• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Hel van vuur en modder

    Voorpublicatie De Slag bij Passendale van Nick Lloyd

    Maanden hadden de Fransen en de Britten zich voorbereid op een definitief gevecht met de Duitsers in West-Vlaanderen. Maar hun aanval liep binnen een dag vast in de modder. De Slag bij Passendale in 1917 werd een afdaling in de hel.

     
    De Duitse kolonel Fritz von Lossberg beklom op de vroege ochtend van 31 juli 1917 zijn uitkijktoren en tuurde naar de donkere horizon, waar felle lichtflitsen van de artilleriebeschietingen opflikkerden. De inleidende beschietingen, die de voorgaande twee weken aan de gang waren geweest, leken tot een climax te komen. Lossberg had heel wat meegemaakt als militair, maar dit was zonder enige twijfel het grootste vertoon van vuurkracht dat hij ooit had gezien. Duitse soldaten zaten in elkaar gedoken in hun loopgraven en bunkers aan het front in afwachting van de naderende storm.

    Johann Schärdel, een Duitse soldaat van de 6de Beierse Reservedivisie, zou die nacht nooit vergeten, want deze stond ‘onuitwisbaar gegrift’ in zijn geheugen. Hij sliep in een bunker aan de Meenseweg, maar schrok koortsig en onrustig wakker. ‘Het gebruikelijke gedreun van het front was veel erger geworden,’ schreef hij, ‘en het drong door de dikke muren van het betonnen blok heen als het gedonder van voorbijrazende exprestreinen. Er werd vrijwel geen woord gewisseld. Iedereen luisterde in gespannen afwachting wat er zou gebeuren. Op de weg [klonk] het geraas van versplinterende granaten. Het vertrek zat ineens vol mensen die niet bij ons hoorden. Roerloos stonden ze daar of ze zaten ineengedoken, waarschijnlijk in afwachting van het moment dat ze weer verder konden.’

    Twee Franse en zeven Britse legerkorpsen, stonden op hetzelfde moment gereed om op te rukken. Het uur U was wat zij allemaal wekenlang hadden gevreesd; mannen met grijze gezichten onder helmen die zorgvuldig waren besmeerd met modder om weerspiegeling te voorkomen, hielden hun geweer met bajonet stevig vast. Uur U was vastgesteld op 3.50 uur. Door het besluit om zo vroeg te beginnen – in een poging het observatievoordeel van de vijand teniet te doen – was het slagveld in duisternis gehuld toen de aanval van start ging.

    Het was bewolkt en mistig, met hier en daar wolkenbanken van wel 450 meter dik, die de hele dag hardnekkig bleven hangen. Dat betekende helaas dat het Royal Flying Corps (RFC) geen rol van betekenis kon spelen in de slag. Zorgvuldig gekozen missies voor bombardementen en beschietingen gingen wel door, maar van de ‘onophoudelijke aanvalspatrouilles’ op een hoogte van een kleine 2500 meter moest worden afgezien. Nog voor de divisies van Hubert Gough, de bevelhebber van het 5de Leger, de loopgraven hadden verlaten, was een van de onderdelen van zijn plan dus al tenietgedaan. Het was een onheilspellend begin van de grootscheepse aanval.
     
    Zodra de vuurwals op het uur U bulderend tot leven kwam – een met rood bespikkelde donkerblauwe muur van rook en aarde – klauterden de eerste aanvalsgolven uit hun loopgraven of klommen langzaam over borstweringen en trokken op richting hun doelwitten. ‘Er was de hele nacht geschoten, maar op het moment van uur U roerde elk kanon zich,’ schreef de Engelse luitenant W.B. Leger. ‘De horizon in het noordoosten, oosten en zuidoosten werd volledig verlicht door een ononderbroken dansende vlam bestaande uit grillige flitsen van ontploffende granaten.’

    De geallieerden liepen de Duitsers in eerste instantie snel onder de voet. ‘Telkens als zich een verzetshaard openbaarde,’ stond in de divisiegeschiedenis, ‘werd deze onmiddellijk met veel verve door de troepen aangevallen – niet door wilde frontale uitvallen, maar door vaardig gebruik te maken van terrein en wapens, zoals ze hadden geleerd.’

