Contact | Adverteren | Login | Klantenservice | Privacy
Log in
Wachtwoord vergeten
Historisch Nieuwsblad 4/2008

Massahysterie over een voorbarige bevrijding

Ooggetuigen vertellen over Dolle Dinsdag

Door: Bas Kromhout
Met deze knop kunt u artikelen toevoegen aan een leeslijst op uw persoonlijke pagina. Klik hier om in te loggen.
In 1950 hield het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie een landelijke enquête over Dolle Dinsdag. De honderden unieke getuigenissen verdwenen in een archiefkast. Historisch Nieuwsblad kreeg na 57 jaar inzage. Reconstructie van een massapsychose.

‘Nu de geallieerde legers in hun onweerstaanbare opmars de Nederlandse grens overschreden hebben, wil ik u, uit naam van ons allen, hartelijk welkom toeroepen op onze vaderlandse bodem.’ Met deze woorden, uitgesproken voor Radio Oranje op maandagavond 4 september 1944, ontketende premier in ballingschap P.S. Gerbrandy een aanval van massahysterie in het bezette Nederland. In razend tempo verspreidde zich het gerucht: de Tommies komen eraan.

De volgende dag stonden in veel dorpen en steden mensen in uitgelaten stemming de bevrijders op te wachten. Duizenden NSB’ers vluchtten naar Duitsland. Maar het bericht bleek voorbarig. De geallieerden hadden voorlopig halt gehouden aan de Belgische kant van de grens. Er zou nog een dik halfjaar zwaar gevochten en geleden moeten worden, voordat heel Nederland van de Duitse bezetting was verlost.

Dinsdag 5 september 1944 werd door alle betrokkenen ervaren als een beschamende episode. Door Gerbrandy en Radio Oranje, omdat hun geloofwaardigheid was aangetast. Door de Duitsers en hun Nederlandse handlangers, omdat zij door slappe knieën te tonen de hoon en de minachting van de bevolking op zich hadden geladen. Maar ook door de Nederlanders in het algemeen, die zich hadden laten meeslepen door hun eigen overspannen emoties en goedgelovigheid. Alleen de satirische propagandakrant De Gil zag de humor ervan in en doopte de 5de september melig om tot Dolle Dinsdag.
 

Op zoek naar getuigen

Toen de staf van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD, tegenwoordig Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie), onder leiding van oud-medewerker van Radio Oranje Loe de Jong, in 1948 een lijst van onderzoeksthema’s vaststelde, stond Dolle Dinsdag daar niet op. Dit onderwerp kreeg pas bijzondere aandacht van het RIOD toen de Leidse student A. Buma zich in de zomer van 1950 meldde bij het instituut. Deze wilde zijn doctoraalscriptie aan Dolle Dinsdag wijden en vroeg het RIOD om bronnenmateriaal.

‘Wij bleken deze gegevens niet te bezitten,’ zo staat in een verslag van het instituut. Besloten werd een landelijke enquête te houden om erachter komen wat burgers zich herinnerden van 5 september 1944. De onderzoekers van het RIOD wilden niet alleen de feitelijke gebeurtenissen in kaart brengen, maar ook de oorlogspsyche van het Nederlandse volk peilen. Wat er was voorgevallen op Dolle Dinsdag zou namelijk licht werpen op ‘de labiliteit van stemming en oordeel tijdens de bezetting’.

Aan alle gemeentebesturen van Nederland werden tien enquêteformulieren gestuurd, met het verzoek deze ‘aan daarvoor in aanmerking komende inwoners der gemeente uit te reiken’. Bovengemiddeld veel formulieren zijn ingevuld door oud-verzetsdeelnemers. Geheel afwezig zijn de verhalen van mensen die met de Duitse bezetter sympathiseerden.
 

Bronnen in overvloed

De enquêteformulieren bevatten 52 open vragen. De onderzoekers wilden van elke respondent precies weten welke geruchten hij op 5 september had vernomen, hoe die geruchten tot hem waren gekomen, en wat zijn reactie was. Verder of de respondent zelf had meegedaan aan het verspreiden van de geruchten, en wat zijn reactie was nadat was gebleken dat de geruchten onjuist waren. Overigens vreesde Buma dat veel geënquêteerden zich de feiten niet goed zouden kunnen herinneren, ‘gezien het feit, dat de bedoelde datum ruim zes jaar achter de rug ligt’.

