Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 3/2009

Despoot Hassan II van Marokko (1929-1999)

De lange arm van Rabat

Door: Maurice Blessing
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
De Marokkaanse koning Hassan II erfde een koloniale staat, die hij niet ontmantelde maar in autoritair opzicht perfectioneerde. Volgens de Marokkaanse Grondwet is de vorst ‘onaantastbaar en heilig’. En net als het Opperwezen aan wie Hassan als ‘bevelvoerder der gelovigen’ zijn autoriteit zei te ontlenen, beschikte Hassan over leven en dood van zijn onderdanen – tot ver buiten de landsgrenzen.


29 Oktober 1965. Het is een druilerige middag in Parijs. De 45-jarige Marokkaanse marxist in ballingschap Mehdi ben Barka trekt een lange overjas aan. Hij zet een hoed op, en een bril met donkere glazen. Samen met de 28-jarige Marokkaanse geschiedenisstudent Thami Azemmouri houdt hij een taxi aan. ‘Boulevard St. Germain, s’il vous plaît.’ Ben Barka heeft een lunchafspraak in Brasserie Lipp met de Franse filmregisseur George Franju, bekend van de avant-gardistische horrorfilm Les yeux sans visage (‘Ogen zonder gezicht’). Hij is gevraagd Franju van advies te dienen bij diens nieuwste productie: een documentaire over de dekolonisatiestrijd. De werktitel luidt ¡Basta!.

Ben Barka zal Franju nooit ontmoeten. Voor de deur van het restaurant wordt hij aangehouden door twee agenten van de Franse zedenpolitie. Of hij wil meegaan; er zitten ‘belangrijke politici’ op hem te wachten. Azemmouri mag Ben Barka niet vergezellen en moet toezien hoe de laatste plaatsneemt op de achterbank van een zwarte Peugeot 403. In de auto zijn de contouren van nog twee mannen te ontwaren. Een van hen – zo zal blijken tijdens het gerechtelijk onderzoek naar de verdwijning van Ben Barka – is Julien Le Ny, de voormalige chauffeur van de legendarische Franse topcrimineel en nazicollaborateur ‘Pierrot le Fou’.

Voor in de auto zit Antoine Lopez, die de bijnaam ‘Zeepje’ draagt vanwege zijn glibberige karakter. Lopez is een agent van de Franse inlichtingendienst SDECE. Voor deze dienst onderhield hij vanuit het Noord-Marokkaanse Tanger jarenlang het contact met de Marokkaanse zusterdienst DGED. ‘Zeepje’ heeft hier goede relaties aan overgehouden met de Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken Mohamed Oufkir, de gevreesde rechterhand of ‘grootvizier’ van koning Hassan II van Marokko.

De auto verdwijnt in zuidelijke richting. Azemmouri, die in paniek is geraakt, houdt zich vijf dagen lang schuil voordat hij naar de politie durft te stappen. Op dat moment staat Ben Barka al enige tijd genoteerd als ‘vermist’. Dat staat hij nog altijd op 26 januari 1971 – de dag dat Azemmouri zich om onbekende redenen ophangt in zijn appartement. Azemmouri is lang niet de enige getuige of betrokkene die ‘zelfmoord’ zal plegen, een ‘auto-ongeluk’ zal krijgen of domweg verdwijnt. L’Affaire Ben Barka zal mede hierdoor uitgroeien tot een met vele speculaties omgeven cause célèbre.

Zelfmoord
Wat er precies met Ben Barka is gebeurd zal waarschijnlijk voor altijd onopgehelderd blijven. In Marokko en in linkse Franse kringen gaat al snel het gerucht dat de CIA het lichaam van de radicale politicus heeft verwerkt tot lijm voor het plakken van enveloppen. Volgens koning Hassan II is Marokko ‘op geen enkele wijze bij de zaak betrokken’, behalve dan dat zijn ‘geliefde vriend Ben Barka’ de Marokkaanse nationaliteit heeft.

