Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

Het Gouden Eeuw Gevoel

Door: Mar OomenHistorisch Nieuwsblad 8/2000

Het is lang geleden dat het zo goed ging met ons land. Schaamteloos vergelijken we de huidige periode met de zeventiende eeuw, toen Amsterdam het centrum van de wereld was. Wat is er toch met het Gouden-Eeuwgevoel? Deskundigen en politici over het Gouden-Eeuwgevoel, de Gouden Eeuw, en de erfenis van de Gouden Eeuw. Lees hier: Politici over Het Gouden Eeuw Gevoel

Zeehelden van de Gouden Eeuw

Een geweldige aanbieding i.v.m. SAIL Amsterdam! Wie 'zeehelden' zegt, denkt aan de Grote Drie: Piet Heyn, Maarten Tromp en Michiel de Ruyter. In de Gouden Eeuw konden echter tientallen anderen minstens zoveel aanspraak maken op die titel. Velen waren...

€ 39,95 | Koop nu
Het gaat akelig goed met Nederland. In zijn reportage over Prinsjesdag nam NOS- verslaggever Job Frieszo zonder schroom de term Gouden Eeuw in de mond. Nederland is aan zijn derde Gouden Eeuw begonnen. De tweede ligt alweer honderd jaar achter ons. In alle euforie is de publieke belangstelling voor de enige echte Gouden Eeuw, de periode tussen pakweg 1580 en 1700, enorm. Maar liefst 596.000 mensen bezochten de tentoonstelling De Glorie van de Gouden Eeuw. Bijna zeshonderdduizend! Een record. Nooit eerder zijn er zoveel mensen op een expositie afgekomen. Boeken over de Gouden Eeuw, ze verschijnen bij tientallen en vinden grif aftrek. Ook in de wetenschap is de Gouden Eeuw weer gepermitteerd. Sinds deze zomer is er zelfs een apart studiecentrum voor: het Amsterdams Centrum voor de Studie van de Gouden Eeuw, met Henk van Nierop als directeur.
        Toen deze hoogleraar Nieuwe geschiedenis van de Universiteit van Amsterdam nog studeerde, was de term Gouden Eeuw taboe. ‘We werden bijna doodgeschoten als we die term zouden gebruiken. Die was eenzijdig, tuttig, rechts.' In zijn tijd was er ook bijna niemand die zich met ‘oudere geschiedenis' bezighield. Studenten hadden eigenlijk alleen belangstelling voor de Tweede Wereldoorlog en de arbeidersbeweging. Vrijwel niemand verdiepte zich in, bijvoorbeeld, De Opstand. Daarom is Van Nierop het ‘maar gaan doen'. Een hele verantwoordelijkheid. Want, besefte hij, ‘als ik ermee ophoud, dan doet bijna niemand het meer'. En nu is hij dus directeur van een speciaal centrum voor de Gouden Eeuw. Talloze onderzoeksprojecten staan op stapel. Er komen allerlei interdisciplinaire onderwijsactiviteiten en lezingen en cursussen voor een groter publiek.

Is de Gouden Eeuw een hype?
We vroegen het aan drie Gouden-Eeuwdeskundigen: Marijke Spies, emeritus hoogleraar Nederlandse letterkunde tot 1770; A.Th. van Deursen, emeritus hoogleraar Nieuwe Geschiedenis; en Henk van Nierop. Van Deursen denkt niet in dat soort modieuze, eigentijdse termen, hij laat zich daartoe ook niet verleiden. Marijke Spies gaat zelf helemaal stralen als ze over de zeventiende eeuw vertelt, voor haar is het vanzelfsprekend dat ook anderen warme gevoelens krijgen bij die eeuw. Maar, relativeert ze, ‘een tijd geleden stonden de Middeleeuwen in het middelpunt van de belangstelling, daarna het begin van de zeventiende eeuw en over een tijd komt natuurlijk de negentiende eeuw aan bod. De musea moeten toch ook steeds iets nieuws verzinnen.' En Van Nierop, ja Van Nierop vaart natuurlijk zeer wel bij al die aandacht, ook al kijkt hij, zegt hij, er niet van op.

