbetrekking bij de Belgische koning is het steeds Stanleys streven geweest vrijhandel en daarmee ‘beschaving’ in het hart van Afrika te introduceren. Weinigen vermoedden in die tijd dat Leopold II in zijn streven naar een ‘vrijstaat’ onder zijn persoonlijke leiding slechts zijn eigen prestige en fortuin op het oog heeft. Tot aan het einde van de negentiende eeuw – vier jaar voor het overlijden van Stanley, in 1904 – is onduidelijk of de koning zelf heeft aangezet tot de stelselmatige mishandeling en uitbuiting van de Congolezen. Nog in april 1897 reist Stanley naar Brussel om de koning te verzoeken een ‘internationaal tribunaal’ in te stellen, dat de opeenvolging van ‘incidenten’ in de Congo moet gaan onderzoeken. Leopold reageert woedend op de suggestie en weigert Stanley nog langer te ontmoeten.
Het is onduidelijk of Stanley zich ooit heeft gerealiseerd dat hij indirect heeft bijgedragen aan wat waarschijnlijk een van de meest inhumane koloniale systemen uit de moderne geschiedenis is geweest (het aantal Congolese slachtoffers onder Belgisch bestuur wordt op ettelijke miljoenen geschat). Zijn geloof in een paternalistische vorm van kolonialisme, die uiteindelijk tot een ‘hogere’ vorm van beschaving leidt, heeft hij uitgedragen tot aan zijn dood. Als Stanley een ‘misdaad’ heeft begaan die hem tot op de dag van vandaag kan worden verweten, dan is het dat hij nooit heeft kunnen inzien dat goede bedoelingen alleen geen garantie vormen voor een zegenrijke westerse bemoeienis met het Afrikaanse continent.



Nederland en de Congo

Van 15 november 1884 tot 26 februari 1885 werd in Berlijn de zogenoemde Congo- conferentie gehouden. In tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd werd hier niet ‘Afrika’ onder de Europese mogendheden verdeeld, maar onderhandelden de veertien aanwezige landen – waaronder Nederland – enkel over de toekomst van Centraal-Afrika en een deel van de Afrikaanse westkust. Aanleiding was de concurrentiestrijd die tussen de Europese mogendheden was losgebarsten nadat de Congo-rivier door Stanley – en zijn Frans-Italiaanse
rivaal Brazza – voor de Europese handel was opengelegd.
Nederland was niet zomaar uitgenodigd: het had grote commerciële belangen in het gebied. In 1877 bezat de Rotterdamse firma Kerdijk & Pincoffs maar liefst 44 factorijen aan de westkust van Centraal-Afrika, waarmee het haast een monopolie in deze regio had opgebouwd. Stanley was in 1879 onder de indruk van the Dutch house in Banana. In zijn The Congo and the Founding of Its Free State schrijft hij: ‘De Nederlanders weten het hun jonge mannen goed naar de zin te maken. De table d’hôte, met zijn gevarieerde overvloed, en de keurig opgetrokken huizen, hoog en koel, vormen het bewijs.’
Toch waren de Nederlandse commerciële belangen in de Congo niet de grootste zorg van de Nederlandse afgevaardigden in Berlijn. Zij hadden als primaire opdracht ervoor te zorgen dat de discussie zich niet toespitste op de oostkust van Afrika. Dit vanwege de – lichtelijk paranoïde – overweging dat deze kusten aan dezelfde oceaan grensden als de Nederlandse bezittingen in Indië. Onder geen beding mocht het begrip ‘effectieve occupatie’ met de gebieden rond de Indische Oceaan in verband worden gebracht! Of, zoals de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken zich wollig uitdrukte: ‘[om]dat Nederland hier een rechtstreeks belang heeft, wat Neêrlands bezittingen in den Indischen archipel betreft, zoo daar later inbezitnemingen zouden worden gepoogd onder voorgeven, dat Neêrlands rechten en bezit niet effectief zijn en – bij analogie of naar den tekst – de beslissingen der Conferentie van Berlijn ook daar zouden moeten gelden.’
Nederland kon tevreden zijn met de resultaten van de conferentie. De aanwezigen stemden in met het voorstel van de Belgische koning Leopold om in Centraal-Afrika een vrijhandelsgebied gebaseerd op ‘humanistische waarden’ te vestigen – de zogenoemde ‘Kongo-Vrijstaat’ – dat onder volledige soevereiniteit zou komen te staan van de door Leopold zelf bestierde de Association Internationale du Congo. Tegelijkertijd zag de koning af van aanspraken van zijn Vrijstaat op de Afrikaanse oostkust – een regio die gastheer Bismarck niet veel later voor Duitsland zou opeisen.