    Een jonge officier, Edmund Blunden, herinnerde zich dat ‘we opstonden, naar voren ploeterden, vaststelden dat het niemandsland een betrekkelijk goede ondergrond bood, ons verbaasden over de zielige flarden en rafels van het ooit zo zware Duitse prikkeldraad, en over de ooit gevreesde loopgraaf erachter strompelden zonder in de gaten te hebben dat het er een was’. De Duitse frontlinie – althans, wat er nog van over was – leek gelukkig verlaten te zijn, zodat Blundens manschappen voorzichtig verder liepen. ‘Gesneuvelde Duitsers, die je in 1916 om de meter slagveld zag, waren nauwelijks te bekennen.’

    Het zag er echter niet altijd zo veelbelovend uit. Enkele van de felste gevechten van die dag vonden plaats aan het front van Herbert Watts’ 19de Legerkorps, dat de aanval tussen Wieltje en de spoorlijn Ieper-Roeselare uitvoerde. Hier was het terrein onbeschut; het ging glooiend omhoog richting de heuvelrug bij Pilkem en was bezaaid met versterkte boerderijen en matgrijze bunkertjes. Ook hier zouden twee divisies, de 55ste en de 15de, de aanval uitvoeren, ondersteund door 48 tanks. De aanval verliep grotendeel succesvol en bereikte op tijd het tweede doelwit, al hielden het dorp Frezenberg en de Pommern Redoubt stand.

    De 55ste Divisie klaagde in haar rapport over de actie op 31 juli dat ze stuitte op bunkers die ‘ondanks de beschietingen door de zware artillerie vrijwel onbeschadigd waren. Het beton was nauwelijks geschilferd. Een voltreffer van een 5.9 op de achterzijde van Uhlan Farm maakte geen enkele indruk.’ Omdat ze niet waren vernietigd, moesten ze een voor een door de infanterie worden uitgeschakeld met een tactiek van vuur en beweging.

    Zoals de Highland-divisie al had laten zien, konden de bunkers door speciaal getrainde pelotons worden uitgeschakeld zonder het tempo van de opmars te hinderen. Dit was echter altijd afhankelijk van de moed en het initiatief van officieren en manschappen, en tijdens de campagne in Vlaanderen zou het wemelen van de individuen die bunkers in hun eentje aanvielen. Meestal slopen ze ernaartoe en gooiden ze een granaat door de schietgaten, waarna ze Duitsers die probeerden te ontsnappen met hun bajonet uitschakelden. Meer dan 40 van de 61 Victoria Crosses die na de slag werden uitgereikt voor opvallende moed, werden verleend voor individuele aanvallen op vijandelijke bunkers of mitrailleurnesten.
     
    De strijd om het eerste doelwit was grotendeels een infanterieslag, maar er waren 136 tanks ingezet om de opmars te ondersteunen. Hoewel slechts twee ervan hun inzetgebied niet op tijd wisten te bereiken, kostte het de tanks moeite om die dag een belangrijke bijdrage te leveren. De ondergrond werd in een actierapport van de 3de Tankbrigade omschreven als ‘zo slecht als maar zijn kon voor een tankoperatie’, waarmee het de grootste vrees van het Tankkorps bevestigde. ‘De regen op de 29ste boven op de zware “dreunen” maakte van de grond een compleet moeras zonder stevige bodem […] áls een tank hier al doorheen komt, dan kan dat alleen op de laagste snelheid.’
    Toch hielp een pantserwagen, Crusader, een bataljon Gordon Highlanders op te rukken door ‘sluipschutters, betonnen mitrailleuremplacementen en bastions aan te pakken, waarvan er heel veel waren […] Veel betonnen emplacementen werden aangepakt met 6-ponders, wat de vijand naar onbeschut terrein dwong, waar onze infanterie klaarstond met Lewis-mitrailleurs.’ Een andere tank, Challenger, opende het vuur ‘op alles wat op een mitrailleuremplacement leek’.

    Aan de linkerzijde werd aanvankelijk flinke progressie gemaakt. De 8ste Divisie liep haar eerste doel volgens schema onder de voet, trok verder op, maar werd tegengehouden door flankerend vuur van rechts. Het volgende was gebeurd: de 30ste en de 24ste Divisie, die Sanctuary Wood en Shrewsbury Forest hadden moeten veroveren, waren plotseling tot stilstand gekomen. In een rapport van na de slag is sprake van moerassen ‘waarin mannen soms tot hun middel wegzakten’, waardoor ze de vuurwals ‘kwijtraakten’. Toen ze hun eerste doel hadden veroverd en gereed waren om naar het tweede op te trekken, was de artilleriesteun te ver weg om terug te roepen. In de loop van de dag deden ze verscheidene pogingen om op te rukken.