Maar de geplande financier van het ¡Basta!-project, voormalig crimineel George Figon, beweert tegenover de Franse pers dat hij persoonlijk heeft gezien hoe Ben Barka is doodgemarteld in de villa van de Franse bordeeleigenaar Georges Boucheseiche, 35 kilometer ten zuiden van Parijs. De Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken Oufkir – die net als zijn directe ondergeschikte, DGED-baas Ahmed Dlimi, een dag na Ben Barka’s ontvoering in Parijs is gearriveerd – zou persoonlijk aan de martelingen hebben deelgenomen.

Figon kan deze beschuldiging niet voor de Franse rechter herhalen. Een week na zijn ‘bekentenis’ wordt de voortvluchtige Figon volgens een rapport van de Franse politie dood aangetroffen in een appartement in Parijs. Hij zou zelfmoord hebben gepleegd door zich een kogel door het hoofd te schieten. Boucheseiche, Le Ny en enkele van hun handlangers zijn dan al naar Marokko gevlucht, waar ze later spoorloos zullen verdwijnen.

Oufkir wordt in 1973 vermoord in het koninklijk paleis in Skhirat – volgens de officiële lezing schoot hij zichzelf neer, een actie waarbij hij opmerkelijk genoeg enkele malen in de rug werd geraakt. Dlimi kwam in 1983 om tijdens een ‘auto-ongeluk’ – waarbij omstanders meerdere explosies hoorden – na een naar verluidt gespannen onderhoud met de koning in diens paleis in Marrakech.

Een van de grote vragen die het onbevredigende Franse proces naar aanleiding van Ben Barka’s verdwijning oproept, betreft de mate waarin de Marokkaanse koning persoonlijk betrokken is geweest. Wat de Franse president De Gaulle neemt men algemeen aan dat deze door zijn eigen inlichtingendiensten in onwetendheid is gehouden. ‘Sommige onbenullen houden me voor een idioot!’ zou hij tijdens een kabinetsvergadering woedend hebben uitgeroepen.

Maar zijn belofte dat er koppen zullen rollen komt niet uit. Slechts één van de twee betrokken Franse agenten wordt veroordeeld – tot zes jaar onvoorwaardelijk– en één hoge SDECE-functionaris wordt gedwongen ontslag te nemen (deze zal later in zijn memoires beweren dat zijn gedwongen vertrek slechts als bliksemafleider diende). De Franse rechtbank veroordeelt Oufkir daarentegen bij verstek tot levenslang, evenals een Marokkaanse geheim agent met de schuilnaam ‘Chtouki’. De diplomatieke banden tussen Frankrijk en Marokko worden officieel verbroken; de breuk wordt pas weer gelijmd nadat De Gaulle in 1969 uit het Elysée is vertrokken.

De neger
Mehdi ben Barka was geen ‘geliefde vriend’ van Hassan II. Maar de twee kenden elkaar goed. Het is zelfs niet onvoorstelbaar dat er tussen hen ooit enige genegenheid heeft bestaan. In de jaren veertig krijgt Hassan – dan nog kroonprins van het Franse ‘protectoraat’ Marokko – zes jaar lang privéles van Ben Barka, toen wiskundeleraar op Rabats meest prestigieuze lyceum.

Hoewel de twee een totaal verschillende achtergrond hebben – Ben Barka is de zoon van een arme suikerhandelaar en Koranlezer uit Rabat – hebben ze op het persoonlijk vlak veel gemeen. Ten eerste fysiek: zowel de leraar als de leerling is – ook voor Marokkaanse begrippen – klein van stuk. Die fysieke tekortkoming compenseren beiden met verbale talenten. Journalisten die Hassan of Barka interviewen loven bijna zonder uitzondering de charme, energie en intelligentie van hun gesprekspartner. Maar de twee worden ook omschreven als autoritair, genadeloos en leidend aan vergevorderde grootheidswaan. Kroonprins Hassan en professeur Ben Barka vinden elkaar bovendien in hun afkeer van de Franse overheersing en zijn daarom aanvankelijk natuurlijke bondgenoten.