Van de ruim 10.000 uitgezette vragenlijsten zijn er ongeveer 2900 ingevuld geretourneerd aan het RIOD. ‘Bronnen dus in overvloed, maar een volledige uitputting hiervan zou een werk van jaren zijn,’ schreef Buma in de inleiding van zijn scriptie. Voor zijn onderzoek verwerkte hij 1627 formulieren. In 1951 studeerde Buma af.

En daar bleef het voorlopig bij. Hoewel het RIOD oorspronkelijk van plan was de onderzoeksresultaten ook zelf te gebruiken voor een publicatie over Dolle Dinsdag, is het daar nooit van gekomen. De 2900 formulieren vol eerstehands herinneringen en verhalen – uniek onderzoeksmateriaal waar huidige onderzoekers van de Tweede Wereldoorlog alleen maar van kunnen dromen – verdwenen in de peilloze archieven aan de Herengracht.

Totdat Historisch Nieuwsblad 57 jaar later de kans kreeg om deze schat opnieuw op te graven. Ook voor de redacteuren van dit blad was de omvang van het materiaal te groot om zelfs maar de schijn van uitputtendheid op te houden. Maar zelfs een willekeurige greep uit de verhalen, aangevuld met de conclusies uit Buma’s scriptie, is genoeg om een indruk te krijgen van de vreugde, de paniek en de teleurstelling die de Nederlandse bevolking rond 5 september 1944 doormaakte.
 

De geallieerden naderen

Het begon allemaal met de snelle opmars van de geallieerde legers door België. Op zondag 3 september was Brussel bevrijd, een dag later stonden de geallieerden in Antwerpen. ‘Wij hadden de kaart erbij gepakt en gingen de in enkele dagen in België afgelegde afstanden vergelijken met de afstanden in Nederland,’ schreef Bernardus Kalb uit Andijk op zijn enquêteformulier. ‘Er werd gezegd: de afstand Brussel-Breda is één dag, als de geallieerden zo blijven doorstoten zijn wij in twee dagen bevrijd.’

Al op zondagavond meldde Radio Oranje dat volgens onbevestigde – en onjuiste – berichten van Duitse zijde Amerikaanse troepen in Zuid-Limburg waren aangekomen en het Julianakanaal hadden bereikt. Bij het van mond tot mond doorvertellen werd het nieuws nog mooier gemaakt. ‘Maandagmiddag [bereikte] mij het bericht dat Maastricht was bevrijd en de opmars der geallieerden reeds Midden-Limburg had bereikt,’ schreef Jan Beij uit Maasbracht. ‘Ik geloofde de geruchten en vertelde deze verder.’ De monnik Wilhelmus Sillekens uit Mook beschreef hoe hij en de andere broeders op de toren van de abdij klommen om te zien of ze de geallieerden al konden zien naderen.
 

‘Ik geloofde de geruchten en vertelde deze verder.’

Pieter Damsté uit De Bilt hield notities bij van wat hij die maandag zoal vernam. ‘2 uur: Amerikanen zouden in Maastricht zijn aangekomen. 3 uur: eerste colonne trekt via Eijsden richting Aken, een andere is Maastricht gepasseerd evenals het Julianakanaal en wordt te 4-5 uur in Eindhoven verwacht. 7.30 uur: De Amerikanen staan in Tilburg. En op de Rijksweg richting Arnhem zijn veel troepen en materieel gesignaleerd.’

 

Verkeerde informatie op de radio

Die maandagavond kwam de reeds geciteerde radiomededeling van Gerbrandy dat de geallieerden op Nederlands grondgebied stonden. Over de herkomst van deze verkeerde informatie bestaat veel onduidelijkheid. Toen Radio Oranje-medewerker H.J. van den Broek de voor te lezen tekst overhandigde aan premier Gerbrandy, stond daarin nog dat de geallieerden de Nederlandse grens ‘naderen’. Gerbrandy maakte er ‘hebben overschreden’ van. Tegen de stomverbaasde Van den Broek zei Gerbrandy zelfverzekerd: ‘We hebben inlichtingen van onze eigen mensen.’