Bron: ‘Nederland en de Conferentie van Berlijn’, in: H.L. Wesseling, Indië verloren, rampspoed geboren en andere opstellen van de Europese expansie (1988)



Meer informatie

Boeken
Stanleys negatieve imago heeft tot zeer recent standgehouden. In het standaardwerk Stanley. An Adventurer Explored (1974) is Richard Hall nog relatief gematigd in zijn schets van de ontdekkingsreiziger. Maar wanneer begin jaren negentig de donkere bladzijden van de Belgische koloniale geschiedenis onder de publieke aandacht komen, verschiet Stanleys reputatie van donkergrijs naar pikzwart. In John Biermans Dark Safari (1990) troggelt Stanley zwarte Afrikanen onder valse voorwendselen hun land af. In Frank McLynns tweedelige biografie Stanley. The Making of an African Explorer (1989) en Stanley. Sorcerer’s Apprentice (1991) wordt Stanley afgeschilderd als een impotente, gefrustreerde homoseksueel, die zijn bloeddorst lest door met Leopold II samen te zweren in de grootste genocide van de negentiende eeuw.
Hetzelfde beeld van Stanley als trigger-happy psychopaat keert terug in het sensationalistische The Last Expedition. Stanley’s Mad Journey Through the Congo (2005) van Daniel Liebowitsz en Charles Pearson (in 2007 in het Nederlands verschenen als De laatste expeditie van Stanley. Een waanzinnige tocht door Congo). Van hetzelfde laken een pak is de bestseller van Adam Hochchild King Leopold’s Ghost. A Story of Greed, Terror, and Heroism in Colonial Africa (1998), in het Nederlands vertaald als De geest van Leopold II en de plundering van de Congo (2000).
Op het moment is echter een radicale trendbreuk waar te nemen in de beeldvorming rond Stanley. In 2004 kondigde de ommekeer zich al aan met Imperial Footprints. Henry Morton Stanley’s African Journeys van James Newman (in 2006 in vertaling verschenen als Stanley. Ontdekkingsreiziger in Afrika). Hoewel veel oude misvattingen in dit boek worden herhaald, is het algehele beeld dat van Stanley wordt geschetst een stuk genuanceerder.
De Britse meesterbiograaf Tim Jeal ging vorig jaar nog een reuzenstap verder. In zijn meeslepende Stanley. The Impossible Life of Africa’s Greatest Explorer wordt niet alleen overtuigend afgerekend met veel mythes die Stanley aankleven, ook steekt de schrijver zijn bewondering niet onder stoelen of banken. Dit wordt ongetwijfeld het nieuwe standaardwerk over Stanley, wiens rehabilitatie te danken is aan het feit dat het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in Tervuren sinds 2002 het omvangrijke Stanley-familiearchief voor onderzoekers toegankelijk heeft gemaakt.
Stanleys eigen werken, waaronder How I Found Livingstone (1872), Through the Dark Continent (1878) en The Congo and the Fouding of Its Freestate (1885), zijn in vele edities beschikbaar. Voor wie tot slot meer wil weten over de bij het grote publiek onbekende geschiedenis van de Arabische slavenhandel in Afrika (het geschatte aantal door Arabieren weggevoerde slaven in – alleen – de negentiende eeuw bedraagt 2 miljoen), kan terecht bij het gezaghebbende Islam’s Black Slaves van Ronald Segal (2000).

Websites
Aanhangers van het Nieuwe Leren, pas op: internet is geen goede bron voor betrouwbare informatie over Stanley. Wel is op www.gutenberg.org/author/Stanley zijn bestseller How I Found Livingstone integraal te downloaden, zelfs in een antiquarische Nederlandse versie. Maar originele werken van Stanley zijn te downloaden op www.archive.org. Ga naar ‘text’ en zoek op ‘Morton Stanley’. Aardig is ook om op te merken dat, blijkens internetlogboeken, veel westerse toeristen uit Zanzibar vertrekken met het idee dat dit een centrum was voor de westerse slavenhandel, in plaats van de Arabisch-islamitische. Zie voor een typisch verslag het relaas van ‘Marianne’ op www.igougo.com.

Museum
In het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika in het Belgische Tervuren is niet alleen het volledige Stanley-archief ondergebracht, er zijn ook verschillende Stanley-parafernalia te bezichtigen. Meer informatie op www.africamuseum.be.