Van Nierop: De belangstelling voor de Gouden Eeuw is inderdaad heel groot. Tot de jaren zestig zijn de Opstand en de Gouden Eeuw altijd de grote onderwerpen in de Nederlandse geschiedschrijving geweest. Maar die geschiedschrijving was heel nationalistisch, de glorietijd werd opgehemeld; het ontstaan van de Nederlandse staat uit de oorlog met Spanje. Rond 1960 vond een omslag plaats, men vond dat beeld benepen. Bovendien was er meer belangstelling voor de recente geschiedenis. Daardoor zijn de Gouden Eeuw en de Opstand verdrongen. Maar het is een heel fascinerend en belangrijk deel van de geschiedenis, bovendien dat deel van de geschiedenis waarover je het beste met buitenlandse collega's kunt praten. Heel begrijpelijk dus dat we er weer belangstelling voor hebben.

Spies: Ik denk dat de hernieuwde opleving van de Gouden Eeuw te maken heeft met het grote Europa. Overal bestaat de neiging de eigen identiteit te benadrukken. Voor ons Nederlanders geldt: we willen onze wortels kennen, wat we nu zijn, is toen gemaakt. Kijk naar de hoogheemraden en naar bestuursinstellingen als de Staten-Generaal. Het is hier en daar gemoderniseerd, maar de structuren zijn hetzelfde als toen.

Van Deursen: is een los fragment. Met het huidige onderwijs krijg je het kader niet aangereikt. De zeventiende eeuw, de vijftiende, ze halen het allemaal door elkaar. Ik weet niet zo goed wat ik aan moet met de Gouden Eeuw.

Van Nierop: Er zijn ook historici die zich tegen de term Gouden Eeuw hebben afgezet. Huizinga bijvoorbeeld, in zijn boek over de zeventiende eeuw. Woorden als pik en teer, hout en staal passen beter bij die eeuw, vindt hij.

Maar is het niet vooral de rijkdom van die periode, de welvaart, die ons, het grote publiek, aantrekt? Het is toch enorm spannend dat Amsterdam zoveel voorstelt in die periode.

Van Nierop Ja, natuurlijk. Maar interessanter dan die grote welvaart is de enorme kwaliteit. Er werd erg veel geschilderd, ook op heel hoog niveau. Op heel veel gebieden is er een explosie van creativiteit in een hele korte tijd. Dat is bijzonder, en ook niet goed te verklaren. Tenzij je genoegen neemt met een eenvoudig antwoord: veel welvaart, dus een markt, dus mogelijkheden, dus schildersateliers en mensen die daarop af komen.

Spies: De befaamde Hollandse schilderkunst was voor een deel natuurlijk zakelijk. Schilders zochten naar een nieuwe markt. Breedschilders gingen goedkoop werken, fijnschilders specialistisch. Ze maakten een goed product met een commercieel succes.

Wat zijn de meest typerende aspecten van de Gouden Eeuw?

Van Nierop: De creativiteit op heel veel gebieden, in kunst, literatuur, wetenschap en filosofie. Denk aan de studie van de Oosterse talen in Leiden, of aan mensen als Swammerdam. John Locke en René Descartes kwamen hier naartoe.
Dan de hele religieuze situatie. De beroemde tolerantie, de religieuze pluriformiteit. Een publieke kerk die toch geen uniformiteit afdwingt. Nergens anders was dat zo. Het republicanisme was heel belangrijk. De verstedelijking, je hoefde nooit verder dan dertig kilometer te reizen naar de volgende stad. Spinoza en Rembrandt woonden vlakbij elkaar; zelfs in hetzelfde huizenblok. De sociale mobiliteit. Relatief velen schopten het, bij wijze van spreken, van krantenjongen tot miljonair. Michiel de Ruyter bijvoorbeeld, die eindigde echt rijk.