Waarschijnlijk bedoelde de premier het Bureau Inlichtingen, dat via geheime zenders contact hield met de illegaliteit in bezet gebied. Zij zouden geallieerde eenheden op Nederlandse bodem hebben waargenomen. Om kwart voor twaalf ’s avonds wist het Nederlands Nieuws van de BBC te melden waar de vermeende grensoverschrijding had plaatsgevonden: bij Breda. De stad zou zelfs al bevrijd zijn.

Volgens één theorie berustte deze mededeling op een communicatiefout tussen de geallieerde legerleiding en een Britse tankcommandant. Deze zou zich in het Belgische Maria-ter-Heide ter hoogte van het Café Breda hebben bevonden toen hem over de radio werd gevraagd zijn positie door te geven. Volgens een andere theorie zijn er daadwerkelijk geallieerde verkenners tot bij Breda geweest. De Bredase ex-taxichauffeur Johannes Huismans schreef op zijn enquêteformulier: ‘Ik [was] toevallig in een Duits kamp toen er een patrouille van Engelsen werd gemeld, die ik zelf overigens ook in de verte had gezien.’

De indruk dat de bevrijding ophanden was, werd in het zuiden versterkt door de aanblik van terugtrekkende Duitse troepen. ‘De zondag vóór 5 september begonnen over de rijksweg Maastricht-Aken de Duitsers zich terug te trekken op alle mogelijke voertuigen: militaire, burgervervoer, fietsen, paarden etc.,’ schreef een respondent uit Margraten. Marinus Louwers uit het Brabantse Bakel herinnerde zich over de dinsdag: ‘Wij woonden langs de weg Helmond-Deurne. [Hier] begon het terugtrekken van Duitse soldaten daags voor Dolle Dinsdag. Om ongeveer 13 uur kwamen de Duitsers die gelegerd waren op vliegveld Eindhoven voorbij. Deze vertelden dat ze niet te lang bleven rusten, omdat de Tommies al in Breda stonden.’
 

Oranjebitter

Ook in West- en Midden-Nederland heerste grote opwinding. ‘De geruchten waren over het algemeen zeer verwarrend,’ aldus een respondent uit Zeist. ‘Ik hoorde het ene door de radio, en het andere van horen zeggen. Er werd veel bij gefantaseerd omdat men hoopte dat het waar zou zijn.’

Op zondag 3 september had koningin Wilhelmina via Radio Oranje bekendgemaakt dat prins Bernhard de leiding van de Binnenlandse Strijdkrachten op zich nam. Vermengd met het bericht van maandagavond werd dit: de prins is in Breda. Sommigen wisten zelfs te melden dat hij al in Leiden was gesignaleerd, aan het hoofd van de Irenebrigade.

Een ander radiobericht dat voor verwarring zorgde, was een oproep die generaal Eisenhower op 4 september richtte aan de Rotterdamse haven- en spoorwegarbeiders. Zij moesten de haveninstallaties beschermen tegen vernietiging door de Duitsers en ‘ter beschikking blijven’. Velen concludeerden hieruit dat de bevrijding van de Maasstad aanstaande was.
‘De geruchten gingen door de stad dat de geallieerden de Moerdijk over waren,’ schreef een Rotterdammer. ‘Later hoorden we dat ze zelfs al bij Zwijndrecht waren. De gehele middag hebben mijn vrouw en ik bij het raam staan wachten op de geallieerden, overtuigd dat de bevrijding die dag, desnoods ’s avonds, zou komen. In die avond dronken wij met de buurman een fles oranjebitter, die hij speciaal voor de bevrijding had bewaard.’