    Geen enkele officier van het 2de Bataljon keerde terug van de frontlinie 

    Het bataljon probeerde de verloren tijd in te halen, maar zware granaatbeschietingen blokkeerden de voortgang en gaven de vijand genoeg tijd om bastions en mitrailleurposten opnieuw te bemannen. Er werd een reservedivisie, de 18de, naar voren gestuurd, maar deze kon de verzamelloopgraven niet bereiken en de aanval werd afgeblazen. De doelen van het 2de Legerkorps, die essentieel waren geweest voor het hele plan, lagen – voorlopig – buiten bereik.
        
    Achter de Duitse linies deden flarden informatie en wilde geruchten de ronde over wat er aan de hand was. Soldaat Johann Schärdel, die zich nog steeds schuilhield in zijn betonnen bunker, zag vol afgrijzen toe hoe deze volstroomde met gewonden, ‘die met bloederige verbanden om in de smalle gangen lagen en stonden’. De gewonden wilden dolgraag vertellen over wat ze hadden gezien en gehoord. Er werd beweerd dat een Pruisische eenheid, die de Beiers moest aflossen, volkomen had gefaald en zich had overgegeven, maar geen mens wist of dit wel waar was. ‘Er was sprake van een nieuw granaattype dat brandende vloeistof bevatte en elk verzet onmogelijk maakte. […] Een mitrailleurschutter, die helemaal onder de modder zat, kwam aan met wat er over was van zijn wapen: een granaatsplinter had een groot gat in de koeler gemaakt.’

    De verdedigers waren de hele ochtend in een vertwijfelde overlevingsstrijd verwikkeld geweest. De voorste loopgraven waren heel licht bemand, vaak met niet meer dan een handjevol mitrailleurschutters, want de meerderheid van de defensieve troepen was in de zone in echelons verdeeld en opgesteld in een soort ‘dambordpatroon’, waarbij de bastions elkaar ondersteunden.

    Toen de Britse beschietingen begonnen, gingen rode vuurpijlen sissend de lucht in – het teken waarmee de Duitse eenheden dringend om een beschermend spervuur verzochten. Maar in de dichte mist waren er veel niet zichtbaar, zodat de infanterie er in haar eentje voor stond. De voorposten konden aan het grootste deel van het front weinig uitrichten om de zware aanval tegen te houden. De mannen van het 17de Reserve-Infanterieregiment (6de Beierse Reservedivisie) in de buurt van Hooge doorstonden op het uur U zwaar vijandelijk trommelvuur, dat de zwakke compagnieën in de frontlinie dwong zich vechtend terug te trekken naar hun reservepositie.

    Bij Westhoek werden de posities aan het front ‘domweg overweldigd’ door de aanvallers. Geen enkele officier van het 2de Bataljon, 95ste Infanterieregiment (38ste Divisie) keerde terug van de frontlinie en slechts een handjevol toegetakelde overlevenden kon de weg naar de hoofdpositie van het regiment terugvinden om te rapporteren over de ‘heldhaftige strijd’ in de voorpostenzone.

    Duitse bataljons in de frontlinie, en hun ondersteuning, probeerden voorin de opmars het hoofd te bieden met lokale tegenaanvallen, dwars door een gordijn van artilleriesplinters en barrages van langeafstandsmitrailleurs, met boven hun hoofd roofzuchtige vliegtuigen. Ondersteuningseenheden werden zo gauw ze beschikbaar waren in de strijd geworpen en deze remden de Britse opmars sterk af, ondanks de communicatie- en coördinatieproblemen als gevolg van de vernietigde verbindingsnetwerken overal op het slagveld.
     
    Het nieuws over de voortgang van de slag kwam in de loop van de morgen druppelsgewijs binnen bij het Duitse 4de Leger. De situatie bleef verward, want een groot deel van het slagveld werd aan het zicht onttrokken door mist en laaghangende bewolking, maar de Duitse vliegtuigen konden wel bij benadering de locatie van hun eenheden aan het front vaststellen en het 4de Leger een redelijk accuraat beeld geven van wat er gaande was. De hoofdaanval was duidelijk achter de rug, de vijandelijke eenheden waren bij de meeste van hun stellingen in de frontlinie van de Groepen Wijtschate, Ieper en Diksmuide doorgebroken, al bleef in de meeste gevallen de tweede linie intact. De Duitse commandanten voelden intuïtief aan dat dit het moment was om de Eingreif-divisies in te zetten die achter het slagveld lagen, klaar om te interveniëren, overeenkomstig hun defensieve doctrine.