Van meet af aan zijn er ook verschillen. Hassan mag zich dan graag voordoen als multidisciplinair wetenschappelijk natuurtalent, met zijn pretentieuze verhandelingen weet hij niemand behalve zichzelf te overtuigen. De vele visionaire plannen die hij tijdens zijn leven zal ontvouwen – zoals een brug naar Europa waarvan de pijlers als boorplatformen kunnen dienen – maken vóór alles duidelijk dat Hassans intelligentie voornamelijk op het intuïtieve vlak moet worden gezocht. Ben Barka is daarentegen het prototype van de belezen intellectueel. Hij moet zijn negen jaar jongere leerling hebben geïmponeerd met zijn politieke en wetenschappelijke kennis, opgedaan in de universiteiten, bibliotheken en cafés van Algiers en Parijs.

Ook fysiek is er een belangrijk verschil. Ben Barka heeft een lichte huidskleur, terwijl het licht negroïde voorkomen van Hassan de Marokkanen al snel doet concluderen dat zijn – nooit in het openbaar verschijnende – moeder een zwarte slavin van zijn vader moet zijn geweest. In de huidskleurbewuste Arabische wereld vormt dit een nauwelijks te negeren ‘beschuldiging’: binnen de latere Marokkaanse oppositie wordt Hassan dan ook wel spottend ‘de neger’ genoemd.

Beide mannen zijn Marokkaans nationalist, maar ieder op zijn eigen manier. Hassan gelooft dat hij als uitverkoren telg van de Alawietendynastie, die sinds de zeventiende eeuw de Marokkaanse machthebbers of sultans heeft geleverd, een onvervreemdbaar recht bezit om over Marokko te heersen. Volgens de overlevering zijn de Alawieten bovendien afstammelingen van de profeet Mohammed. Dit geeft de Alawitische vorsten de benodigde autoriteit – of zelfverzekerdheid – om de titel ‘Bevelvoerder der Gelovigen’ te dragen. Hun wereldlijk gezag verwerft daarmee religieuze glans.

Ben Barka daarentegen kleurt, geheel in de geest van de tijd, zijn nationalistische overtuigingen marxistisch in. Recht in de leer toont hij zich daarbij niet. Zo steunt hij aanvankelijk met overgave het vorstenhuis als nationaal symbool. Als de Marokkaanse sultan Mohammed V in 1955 met erfprins Hassan triomfantelijk uit zijn tijdelijke gedwongen ballingschap in Madagaskar terugkeert naar Rabat en zich in een zwarte Delahaye een weg baant door een uitzinnige menigte, waakt Ben Barka over de veiligheid van de inzittenden.

Zijn ster is dan al tot grote hoogte gerezen. Zo is hij medeoprichter en uitvoerend secretaris van de dominante onafhankelijkheidsbeweging Istiqlaal. Mede omdat de linkse nationalist in Franse gevangenschap een aura van ‘patriottisch martelaar’ heeft verworven, wil de aanstaande koning – na de onafhankelijkheid in 1956 wordt Marokko een koninkrijk – zich graag aan zijn zijde presenteren.

Bloedbad
De samenwerking lijkt vrucht te gaan afwerpen. Mohammed V krijgt na de onafhankelijkheid te maken met de eigenzinnigheid van de gewapende voormalige verzetsgroepen tegen de Fransen. Naast het georganiseerd verzet, dat nu politieke invloed eist, zetten veel lokale groeperingen hun guerrilla-activiteiten naadloos om in maffiose praktijken. Kroonprins Hassan krijgt in zijn nieuwe functie als legeraanvoerder opdracht de postkoloniale verhoudingen eens en voor altijd te verduidelijken, en vindt Ben Barka aan zijn zijde. Het voormalige verzet vormt namelijk evengoed een bedreiging voor de Istiqlaal, die als politieke partij aanvankelijk streeft naar een eenpartijdictatuur met de koning als min of meer symbolisch staatshoofd.