Van Deursen: Het was een maatschappij waarin je makkelijk kon klimmen en dalen. Dat verschilde natuurlijk per regio, in Holland was de mobiliteit veel groter dan in Twente. Maar als je in Twente woonde kon je altijd nog naar Holland.
Spies: Kijk naar Vondel. Hij had een exportfirma. Zijn zus trouwde met Hans de Wolf en werd zeer rijk. Maar zijn kleinzoon zat op het niveau van arbeider, werd schoenmakersknecht.

Van Nierop: Door de snelle economische expansie was heel veel mogelijk. Misschien is men daarom tegenwoordig zo gefascineerd door die tijd. Omdat we nu ook in zo'n periode lijken te leven.

Spies: Vergeleken met de rest van Europa was het onderwijsniveau gigantisch hoog. Iedereen kon een beetje lezen, want je moest de bijbel kunnen lezen. En de meeste mensen konden ook schrijven.

Van Nierop: De bevolking was ook politiek heel actief. De gewone burgers in de steden waren geïnteresseerd, sommigen drukten pamfletten die iedereen las, ze debatteerden met elkaar. Ze richtten zich ook heel gemakkelijk tot de regenten, met rekesten, zo van ‘kun je dit niet regelen, kun je dat niet regelen'. Dan ging het over afval op de straten, over woonvergunningen, over economische protectie, dat soort zaken. En het stadsbestuur luisterde. Als er grieven waren, dan vonden die hun weg naar het stadsbestuur en meestal deed dat bestuur daar dan wel wat aan. Dat mag je absoluut geen democratie noemen. Maar het systeem werkte wel. En als het niet goed ging, greep de bevolking in, in 1672 en in 1747 waren er opstanden.

Spies: De kracht van de Republiek zat hem in de diversiteit van alles. Van godsdienst, mensen, bevolkingssamenstelling, gewesten. En daarnaast in de verstedelijking en de autonomie van stadjes, steden en gewesten. Iedereen moest meedoen in de opstand tegen de Spanjaarden, men kon zich niet permitteren groepen te verbieden. Toen de oorlog eenmaal gewonnen was, kon de autonomie van de verschillende groepen niet meer worden teruggedraaid. De samenleving was dus heel pluriform, maar je moest wel met elkaar die weg of die dijk aanleggen. Iedereen gedoogde elkaar. Uit welbegrepen eigenbelang.

De handel bloeide, de industrie, de landbouw. Zijn er verklaringen voor het succes van de zeventiende eeuw?

Van Deursen: Eind zestiende eeuw zijn enorm veel hoog opgeleide Vlamingen en Brabanders naar Holland en Zeeland gekomen. Op de vlucht voor de Spanjaarden. Wij konden ze goed gebruiken. Veel van hun vaardigheden werden te nutte gemaakt.
Daarnaast moest Maurits van Oranje (1585-1625) een oorlog winnen. Hij deed daar alles voor. In de resoluties van de Staten Generaal van rond 1610 ben ik eens een prijsvraag tegengekomen. Er werd tienduizend gulden uitgeloofd voor degene die wist hoe je op zee lengtegraden kon meten. Dat was in die tijd veel geld. Allerlei suggesties zijn ingediend.
Voor die tijd waren de grootste militaire vragen: Hoe behoud ik Leiden, hoe behoud ik Alkmaar. Maar in de tijd van Maurits werd de vraag: Hoe gaan we de steden veroveren? Hoe neem ik Coevorden in? En natuurlijk heeft die hoge mate van verstedelijking ook invloed gehad op het succes, daardoor was de vraag naar wetenschap en techniek groot. Iedere stap vooruit werd gezet in de steden. En, zoals gezegd, in de steden was ook de mobiliteit groot.
Spies: Volgens mij heeft ook het calvinisme een rol gespeeld in het succes. Ik ben er van overtuigd dat calvinisten hun talenten meer exploiteerden dan katholieken. Katholieken en doopsgezinden moesten alles wat ze meer verdienden dan dat ze verbruikten aan de armen geven. Dat gaf dus een morele norm, als je dat deed, was je goed, verdiende je de zaligheid. De calvinisten zeiden: Het enige dat van belang is, is jouw privé-lijn naar boven, jouw privé- zaak tussen jou en de Heer. Het aardse, zoals handel en wetenschap, is moreel vrij. Dus daar was ruimte om te handelen. Constantijn Huygens, bijvoorbeeld, was een heel calvinistisch man en had grote belangstelling voor allerlei terreinen van de cultuur en de wetenschappen. Hij onderkende de talenten van zijn zoon Christiaan en gaf hem de gelegenheid zich te ontwikkelen tot ‘natuurkundige' – wat helemaal geen bestaand beroep was –, in plaats van tot diplomaat of hoge ambtenaar zoals zijn broers.
Van Deursen: Dit lijkt me een primitief soort calvinisme. Ik denk eerder dat als een calvinist gelooft, hij weet dat Gods genade in hem werkt. Hij zal daarnaar willen handelen en niet speciaal denken dat hij beter zijn geld in de economie kan stoppen dan zijn medemensen helpen.