    Nu de Duitse reserves optrokken, naderde het keerpunt van de slag. De poging om zo ver mogelijk door de Duitse defensie heen te dringen vormde een wezenlijk element van Goughs plan, en vlak na 8.00 uur begonnen drie reservebrigades van het 18de en 19de Legerkorps ‘sprongsgewijs op te trekken’ richting de derde Duitse linie. Het was echter buitengewoon lastig om door de ravage van het niemandsland te komen, want de aanvallende bataljons moesten spitsroeden lopen tussen de onregelmatige granaatbeschietingen en bastions die weer tot leven leken te komen nadat ze eerder die dag niet naar behoren waren ‘schoongeveegd’.

    Zorgwekkend was dat de reservebrigades tegen de tijd dat ze hun doelen hadden bereikt uitgeput en kwetsbaar waren. Het was onduidelijk hoelang ze konden standhouden, nu het 2de Legerkorps met een zware tegenaanval te kampen kreeg.
        
    Tegen de middag begon de slag in het voordeel van Duitsland te keren. Door de verbindingsproblemen op het slagveld hadden de Britse divisiecommandanten slechts een fragmentarisch beeld van wat er gaande was. Heel belangrijk was dat de waarnemingsvliegtuigen van het RFC – die infanterieposities moesten lokaliseren – zelden te zien waren en nauwelijks konden waarschuwen voor de naderende tegenaanval. De infanterie was in elk geval begrijpelijk terughoudend om hun posities prijs te geven met lichtkogels, uit angst dat ze dan de aandacht van vijandelijke vliegtuigen of artillerie trokken. De paar vliegtuigen die wel boven het slagveld wisten te komen, hadden dus een haast onmogelijke opdracht.

    De Duitsers telden in tien dagen 30.000 slachtoffers en verloren 35 stukken geschut

    Zoals de Britten al hadden gemerkt, was het niet eenvoudig om eenheden in slagorde op te stellen en vervolgens te proberen op het slagveld te manoeuvreren. De Britse artillerie probeerde nog steeds de saillant af te sluiten met langeafstandsbarrages, wat een ernstige verstoring van de progressie van de Duitse versterkingen betekende.
    De persoonlijke verhalen van soldaten die op die dag in de Eingreif-divisies zaten, spreken boekdelen over de verwarring van de strijd en de verschrikkingen van optrekken in wat een angstaanjagende en dodelijke omgeving moet zijn geweest. Bovendien beschikten ze nauwelijks over informatie omtrent hun precieze doelen en coördinatie met de eenheden die al aan het front zaten.

    De Eingreif-divisies moesten het opnemen tegen tegenstanders die zich in een even hachelijke situatie bevonden. In de essentiële centrale sector was de Britse opmars rond twaalf uur vastgelopen, want de reservebrigades waren door de zware granaatbeschietingen verspreid geraakt en door de toenemende druk van de vijand ontregeld.
    De Britse bataljons probeerden hun nieuwe posities met opmerkelijke standvastigheid te behouden, maar als een ervan zich begon terug te trekken, moesten de andere dat noodgedwongen ook doen. De Eingreif-divisies van Groep Ieper konden na hun aantreden flinke vooruitgang boeken: ze heroverden secties van de Wilhelmstellung ‘met bajonet en granaat’ en dwongen de Britten in de meeste gevallen terug naar de Steenbeeklinie, het trage stroompje dat parallel liep aan de frontlinie van het 5de Leger.

    Aan het eind van de middag werd bekend dat ze de Duitse derde linie (de Wilhelmstellung) hadden heroverd en de terugtrekkende vijand tot de tweede (de Albrechtstellung) achtervolgden. Sommige bataljonscommandanten wilden doorgaan en de vijand zelfs nog verder terugwerpen, maar Freiherr von Stein van Groep Ieper wees dat van de hand. Ze hadden zware verliezen geleden, de troepen waren uitgeput en hij kon nog maar weinig reserves inzetten. Daarom gaf hij zijn manschappen bevel stand te houden op de linie aan de Steenbeek tot aan Sint-Juliaan en zich in te graven in de Albrechtstellung. De slag was in elk geval voorlopig opgehouden.
        