Zowel Hassan als Ben Barka laat zich in de confrontatie tussen Hof en verzet van zijn bruutste kant zien. De Istiqlaal-politicus neemt de liquidatie op zich van de politiek vertegenwoordigers van het verzet; Hassan richt in 1958 in de Rif – broedplaats van het antikoloniale verzet – een bloedbad aan waaraan de Riffijnen tot op de dag van vandaag met wrok terugdenken. De belangrijkste officier aan koninklijke zijde heet Mohamed Oufkir, die zich onderscheidt met zijn nietsontziende optreden.

Maar dan ketsen de belangen van Hassan en Ben Barka als gelijk geladen magneten op elkaar af. Het optreden van het door de kroonprins beheerste leger – niet alleen in de Rif, maar ook in de andere landelijke gebieden – heeft het een prominente plaats bezorgd binnen de Marokkaanse machtsconstellatie.
De nationalistische, stedelijke partijbonzen van de Istiqlaal moeten inschikken ten gunste van het officierenkorps van het leger, dat voornamelijk bestaat uit de zonen van Berbernotabelen zoals Oufkir, die zijn opgeleid en gevormd in het Franse leger.

Ben Barka is gefrustreerd door de inschikkelijkheid van Istiqlaal-prominenten die eieren voor hun geld kiezen en vreedzame coëxistentie met het Hof zoeken. Met andere ontevreden leden van de partij richt hij in 1959 de socialistisch georiënteerde Union Nationale des Forces Populaires (UNFP) op.

Het Hof reageert met een tactische meesterzet. In ruil voor absolute loyaliteit staat de koning de tot dan toe illegale politieke tak van het voormalig verzet, de Mouvement Populaire (MP), toe zich te registreren als politieke partij. De UNFP wordt zo effectief geïsoleerd aan de verkeerde kant van de nu allesbepalende scheidslijn tussen ‘loyalisten’ en ‘linkse radicalen’.

Omdat de Marokkaanse machtselite haar lot in toenemende mate verbindt aan een militair-economische alliantie met Frankrijk en de Verenigde Staten – en daardoor ook met Israël, wiens geheime dienst Mossad in de jaren zestig het Marokkaanse politiekorps helpt opleiden – is het niet meer dan logisch dat de UNFP in het concurrerende, anti-Amerikaanse kamp wordt gezogen. Zou het UNFP in de jaren negentig zijn opgericht, dan waren Ben Barka en zijn medestanders hoogstwaarschijnlijk niet als marxisten, maar als islamitische fundamentalisten door het leven gegaan.

Martelcentrum
In 1961 overlijdt koning Mohammed V geheel onverwachts aan de complicaties van een neusoperatie. Hassan komt op de troon. Oufkir, die Ben Barka na diens arrestatie in 1951 als koloniaal officier nog persoonlijk heeft bewaakt – een gelegenheid waaruit een intense wederzijdse afkeer zou zijn voortgevloeid – wordt hoofd van het politiekorps. Oufkir zal zich intensief gaan bezighouden met het beteugelen van dissidenten. Zijn belangrijkste detentie- en martelcentrum vestigt hij met een ruw gevoel voor symboliek in het onteigende paleis van een bij het Hof in ongenade gevallen aristocratische familie.

De druk op de UNFP wordt geleidelijk aan opgevoerd. In 1960 heeft het Hof de socialisten al beschuldigd van het plannen van een moordaanslag op – dan nog kroonprins – Hassan. Een prominent UNFP-lid en vriend van Ben Barka wordt opgepakt en tot levenslang veroordeeld. Ben Barka is dan al naar het buitenland gevlucht, waar hij zich in links-revolutionaire kringen beweegt. Zo organiseert hij de militaire training van Marokkaanse revolutionairen in Palestijnse vluchtelingenkampen in Syrië. Dit moet bij de Israëlische Mossad bekend zijn geweest, en daarmee ook bij de Marokkaanse, Amerikaanse en Franse geheime diensten.