Van Nierop: Het calvinisme is geen voorwaarde geweest voor economische bloei. Veel kooplieden waren katholiek, en in het zuiden, in de katholieke streken bloeiden de handel en industrie ook enorm. Mijn held, Jan Jeroenszoon uit het Noorderkwartier, was katholiek. Hij is een goed katholiek gebleven én multi-miljonair geworden. Een hoop geld heeft hij uitgegeven aan de oprichting van jezuïten-colleges in Brabant, maar dat heeft hem in zijn handelsactiviteiten nooit belemmerd. Hij was een heel slimme man.

Wat is de betekenis van de zeventiende eeuw voor het heden?

Van Deursen: Voor de SGP, bijvoorbeeld, geldt dat het huidige normenpatroon vast is gelegd in de zeventiende eeuw. De verhouding tussen kerk en staat en de gedachte dat Nederland een christelijke natie is. De overheid moet zich houden aan het woord Gods. Een paars kabinet zal dat doorgaans ontkennen. Recentelijk kwam dat tot uiting in de discussie over het homohuwelijk. Niet alleen de SGP, alle kleine christelijke partijen waren daartegen en vonden dat de overheid zich aan het woord Gods moesten houden.
        Voor mij persoonlijk is dat ook de meest waardevolle erfenis uit de zeventiende eeuw: de manier waarop de gereformeerde kerk zich gevormd en zich gemanifesteerd heeft. Als ik met zeventiende-eeuwers verkeer, waardeer ik dat zeer in hen: Dat ik de dingen die voor mij de hoogste waarden vertegenwoordigen – het geloof – in hen terugzie. Het uit zich in hun hele cultuur.
Spies: Ik denk dat het pluriforme, de diversiteit, de huidige omgangsstructuren en "omgangsoecumene", zoals Willem Frijhoff het noemt, uit de zeventiende eeuw stammen. Daarom vind ik dat we nieuwkomers niet moeten forceren te integreren ten koste van hun eigen cultuur. Dat hoefden de joden indertijd ook niet.
        Ook dat antiautoritaire van Nederland komt uit die periode. Iedereen moest overal over meepraten. Kijk maar naar de bestuursstructuren van gereformeerde kerken. Besturen werden per kerk samengesteld van beneden naar boven. Bij de katholieke kerk ging dat natuurlijk top- down. Maar die had in Nederland weer veel lekenmedewerkers. En natuurlijk: toen zijn we begonnen, zoals de Middeleeuwen voor Vlaanderen belangrijk zijn, is de Gouden Eeuw dat voor ons. Ook ons schuldbewustzijn stamt uit die tijd. We hebben wat afgemoord op Ambon. Als Molukkers nu zeggen dat ze bommen gaan gooien naar Kok, heeft dat wortels in de gebeurtenissen van toen.