Op het eiland Rozenburg in de Nieuwe Waterweg probeerde Jan Kuiper de geruchten na te trekken. ‘In de namiddag van 5 september [heb ik] het gemeentehuis van Breda gebeld en kreeg daarvandaan het bericht dat er nog niets aan de hand was. In Rotterdam en Hoek van Holland kreeg ik nergens gehoor; dit zou erop kunnen duiden dat alle bureaus waren verlaten, wat ook het gerucht was. De algemene opinie was al snel dat er een marine-eenheid de Nieuwe Waterweg op gevaren was en er geen tegenstand geboden zou zijn.’
Elders in het land zong het nieuws rond dat de Rotterdammers zelf de bezetters hadden verjaagd. ‘Eisenhower heeft de bevolking van Rotterdam gevraagd niet in opstand te komen – tevergeefs, ze doen het toch,’ noteerde Jan Schelhaas uit Zeist op Dolle Dinsdag in zijn dagboek. Anderen wisten te vertellen dat honderden Rotterdamse verzetsstrijders bovengronds waren gekomen en de stad hadden bevrijd.
 

Volksverbeelding slaat op hol

In de volksverbeelding nam de geallieerde opmars steeds onrealistischer vormen aan. Terwijl in het oranje uitgedoste Hagenaars de bevrijders opwachtten op het Rijswijkseplein, dacht men in Leiden dat de residentie al gevallen was. ‘We besloten met de motor naar Den Haag te gaan teneinde de doortocht van de geallieerden door Den Haag naar Amsterdam gade te slaan,’ schreef een respondent uit Leiderdorp. ‘In Leiden zagen we vlaggen uithangen en mensen in het oranje lopen. Zelf droegen we ook oranje, en de Duitsers deden hier niets tegen. Wij zeiden: zie je wel, het is voorbij!’
 

In de volksverbeelding nam de geallieerde opmars steeds onrealistischer vormen aan.

Dezelfde taferelen deden zich voor in Amsterdam. ‘De bevolking [stond] al klaar op de Overtoom om de geallieerden binnen te halen, want daar zouden ze tussen vier en vijf [uur] de stad binnenkomen,’ aldus Anne de Lange. Volgens de eerder genoemde Andijker werd ‘in het enthousiasme aan hinderlagen en aan Duitse tegenstand geen aandacht meer geschonken. De een zei: in dit tempo moeten ze nu al in Haarlem zijn, en na enkele doorvertellingen wordt het: de geallieerden zijn in Haarlem.’ Bernhart Boers uit Assendelft schreef: ‘Ik heb dorpsgenoten ontmoet die beweerden zelf de geallieerden gezien te hebben in de omgeving van Haarlem. Die mensen waren totaal overstuur!’

Ook in Twente maakten mensen zich op voor het bevrijdingsfeest. De Almelose winkelier Jan Fokkens zag commerciële mogelijkheden. ‘Tijden van tevoren hadden wij reeds een “bevrijdingsetalage” ontworpen. Op Dolle Dinsdag lieten we deze gereedmaken. Mensen zeiden: “Gaat het gebeuren, Fokkens?”’

Als de geallieerden die dag werkelijk Almelo hadden bereikt, dan zouden ze in enkele uren vanaf de Belgische grens ongeveer 150 kilometer afgelegd moeten hebben, daarbij zowel de grote rivieren als het Duitse leger bedwingend. Het is de vraag hoe zulke irreële voorstellingen konden postvatten.

Volgens Buma verlangde men er vóór alles naar dat de eigen woonplaats zo snel mogelijk werd bevrijd. Elk gerucht dat dit leek te bevestigen, hoe absurd ook, werd maar al te graag geloofd, aangedikt en doorverteld. Twijfel werd onderdrukt, waarbij vooral het groepsproces een grote rol speelde: als de anderen het zeiden, dan moest het wel waar zijn. Ook houdt Buma er rekening mee dat niet iedereen beschikte over goede topografische kennis.
 