In mei 1962 keert Ben Barka onverwacht terug naar Marokko. Op een historisch congres van de UNFP brengt hij zijn aanhangers in extase door ‘de rijke klasse’, het ‘feodalisme’ en het ‘internationale imperialisme’ te hekelen. Hij werpt zich op als het enige geloofwaardige alternatief voor de heersende politieke kliek en stelt te willen afrekenen met corruptie en onrecht. Ook eist hij een constitutie die ‘het volk’ laat delen in de macht.

Maar de Marokkaanse grondwet die later dat jaar wordt geproclameerd concentreert alle macht bij de koning, onder het mom van diens positie als ‘Bevelhebber der Gelovigen’. Het Marokkaanse parlement zal tandeloos zijn. De Marokkaanse koning wordt ‘onaantastbaar en heilig’ verklaard. De ‘rechten en vrijheden van de burgers’ worden niet gegarandeerd door regering of justitieel apparaat, maar door de monarch. De koning ontkent nog in 1991 dat zijn grondwettelijke almacht een anachronisme is. ‘Volgens de westerse ethiek is het een anachronisme,’ aldus het staatshoofd tegenover Franse journalisten, ‘maar niet in het licht van de Arabische ethiek.’

De kritiek op de koning wordt luider, mede aangewakkerd door een zware economische crisis op het platteland. Het is de meeste Marokkanen duidelijk geworden dat de koloniale staat nooit is ontmanteld, maar slechts in nieuwe handen is terechtgekomen. Binnen het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken wordt serieus rekening gehouden met een omverwerping van het Marokkaanse regime.

Met de parlementsverkiezingen van 1963 in het vooruitzicht wordt de regering onzeker. Ze wil graag het democratische spel spelen, maar alleen als ze zelf de regels kan blijven bepalen. Maar de populariteit van de socialisten maakt het ‘spelen’ met democratie tot een risicovolle bezigheid. De Marokkaanse minister van Binnenlandse Zaken Guédira, directe baas van Oufkir, zal dit dilemma treffend omschrijven: ‘We hadden een huis gebouwd dat bewoond dreigde te gaan worden door onze tegenstanders; we moesten ruimte maken voor onze vrienden.’

Hitlist
Nadat de royalisten in mei de parlementsverkiezingen – volgens de officiële tellingen – ruimschoots hebben gewonnen, beschuldigt de regering de UNFP ervan plannen te beramen om de koning te vermoorden. In maart 1964 worden 49 ‘samenzweerders’ van de UNFP ter dood veroordeeld. De koning zal hun later gratie verlenen, behalve Ben Barka, die opnieuw tijdig naar het buitenland is gevlucht. Ben Barka wordt zelfs een tweede maal ter dood veroordeeld: hij wordt er ook van beschuldigd te heulen met het socialistische regime in Algerije, waarmee Marokko een jaar eerder in een grensoorlog is geraakt.

Maar de aantijgingen aan het adres van de UNFP leiden er niet toe dat het volk zich achter de bedreigde koning schaart. Integendeel, in 1965 loopt de maatschappelijk onrust uit in grootschalig oproer. In Casablanca kiezen rebellerende studenten de zijde van de verschoppelingen in de plaatselijke sloppenwijken of bidonvilles: gezamenlijk zetten ze de stad letterlijk in brand. Vanuit een helikopter dirigeert Oufkir zijn ordetroepen – volgens de overlevering met een machinegeweer in zijn hand, waarmee hij de demonstranten gepassioneerd onder vuur neemt. Oufkir zal twee maanden later door Hassan worden benoemd tot minister van Binnenlandse Zaken.