Van Deursen: Ik heb het al eens eerder betoogd: we kunnen niet trots zijn op ons verleden, maar we hoeven ons ook niet schuldig te voelen. Waarom zouden we ons schamen voor de streken van Pieter Janszoon Coen op Ambon? Ik vind dat je met mensen moet omgaan zoals je wilt dat ze met jou omgaan. Dus niet alleen één aspect belichten, maar recht doen aan het totale verleden. Je kunt natuurlijk wel op zoek gaan naar zaken waarmee je je verwant voelt. Jonathan Israel is duidelijk geboeid door de tolerantie en de vrijheid van denken in de Republiek. Dat vindt hij de Nederlandse bijdrage aan de Europese cultuur.
Van Nierop: Tolerantie is een begrip dat past bij de Gouden Eeuw, dat nog steeds betekenis heeft. De publieke kerk was een minderheidskerk en wilde dat ook blijven. Ze wilde wel meer lidmaten, maar daar niet al te veel concessies voor doen. Dat gaf een hele bijzondere constellatie. Daardoor kwam iedereen die om het geloof vervolgd werd naar de Republiek. John Locke, Descartes, de joden.
        Over die tolerantie waren overigens de meningen zeer verdeeld. Er waren zeker mensen die vonden dat je het geweten niet mocht dwingen. Willem van Oranje, Locke, Spinoza, dat soort mensen. Er waren ook veel mensen die dachten dat dergelijke vrijheid tot volstrekte chaos zou leiden. Tot burgeroorlog en geweld, en verlies van kerk en staat. Dat waren voornamelijk de gereformeerde dominees, maar ook anderen. En je kon hen ook niet helemaal ongelijk geven. Tot 1848 waren overal godsdienstoorlogen aan de gang, eerst in Frankrijk, daarna in Duitsland. En als het om godsdienst ging, maakten de mensen elkaar af. Dus dat was een enorm probleem, ook een politiek probleem. Moest je de vrede herstellen door ze allemaal in één kerk zien te krijgen of moest je juist iedereen laten geloven wat-ie wilde? In Nederland hebben ze voor het laatste gekozen. Of dat bewust zo is gegaan? Willem van Oranje was er in ieder geval duidelijk een voorstander van. Maar als je naar het historisch proces kijkt, dan zie je dat het toch alle kanten uitgaat voordat het bedding vindt. Het historische proces is nooit bewust, ook in dit geval niet.

Tekst: Mar Oomen
Onderzoek en interviews: Judith Amsenga
Interviews: Shirley Haasnoot, Frans Smits



Hollandse meesters

CYNTHIA P. SCHNEIDER . Hoogtepunt van de Gouden Eeuw zijn de schilderstukken van de Hollandse meesters. De grootste met hun mooiste schilderijen op een rijtje.

1. Hendrick Avercamp – Winterlandschap met ijsvermaak in het Rijksmuseum
Eén van de karakteristieken van Hollandse kunst in de Gouden Eeuw, en van die eeuw zelf, was de waardering voor de eigen plaats en tijd – de Nederlanden in de zeventiende-eeuw. De Spanjaarden waren overwonnen en een republiek was gecreëerd, gebaseerd op principes van rechtvaardigheid en individuele rechten, met een regering die verantwoording had af te leggen aan haar volk. De Nederlanders vingen het gevoel en het gezicht van hun nieuwe land in de schilderkunst.
        Avercamps Winterlandschap is een voorbeeld van de panoramische landschapsstijl die zo populair was in het eerste kwart van de zeventiende eeuw. Hij toont, zeer karakteristiek, de maatschappij in al zijn sociale lagen – van de rijke stedelijke dandy tot het nederige plattelandsvolk. Vaak zet hij deze twee tegenovergestelde klassen vlak bij elkaar. Ook schildert hij scènes van bedelaars die de rijken benaderen. We zien er Simon Schama's thema van overvloed en onbehagen in terug. Datzelfde ongemak met rijkdom of opzichtigheid is merkbaar in het Nederlandse leven van tegenwoordig. ‘Doe maar gewoon, dan doe je al gek genoeg', is nog steeds een gangbaar gezegde.