Represailles

Maar niet alleen het onwetende volk hield zichzelf voor de gek. Ook veel verzetsgroepen dachten dat de bevrijding nabij was en besloten in actie te komen. ‘Wij [gingen] krijgsgevangenen maken en gevaarlijke NSB’ers opruimen’, schreef Peter Schets uit Beek. ‘Die sloten wij op in een oud kasteel.’ Teunis Broekhuizen uit het Zuid-Hollandse Meerkerk schreef: ‘Een verzetsgroep heeft vanaf Dolle Dindag tot aan de bevrijding drie Duitse soldaten gevangengenomen.’ Zulke acties waren niet alleen voorbarig, ze zorgden ook voor gevaarlijke situaties.

Zo schreef George Dagnelie uit Amerongen dat de gevangenneming van de NSB-burgemeester door het verzet ‘leidde tot Duitse represailles, vooral te Leersum’. Ook in Bensschop had roekeloosheid desastreuze gevolgen, schreef Johannes Breekveldt. ‘Er waren hier veel onderduikers. De leiders wilden graag een foto van hen allen, met de Nederlandse vlag. Deze viel later in Duitse handen. Door verraad heeft dit bij negen van de onzen het leven gekost.’

Dat de Duitse macht nog niet was gebroken, leek slechts een enkeling te beseffen. Johanna Buis-Groeneveld uit Aalsmeer had ’s ochtends de uitgelaten menigte in Amsterdam gezien en schreef: ‘Ik was bang voor represailles, want ik kon niet geloven dat de Duitsers zich zomaar zouden overgeven.’ Dat klopte. Rijkscommissaris Seyss-Inquart riep op maandag 4 september de bijzondere staat van beleg uit. Op dinsdag maakte de Höhere SS- und Polizeiführer Rauter bekend dat op samenscholingen van meer dan vijf personen zou worden geschoten.
 

Dat de Duitse macht nog niet was gebroken, leek slechts een enkeling te beseffen. 

De angst voor verhoogde repressie was niet de enige reden waarom sommigen de geallieerde opmars met somberheid tegemoet zagen. Nederland zou in de vuurlinie komen te liggen, met alle gevolgen van dien. ‘Men was ergens bezorgd en hoopte dat er voor de bevrijding niet wezenlijk gevochten hoefde te worden in onze streek,’ aldus de respondent uit Maasbracht.


Angst bij de NSB

Angst was er ook bij mensen die openlijk met de bezetter sympathiseerden, NSB’ers voorop. Zij namen massaal de wijk. Een respondent uit het Noord-Brabantse Budel schreef: ‘Op 4 september, tegen het vallen van de avond, vertrokken de meeste NSB’ers richting Weert. Het was een zielige stoet, moeders ineengedoken, met schreiende kinderen op schoot, [en] in de haast bijeengeraapte kleren en beddengoed. De stoet werd begeleid door de NSB’ers zelf met de revolvers in de hand, in het wilde weg schietend.’

De volgende dag kwam ook in West- en Midden-Nederland de uittocht van de NSB op gang. ‘Omstreeks tien uur riep de NSB-burgemeester alle chefs en hoofden van dienst bijeen,’ aldus Rien IJkema uit Baarn. ‘Hij deelde mede dat hij het beter vond Baarn te verlaten.’ Anton ten Broeken uit Overveen reisde op dinsdagochtend per trein naar Utrecht. Op de stations zag hij ‘bepakte, gedrukte vluchtende NSB’ers’ en ‘onrustige Duitse soldaten’. ‘Alles droeg het stempel van belangrijke gebeurtenissen.’

Einddoel van de vluchtelingen was Duitsland. De bewoners van Noord- en Oost-Nederland sloegen de doortocht gade. ‘Op die bewuste Dolle Dinsdag kwamen er op het stadhuis in Groningen verschillende NSB’ers die in het westen van het land een functie als bijvoorbeeld burgemeester hadden bekleed,’ schreef Hendrik Beins uit Groningen. ‘Er kwam zelfs een vrachtauto met enkele NSB-gezinnen, die de kluts helemaal kwijt waren.’