Vanuit het paleis beschuldigt Hassan II ‘de intellectuelen’ ervan de onrust te hebben veroorzaakt. ‘Er is geen groter gevaar voor de staat,’ aldus het staatshoofd, ‘dan een zogenoemde intellectueel. Het zou beter zijn geweest als jullie allemaal ongeletterd waren.’ Hij roept de staat van beleg uit om per decreet te kunnen regeren, zodat Marokko’s laatste façades van democratie omver worden geworpen.

Maar Hassan weet ook dat dit niet genoeg is om te overleven. Ben Barka moet als politieke tegenkracht onschadelijk worden gemaakt, goedschiks dan wel kwaadschiks. Hij stuurt hem een verzoenend bericht: ‘Ik wil dat mijn oude wiskundeleraar naar huis komt, omdat ik in Marokko een vergelijking moet oplossen.’

Na lang aarzelen stemt Ben Barka toe. Maar eerst heeft hij nog wat zaken af te handelen, zoals het organiseren van de Drie Continenten Conferentie die in januari 1966 zal plaatsvinden in Havana. Het is onduidelijk hoe serieus Ben Barka’s toezegging aan Hassan is geweest. Misschien is zijn vermoeden dat hij op de hitlist stond van verschillende inlichtingendiensten de enige beweegreden geweest voor zijn ogenschijnlijke handreiking. Misschien ook is datzelfde vermoeden de reden geweest voor zijn talmen – zeker nu zijn aartsvijand Oufkir zich tot in het centrum van de macht heeft opgewerkt.

Hoe dan ook, het uitstel leidt ertoe dat de ‘vergelijking’ uiteindelijk buiten hem om wordt opgelost. Na de dood van Ben Barka zal de dreiging voor het koningshuis niet langer van ‘links’ komen, maar – geheel onverwacht – van ‘rechts’: het leger en de islamisten.

Hassan II, die tot aan zijn dood in 1999 zal doorregeren, wast zijn handen als gewoonlijk in onschuld. In 1992 zal hij verklaren dat de moord op Ben Barka deel uitmaakte van een tegen hem persoonlijk gericht complot. Oufkir en zijn medestanders zouden stelselmatig zijn politiek van verzoening hebben gedwarsboomd. Hassan II zal het officiële dogma van onaantastbaarheid en heiligheid van de Marokkaanse vorst tot aan zijn laatste zucht in ere houden.


JAREN VAN LOOD
De regeerperiode van Hassan II staat bekend als les années de plomb, ofwel ‘de jaren van lood’. Het is een verwijzing naar het repressieve karakter van Hassans regime. Ook Marokkanen in Nederland waren er het slachtoffer van. Spectaculaire verdwijningen als die van Ben Barka deden zich hier niet voor, maar Marokkaanse migranten in Nederland werden wel in de gaten gehouden en geïntimideerd door de Marokkaanse overheid.
Dit was de taak van de beruchte Amicales-verenigingen, die officieel het ‘sociale en culturele welzijn’ van de Marokkaanse migranten in Nederland moesten bevorderen. In de praktijk zagen de Amicales erop toe dat de Marokkaanse arbeiders niet staakten, braaf geld overmaakten naar Marokko en niet te zeer integreerden, maar vooral: dat er geen politieke activiteiten tegen de Marokkaanse regering werden ondernomen.
Wie de pech had dat zijn of haar (vaak gematigde) kritiek op Hassan II de Amicales ter ore kwam, kwam het vaderland niet meer in. Dit overkwam onder meer de latere duo-lijsttrekker van GroenLinks, Mohammed Rabbae.
De Amicales zijn in 1981 verboden, maar algemeen wordt aangenomen dat dit niet het directe einde betekende van de repressieve Marokkaanse politiek ten aanzien van ‘buitenlandse’ Marokkanen. Vooral oudere Marokkanen in Nederland wantrouwen nog altijd iedere vorm van bemoeienis van de Marokkaanse overheid.