2. Vermeer – Melkmeisje in het Rijksmuseum
Dit schilderij is een meesterwerk van een van de grootste schilders aller tijden. Maar dat niet alleen: de eerbiedige behandeling van een alledaags onderwerp symboliseert de huiselijke waarden die zo'n prominente plaats innamen in het zeventiende-eeuwse – en ook in het huidige – Hollandse leven. Elk huishouden werd, metaforisch, gezien als een microstaat. De staat kon alleen behoorlijk functioneren wanneer elk van haar delen dat ook deed. Zo is de grote waarde die gehecht werd aan de netheid en ordelijkheid van individuele huishoudens een weerspiegeling van de doeltreffendheid van het republikeinse regeringsbestel.

3. Frans Hals – Portret van Jasper Scade van Westrum in de Narodni Gallerie in Praag
De wereldvisie van de Hollanders kwam vaak tot uitdrukking in portretten. De jonge edelman Jasper Schade van Westrum op het parmantige portret van Frans Hals heeft een buitengewoon hooghartige gezichtsuitdrukking. Van Westrum kijkt letterlijk op de toeschouwer neer. Met de eerlijkheid die alle portretten van Hals kenmerkt – en ook die van minder begaafde Hollandse schilders – toont hij deze jongeman in al zijn ijdelheid. Maar waarschijnlijk was het model toch tevreden met zijn portret, omdat Hals er ondanks alle pracht en praal in slaagt
zijn karakter te doorgronden.

4. Jan Steen – Soo voer gesongen, soo na gepepen (Zoals de ouden zongen, zo piepen de jongen) in het Mauritshuis, Den Haag
Dit schilderij van de stand-up comedian van de Hollandse kunst onthult het familiale aspect van de waarden die tot uitdrukking komen in Vermeers Melkmeisje. Jan Steen maakte wanordelijke huishoudens tot zijn specialiteit – zozeer zelfs dat een chaotisch huishouden nu ‘een huishouden van Jan Steen' wordt genoemd. In het schilderij snijdt hij een van zijn favoriete thema's aan: de invloed van ouderen op jonge kinderen. We zien de effecten van het slechte voorbeeld dat ouders kunnen geven. Zijn bedoeling wordt duidelijk in het versje dat door de oude vrouw wordt bestudeerd. Met haar vinger volgt ze de woorden, Soo voorgesongen, soo nagepijpen, met andere woorden: jongeren zullen het gedrag van de ouderen imiteren. Wil Steen inderdaad een strenge boodschap overbrengen? Niet echt. Humor overheerste bij Steen, en werd door zijn publiek gewaardeerd. Niettemin bevatte het gelach een boodschap.

5. Rembrandt –
Uiteraard hoort in dit rijtje Rembrandt. Wie meer wil weten leze mijn boek Rembrandts landschappen.

Cynthia P. Schneider (1953) is ambassadeur van de Verenigde Staten in Nederland. Ze was verbonden aan de faculteit Kunstgeschiedenis van de Georgetown University in Washington.


De economische wonderen van de Gouden Eeuw

JAN DE VRIES . De Gouden Eeuw blijft voor Nederlanders intrigerend omdat er daarna nooit meer een periode is geweest met zo'n geweldige ambitie en bereidheid tot risico. De vijf economische wonderen op een rijtje.

1. Landbouw
Aan de Beemsterpolder kan je waarschijnlijk het beste zien wat drainage allemaal niet betekend heeft voor de kwaliteit van het land, en hoezeer het boerenbedrijf in de Gouden Eeuw een commerciële aangelegenheid was. Tot aan de negentiende eeuw waren in geen enkel ander Europees land zo weinig mensen die in de landbouw werkten; toch was de arbeidsproductiviteit het hoogst.

2. Commercie en financiën
Een aantal gebouwen herinnert daaraan: het VOC-gebouw van Kamer Amsterdam in de Damstraat, het Prinsenhof (de zetel van de Admiraliteit), de Beurs (nu verdwenen) en het Stadhuis, waar de wisselbank was gevestigd. Deze instellingen brachten de grootste concentratie van commerciële informatie ter wereld bijeen en verwerkten die voor de Nederlandse staat, de koloniale maatschappijen, privé-handelaren en financiers. Dit was het hart van de zeventiende-eeuwse internationale handel.