Veel Noord-Nederlanders keken enigszins verbaasd naar al die ophef. ‘In Groningen [is] van een echte Dolle Dinsdag geen sprake geweest,’ aldus Henriëtte Heiting-Haan. De grote afstand tot het front zal aan de relatieve rust in het noorden hebben bijgedragen, maar ook de lage bevolkingsdichtheid speelde een rol. ‘Daar wij op een afgelegen boerderij woonden hebben wij weinig van Dolle Dinsdag gemerkt,’ schreef Albert Janmaat uit Twente. Streekgenoot Egbert Schutte: ‘In het algemeen was de stemming op het platteland rustig.’
 

De harde waarheid

Na Dolle Dinsdag kwam Nederland weer met een klap terug op aarde. De stemming sloeg het eerst om in het zuiden, waar men in de gaten kreeg dat de aangekondigde geallieerden niet kwamen. In plaats daarvan zag men verse Duitse troepen naar het front marcheren. Op de ochtend van 5 september had Kornelis Gondewaard, die woonde aan de weg Breda-Moerdijk, handenwrijvend staan kijken hoe Duitse troepen ongeordend richting Hollands Diep vluchtten. ‘Maar in de loop van de middag kwamen ze weer terug met boerenkarren en wagens. [Dit was] voor velen een teleurstelling.’

In het westen duurde het iets langer voordat de harde realiteit doordrong. ‘Tegen woensdagavond begrepen we dat de zaak muurvast zat,’ aldus De Vries uit Rotterdam. ‘Daarop is die vreselijke Hongerwinter gekomen. We hebben later zuur geglimlacht om onze goedgelovigheid.’ Voor de Amsterdamse Cornelia van Uilingen was ‘de teleurstelling haast niet te verwerken’.

Volgens Dirk Broeren uit Ridderkerk leidde de deceptie bij velen tot ‘apathie en bij sommige mensen zelfs tot een soort bitterheid jegens de geallieerden’. Adriaan Colijn uit het Brabantse Almkerk schreef dat ‘het vertrouwen in Radio Oranje erg [was] geschokt’. Sommigen dachten dat Londen expres desinformatie had verspreid om het Duitse moreel te ondermijnen.
‘Wij hebben beslist die berichten voor een prachtige strategie [gehouden], die schitterend geslaagd is, maar niet benut,’ aldus Anthony Keet, oud-lid van de illegale KP in Assendelft. ‘Het was ons toen, en zelfs nu nog, onbegrijpelijk waarom de geallieerden geen gebruikmaakten van de enorme verwarring van de Duitsers.’ D.P. Modde uit Oostburg verzuchtte: ‘Was er maar een Tommy gekomen met een jeep, dan hadden ze zich allemaal overgegeven.’

Zelfs na Dolle Dinsdag wilde het blijkbaar nog niet tot alle Nederlanders doordringen hoe onrealistisch hun verwachting van een ‘Blitz-bevrijding’ was geweest. Deze ‘labiliteit van stemming en oordeel’ onder de Nederlandse bevolking was volgens Buma te wijten aan voedseltekorten, de Duitse repressie en een ‘verlies van de nationale normen’. Een respondent uit Amsterdam verwoordde het zo: ‘Dolle Dinsdag was een typisch voorbeeld van de zogenaamde nuchterheid van ons volk!’

Archiefonderzoek: Sander Heijne. Met dank aan René Kok (Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie)

MEER INFORMATIE

BOEKEN
Dolle Dinsdag kom je tegen in bijna elk standaardwerk over Nederland tijdens de Tweede Wereldoorlog. Een monografie over deze bizarre episode bestaat echter nog niet. Het meest volledige verslag wordt nog altijd geleverd door Loe de Jong, in deel 10a van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog, dat in1980 verscheen.

MULTIMEDIA
Het televisieprogramma Andere Tijden wijdde in 2004 een uitzending aan Dolle Dinsdag. Deze is te bekijken via de website: http://geschiedenis.vpro.nl. Aan de hand van interviews met ooggetuigen wordt een korte reconstructie gemaakt van wat zich op 5 september 1944 met name in Zuid- en West-Nederland afspeelde. Veel aandacht wordt besteed aan NSB’ers, die per spoor vanuit Amsterdam naar Duitsland vluchtten. Bij Diemen werd hun trein beschoten door geallieerde jachtvliegers; 37 inzittenden kwamen om.