MEER INFORMATIE

Boeken
Er wordt in Nederland weliswaar veel over ‘Marokkanen’ gepraat, geschreven en vergaderd, en Nederlandse ambtenaren en hulpverleners blijven in drommen ‘op studiereis’ de kashba’s en soeks van Marokko verkennen, een degelijk Nederlandstalig geschiedenisboek over het land heeft blijkbaar weinig prioriteit. Geschiedenis van Marokko van Herman Obdeijn, Paolo De Mas en Philips Hermans (tweede herziene druk, 2002) is boven alles een plaatjesboek. Inhoudelijk is er ook het nodige op aan te merken: zo wordt de bewering van het Marokkaanse Hof dat Oufkir achter de mislukte legercoup van 1972 zat door de auteurs zonder enige terughoudendheid als feit gepresenteerd.
Dat doet journalist Steven Adolf ook in Marokko achter de schermen. Een wedloop voor een betere toekomst uit 2005. Toch vormt zijn boek, dat feitelijk geen geschiedenisboek is maar een journalistiek werk met historische uitweidingen, veruit de beste inleiding op de Marokkaanse – moderne – geschiedenis in de Nederlandse taal.
In Jaren van lood (2000) laat arabiste Sietske de Boer een Marokkaanse pater familias terugkijken op de jaren van repressie onder Hassan II. Het is een nogal larmoyant en eenzijdig verhaal geworden. In de categorie pamflettisme is Notre ami le Roi van Gilles Perrault, in het Nederlands verschenen als Een bevriend staatshoofd (1992), beter verteerbaar.
Meer afgewogen – en daardoor veel fascinerender – is Morocco under King Hassan (2001) van de Britse journalist wijlen Stephen Hughes, die het grootste deel van zijn lange leven als correspondent in Marokko doorbracht. Hij vertelt onder meer over zijn persoonlijke ervaringen met Hassan II, Ben Barka en Mohamed Oufkir. Een meer standaard academische geschiedenis van de jaren onder Hassan is te vinden in Morocco since 1830. A History van C.R. Pennell (2000).
Van de vele Franstalige boeken die uit L’Affaire Ben Barka zijn voortgevloeid staat de biografie Ben Barka (1996) van Zakya Daoud en Maâti Munjib in hoog aanzien. In Ben Barka, ses assassins (1982) poogt Daniel Guerin de moord te reconstrueren.

Films
Er zijn verschillende films en documentaires gemaakt over de verdwijning van Ben Barka. In de ‘politieke thriller’ J’ai vu tuer Ben Barka (2006) van de Franse regisseur Serge Le Péron wordt het verhaal van de moord verteld door de ogen van getuige Georges Figon, hier gespeeld door Charles Berling. Ben Barka, The Moroccan Equation (2003) van de van oorsprong Marokkaanse documentairemaakster Simone Bitton is biografisch van aard. Verder zijn de meest uiteenlopende Franse films – losjes – op de ontvoering gebaseerd, van Yves Boissets L’Attentat uit 1972 (met Jean-Louis Trintignant en Michel Piccoli) tot Les Aventures de Rabbi Jacob uit 1973, een kluchtig Louis de Funès-vehikel.

Websites
De documentaire van Bitton en fragmenten uit films over Ben Barka kunt u eenvoudig op internet vinden via http://video.google.com. Zoek op ‘Ben Barka’ en ‘alle video’s’.
Voor meer informatie en verwijzingen over Ben Barka zie www.bibliomonde.net/auteur/mehdi-ben-barka-133.html en www.monde-magouilles.com/ben_barka.php.
Voor de Alawietendynastie zie www.usa-morocco.org/alaoui.htm, of www.marocain.biz/Mar/HassanII.php voor meer info, links en boeken over Marokko en koning Hassan.