3. Industrie
De industriële productie was gedecentraliseerd, maar als je naar de Zaanstreek ging, zou de kracht van de zeventiende-eeuwse Nederlandse industrie duidelijk worden. Door de kracht van duizend industriële windmolens en de efficiëntie van de scheepsbouw was deze regio uniek in de wereld. Industriële efficiëntie wordt doorgaans niet als een prestatie van de Gouden Eeuw gezien, waarschijnlijk omdat er een eeuw later niet veel meer van over was. Maar in de Gouden Eeuw speelde die een zeer belangrijke rol in de totale economische prestatie.

4. Transport
Het interne transport langs verschillende soorten waterwegen zorgde voor een geïntegreerde markt van behoorlijke omvang. Hoewel het waternet niet de gehele Republiek effectief verbond, strekte het zich wel uit tot in de naburige landen. Het passagiers- en vrachtverkeer was dat de markten verbond was zeer intensief en diende als distributiekanaal voor internationale havens.

5. Intercontinentale handel
Misschien wel de meest wonderbaarlijke prestatie in de Gouden Eeuw was de snelle opbouw van een gigantisch intercontinentaal handelssysteem. Men kan de resten van dit systeem op verschillende locaties terugvinden: in Nieuw-Amsterdam, Recife, Elmina, Jakarta, Nagasaki, en, natuurlijk, Kaapstad. Deze handelssystemen gingen veel verder dan handel van en naar het vaderland. De handelsondernemingen probeerden zowel in het Oosten als in het Westen zeer ingewikkelde inter-Aziatische en inter-Atlantische handelssystemen te vestigen.

Jan de Vries (1943) is verbonden aan de economische en historische faculteit van Berkeley, University of California. Dit jaar is hij winnaar van de Heinekenprijs voor Historische Wetenschap, vanwege zijn baanbrekend onderzoek naar de ontwikkeling van de Europese economie in de periode 1500-1800.


Typisch Nederlands

J.L PRICE . Veel van wat nu als typisch Nederlands wordt beschouwd komt uit de Gouden Eeuw. De vijf belangrijkste trekjes op een rijtje.


1. Tolerantie
Het beeld van Nederlanders als een tolerant volk gaat heel duidelijk terug naar het religieuze pluralisme van de zeventiende-eeuw. Maar voor de meerderheid van de Nederlanders toen – en ook later nog – was tolerantie geen ideaal, maar een praktische noodzaak waar slechts met tegenzin aan werd toegegeven.

2. Wereldlijk en pragmatisch
Het wereldlijke aspect van de Nederlandse samenleving wordt misschien niet erg onderkend, maar het is, in verschillende gedaanten, een fundamenteel kenmerk geweest sinds het begin van de Gouden Eeuw. Het proces van secularisatie begon met de behoefte gezamenlijke politieke doelen te vinden in een religieus verdeelde maatschappij. Al snel leidde dat tot voorspoed, vrede, orde en de bevordering van een burgerlijk-stedelijke moraal – in essentie seculiere waarden. De weigering van zeventiende-eeuwse regenten om wetten tegen katholieken en protestantse afvalligen te gebruiken zette de toon voor een opvallend pragmatische benadering van morele zaken, zoals die ook tegenwoordig overheerst.

3. Burgerlijk
De Nederlandse burgerlijke waarden en normen kunnen worden herleid tot de zeventiende eeuw. Deze burgerlijkheid kon ontstaan door de opvallend hoge graad van verstedelijking, maar ook door de integratie van het platteland in een dynamische markteconomie. Het bekrompen en vreugdeloze aspect van het burgerlijke imago gaat echter niet zo ver terug. De gedegen stedeling van de Gouden Eeuw lijkt een veel levendiger karakter gehad te hebben dan zijn negentiende- of vroeg-twintigste-eeuwse evenknie.