    Rond 16.00 uur werd het bewolkt en begon het te regenen. Al snel spatten dikke druppels van de helmen, die plassen vormden op de kapotgeschoten grond. In Duitse regimentsgeschiedenissen valt te lezen dat de manschappen de aanval inzetten terwijl ze tot hun knieën in de modder stonden. Niettemin hadden de Eingreif-divisies hun werk gedaan en een cruciale rol gespeeld bij het afzwakken van de aanval van het 5de Leger. Goughs korpscommandanten troffen hun bevelhebber die avond om 19.45 uur in De Lovie, waar zijn chef-staf Neill Malcolm hen binnen noodde. De mannen kwamen binnen, namen hun pet af en schudden de regen van hun cape. Korte tijd later betrad Gough het vertrek. Hij bekeek hun sombere gezichten en ging zitten, en zijn eerste woorden vatten de teleurstelling op hun gezichten samen.
    ‘Wat een godsgruwelijke vloek is die regen!’

    Het regende onophoudelijk, waardoor het slagveld blank kwam te staan

    Buiten goot het. Het water stroomde over de ruiten van het kasteel en terwijl het buiten donker begon te worden, sloegen windvlagen tegen de vensters. De bespreking duurde een uur. Gough vroeg zijn commandanten hoe het was gegaan. Claud Jacob, die als eerste het woord nam, vertelde dat de 30ste Divisie haar eerste doel niet had weten te veroveren. Er was op dat moment bovendien weinig kans dat zijn andere divisies meer zouden kunnen veroveren. Ze konden hoogstens nog hopen in de komende dagen terrein te heroveren dat bij de tegenaanvallen verloren was gegaan. De andere legerkorpsen was het beter vergaan en ze besloten die te laten oprukken, zodat ze op 4 augustus het derde doelwit konden veroveren.

    Gough had enig succes geboekt. De bevelhebber van het 5de Leger had hoop gekregen door wat ze hadden bereikt, ondanks zijn somberte over het weer. De aanval was ‘ontegenzeggelijk succesvol’, vond hij, maar wel vergald door de regen, die ‘al snel alle hoop op succes de grond in boorde’. Het was duidelijk dat het op rechts niet volgens plan was verlopen, waar het 2de  Legerkorps problemen had gehad, maar verder was het 5de Leger zo’n 3 kilometer opgerukt en had het zijn eerste en tweede doel op tijd veroverd, naar het zich liet aanzien zonder zware verliezen.

    Toen de resultaten van het slagveld waren verzameld, bleken het 5de en het 2de Leger (tussen 31 juli en 3 augustus) 31.850 verliezen te hebben geleden. De reeks veronderstellingen waarop Gough zijn aanval had gepland was onjuist gebleken of had op z’n minst ernstige tekortkomingen gehad. Zijn poging om zo diep mogelijk door te dringen in de Duitse linie was niet haalbaar gebleken en de troepen die hadden geprobeerd verder te komen dan het tweede doelwit waren teruggeworpen door de Eingreif-divisies.

    Het leek erop dat de waarschuwingen van hoofd Operatiën John Davidson voor de aanval terecht waren geweest en dat een andere aanpak vereist was. Er was domweg geen kans dat de infanterie zo snel en zo ver door zo’n gelaagde defensieve stelling kon dringen. Deze moest loopgraaf voor loopgraaf worden veroverd.
        
    In het Duitse leger was de stemming volkomen anders. Op het hoofdkwartier van Legergroep Rupprecht in Courtrai werd om middernacht de situatie uit-en-te-na besproken. ‘De eerste dag van zware gevechten was afgelopen,’ meldde Groep Ieper. ‘Dit was het eindresultaat: het grootscheepse offensief dat maanden met de grootst mogelijke zorg was voorbereid, dat kon beschikken over alle beschikbare middelen, en was uitgevoerd met ongekend geweld met tweemaal zoveel infanterie en driemaal zoveel artillerie, was volkomen mislukt.’

    De Britten mogen er dan in zijn geslaagd over een front van 16 kilometer maar liefst 3 kilometer op te rukken, de afschuwelijke weersomstandigheden en het behoud van het Geluveld-plateau zorgden ervoor dat er weinig mogelijkheden waren voor een doorbraak. Hoewel niet alle tegenaanvallen succesvol en de verliezen ‘zwaar’ waren geweest, vertrouwde generaal Hermann von Kuhl erop dat ‘het momentum van de aanval gebroken was’.