4. Ongevoelig en zakelijk
Nederlanders zijn misschien wel het meest trots op dit aspect van hun zelfbeeld. Voor buitenstaanders is het waarschijnlijk de minst geliefde trek van het nationale karakter. Wederom kunnen deze eigenschappen teruggevoerd worden op de commerciële basis van het economische succes in de Gouden Eeuw en de bijna legendarische amoraliteit van de Nederlandse handelaren destijds. Sindsdien is een zakelijke houding verheven tot een moreel imperatief. Rekening houden met anderen wordt snel afgedaan als sentimenteel, en wreedheid opgedirkt tot pragmatisme.

5.‘They all speak English'
Dit is een buitenlands cliché over Nederlanders, maar het weerspiegelt ook hun eigen visie op Nederland als een naar buiten gekeerde, zelfs kosmopolitische natie. En wederom zijn de eerste sporen hiervan te vinden in het Nederland van de zeventiende-eeuw: een kleine staat die intensieve handelsrelaties onderhield met de rest van Europa. Zo'n land kon het zich moeilijk veroorloven kortzichtig te zijn. Nederland is natuurlijk klein gebleven, zowel in geografisch opzicht als qua bevolkingsaantallen, met een taal die slechts heel minimaal wordt verstaan buiten de eigen grenzen. Dit heeft geleid tot positieve relaties met andere culturen, maar ook tot de neiging buitenlandse voorbeelden wat onkritisch te imiteren. De noodzaak andere talen te leren heeft inderdaad als gevolg gehad dat Nederlanders Engels spreken – maar misschien niet zo goed als ze soms schijnen te denken.

J.L. Price (1942) is hoogeleraar Geschiedenis aan de Universiteit in Hull. Hij is auteur van het boek NEDERLANDSE CULTUUR IN DE GOUDEN EEUW (1976).

Wat u moet lezen over de gouden eeuw

1. DE REPUBLIEK 1477-1806 door Jonathan Israel
Razendknappe synthese, met genoeg aanvechtbare punten om interessant te zijn.

2. 1650. BEVOCHTEN EENDRACHT door Willem Frijhoff en Marijke Spies
Een fraaie en stimulerende schets van de Republiek, gebaseerd op allerlei nieuw onderzoek.

3. EEN DORP IN DE POLDER. GRAFT IN DE ZEVENTIENDE EEUW door A.Th. Van Deursen
Montaillou in het Noorderkwartier door een groot kenner van de zeventiende eeuw.

4. HET VERRAAD VAN HET NOORDERKWARTIER. OORLOG, TERREUR EN RECHT IN DE NEDERLANDSE OPSTAND door Henk van Nierop
Meeslepend verhaal. Maakt de Opstand in al zijn gruwelijkheid weer navoelbaar.

5. NEDERLAND 1500-1815. DE EERSTE RONDE VAN MODERNE ECONOMISCHE GROEI door Jan de Vries en Ad van der Woude
Boeiende poging om het economische succes van Nederland te verklaren.

6. OVERVLOED EN ONBEHAGEN. DE NEDERLANDSE CULTUUR IN DE GOUDEN EEUW door Simon Schama
Schama fabuleurt er flink op los maar weet meer dan eens een gevoelige snaar te raken.

Lijstje samengesteld door: Guido de Bruin, S. Groenveld, Marjolein ‘t Hart, Els Kloek, Henk van Nierop en Marijke Spies

 

De gouden jaren van het linkse levensgevoel

In de jaren zestig en zeventig van de twintigste eeuw was Vrij Nederland hét tijdschrift van het linkse levensgevoel. Het tijdschrift had een enorme oplage en stond bekend om de onthulling van diverse schandalen op vooral economisch gebied....

€ 27,50 | Koop nu

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden jaren

Dat is niet alleen omdat hij geboren is in 1943 en dus als geen ander de gouden jaren heeft beleefd. Het komt ook omdat het een ongekend mooi boek is waarin Annegreet van Bergen het ontstaan en het vergaan van de gouden jaren beeldend omschrijft. Het...

€ 19,99 | Koop nu

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Lincoln

Verhagen plaatst Abraham Lincoln in de context van de geschiedenis van de VS. Volgens velen heeft Lincoln laten zien dat leiderschap niet kan worden aangeleerd, maar dat het aankomt op karakter.

€ 19,95 | Koop nu

Middeleeuwen