    Mannen zakten tot hun middel weg in de moerassen

    Lossberg bereidde die avond een gedetailleerd overzicht voor en was verheugd ‘het gunstige resultaat van de eerste zware defensieve strijd’ te kunnen melden. ‘De aanval stuitte op zware weerstand,’ meldde hij. ‘Een bloedige mêlee, die op- en neerging, maar waarin onze kranige infanterie, enorm gesteund door onze moedige artillerie, de overhand kreeg.’ Na aanhoudende zware gevechten streden hun troepen met ‘hardnekkige moed’; als er terrein werd verloren, werd een groot deel ervan snel heroverd.
    De Duitsers hadden zware verliezen geleden. Tussen 21 en 31 juli telde het 4de Leger zo’n 30.000 slachtoffers, onder wie 9000 vermisten, en verloor het 35 stukken geschut. Het was ook uitzonderlijk kostbaar geweest qua munitie. Veldbatterijen vuurden gemiddeld zo’n 300 keer per dag in juli, maar op de eerste dag van het offensief steeg dit aantal naar ruim 1200. De batterijen van het 4de Leger vuurden op 31 juli naar schatting het equivalent van 27 munitietreinen – bijna viermaal zoveel als wat tijdens de Slag aan de Somme in 1916 gold als zwaar verbruik. Dat was de realiteit van de Materialschlacht.
     
    Maar kon de slag worden voortgezet? De Britse opperbevelhebber Douglas Haig was op 1 augustus ’s ochtends in een kenmerkend optimistische stemming. Hij liet een van zijn verbindingsofficieren aan de Franse aanvoerder Philippe Pétain overbrengen dat diens idee om ‘niets serieus’ te ondernemen aan het westelijk front tot de Amerikanen er waren ‘de Duitsers heel goed uitkwam’, omdat het hun de kans zou geven om al hun reserves te richten op Rusland. ‘Dit is naar mijn mening het kritieke moment van de oorlog, en de Fransen moeten zo krachtig en zo snel mogelijk aanvallen om samen met de Britten de vijand een zo zwaar mogelijke slag toe te brengen,’ voegde hij eraan toe.

    Hij benadrukte hoe belangrijk de heuvelrug Broodseinde-Passendale was en zei tegen de bevelhebber van het 5de Leger dat hij zijn ‘grootste inzet’ moest wijden aan de verovering daarvan. Het zou pas mogelijk zijn om met zijn centrum verder op te rukken als deze hoogte was veroverd. ‘Ik zei ook tegen hem dat hij geduld moest hebben,’ schreef Haig, ‘en zijn infanterie pas na twee of drie dagen goed weer in moest zetten’, zodat er genoeg tijd was om het geschut naar voren te brengen en de grond te laten drogen.

    Maar het bleef regenen. Behalve op 5 augustus, toen het tijdelijk helder werd, regende het tot 6 augustus onophoudelijk, waardoor het offensief feitelijk voortijdig tot staan werd gebracht. Op 4 augustus, toen het slagveld helemaal blank stond, was het duidelijk dat elke hoop op snelle hervatting van het offensief prematuur was.

    Die dag trok Gough dankzij het vreselijke weer zijn orders voor de voortzetting van de aanval in en begon hij zijn divisies aan het front af te lossen. Het was een beslissing die niemand wilde nemen, maar het was niet mogelijk om onder zulke afschuwelijke omstandigheden de mannen nog langer aan het front te houden. De Duitsers konden ondertussen versterkingen inroepen en hergroeperen, terwijl de geallieerden alleen maar konden wachten. De lange tocht naar de heuvelrug bij Passendale was voor de Britten nog maar net begonnen.

    ***

    Dit artikel is een ingekorte versie van een hoofdstuk uit Passendale. Ieper 1917 van de Britse historicus Nick Lloyd (vert. Willem van Paassen, 512 p, Hollands Diep, € 34,99). Aan de hand van Britse en Duitse bronnen laat Lloyd zien dat de Britten de Slag bij Passendale hadden kunnen winnen, maar dat de opmars van de Britse troepen werd ondermijnd door hun eigen opperbevel. Het hield vast aan een rampzalige tactiek.