Contact | Adverteren | Login | Lezersservice

7 rijken van de VOC

Door: Geertje Dekkers

De VOC was de ideale werkomgeving voor ondernemende types. Ze hadden er carrièrekansen te over. En ze konden naast hun baan makkelijk een eigen handeltje drijven - dat mocht niet, maar verdiende uitstekend.

Historisch Nieuwsblad 11/2015

Grootverdieners in de Gouden Eeuw

Mensen van klein vermogen

In Mensen van klein vermogen is historicus A.Th. van Deursen erin geslaagd een levendig beeld te schetsen van hoe men in Holland in de Gouden Eeuw geleefd, gewerkt, gevoeld en gedacht heeft. Het uitzonderlijke van deze fascinerende studie is dat er niet,...

€ 27,50 | Koop nu

Pionier
Joan Poppen (1545-1616)

Vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw trekt het groeiende Amsterdam talloze immigranten. Een van hen is Joan Poppen, een arme jongeman uit Noord-Duitsland. Terwijl veel nieuwkomers worstelen om hun hoofd boven water te houden, heeft Joan succes. Hij trouwt met een dochter van een welgestelde haringkoopman en wordt zelf ook handelaar.

In 1594 investeert hij net als Dirck van Os (zie  ‘Rasondernemer’) in de ‘Compagnie van Verre’, die vier schepen naar Java stuurt. De expeditie verloopt matig, maar Joan laat zich niet afschrikken. In 1602 koopt hij in het groot VOC-aandelen en wordt hij ook bewindvoerder van de Compagnie.

Als hij in 1616 sterft, is hij schatrijk. Zijn zoon erft onder meer een luxe huis aan de Kloveniersburgwal, de Gouden Steur. Hij zal het werk van zijn vader voortzetten en eindigen als een van de rijkste Amsterdammers uit de Gouden Eeuw – goed voor meer dan negen ton in guldens.
 

Rasondernemer
Dirck van Os (1556-1615)

 In augustus 1602 wordt het Amsterdamse huis van Dirck van Os in de Nes druk bezocht. Daar ligt de inschrijvingslijst voor de eerste aandelen van de Vereenigde Oostindische Compagnie. Rijke investeerders, maar ook gewone dienstmeiden, komen om een stukje van de nieuwe onderneming te kopen. Rasondernemer Van Os is een van de oprichters en bewindvoerders, en investeert zelf flink in de Compagnie. Hij koopt voor 47.000 gulden aandelen.

Van Os is zoon van een tapijtwever en een van de vele migranten die eind zestiende eeuw vanuit Antwerpen, een metropool op zijn retour, naar het noorden trekken. Daar is hij in 1594 betrokken bij een van de ‘voorcompagnieën'.

Van Os stopt zijn geld niet alleen in handel met Azië, maar ook in andere gedurfde ondernemingen, zoals de drooglegging van de Beemster. Zo krijgt hij duizend hectare nieuw land in handen, die zeer gewild blijken. Bij zijn dood in 1615 laat Van Os ongeveer twee ton na – een aardig bedrag voor de zoon van een tapijtwever.
 

Smokkelaar
Cornelis Speelman (1628-1684)

Als VOC-gouverneur van Coromandel heeft Cornelis Speelman het goed voor elkaar. Daar, aan de zuidoostkust van India, valt veel te verdienen met de handel in katoen, edelstenen en indigo. Officieel mag Speelman alleen zakendoen namens de VOC, maar als hij in 1663 aankomt in Coromandel, weet hij dat het gebied bekendstaat om de ‘morshandel’, de illegale handel op eigen houtje. En ook hij gaat voor eigen rekening zakendoen.

Maar Speelman loopt tegen de lamp: de VOC klaagt hem aan omdat hij een diamant heeft verhandeld. Speelman wordt tijdelijk geschorst en betaalt een boete van 3000 gulden. Maar vervolgens krijgt hij weer gewoon een hoge post, op Makassar. En in 1681 wordt hij zelfs gouverneur-generaal in Batavia. Het diamantincident is hoogstwaarschijnlijk niet de enige keer dat Speelman de regels overtreedt, want als hij sterft, heeft hij 1 à 1,5 miljoen gulden. Deels heeft hij dat verdiend als geldschieter, maar ongetwijfeld maakte hij ook veel winst met de morshandel.
 

Rijke weesjongen
Wollebrand Geleynssen de Jongh (1594-1674)

Als jongen van een jaar of zestien ontsnapt Wollebrand Geleynssen de Jongh uit het Alkmaarse burgerweeshuis, waar hij woont. Rond 1610 laat hij zich in de gracht zakken en zwemt weg - volgens een plaatselijke overlevering althans. Of het waar is, valt te betwisten. In elk geval verruilt hij Alkmaar voor Indië en leidt hij 35 jaar lang een avontuurlijk bestaan in dienst van de VOC. Hij werkt onder meer op de Molukken en Borneo, en in India, in Perzië (Iran) en Batavia. Een van zijn opmerkelijke daden is een bombardement op het Perzische eiland Qeshm, waarmee hij gunstige handelsvoorwaarden wil afdwingen voor de VOC.

Na zijn VOC-carrière is De Jongh in goeden doen. In zijn testament laat hij geld na aan zijn familie, bedienden en het burgerweeshuis, waaraan hij blijkbaar niet al te ellendige herinneringen bewaart - een argument tegen het ontsnappingsverhaal. Daarbovenop bepaalt hij dat 70.000 gulden 150 jaar lang apart wordt gehouden om in de verre toekomst uit te delen aan behoeftige nazaten.

Helaas voor die nazaten is De Jonghs geld deels geïnvesteerd in vee. Als de pest toeslaat, verdampt het kapitaal. Wat overblijft, is een schilderij door Caesar van Everdingen, met De Jongh gehuld in goudbrokaat. Dat hangt in het burgerweeshuis, als voorbeeld voor Alkmaarse wezen.
 

Handige koopman
Elias Trip (circa 1570-1636)

Elias Trip, zoon van een eenvoudige schipper, blijkt een handige koopman. Zijn eerste winst boekt hij in de ijzerhandel. Het geld maakt hem een geschikte huwelijkskandidaat voor Maria de Geer, dochter van een steenrijke wapenhandelaar. Na hun bruiloft in 1592 gaat Elias met zijn schoonvader in zaken.

Dat is een gouden zet. Binnen de kortste keren hoort de familie Trip bij de toplaag van Amsterdam, en in 1660 kunnen Elias’ neven een van de imposantste grachtenpanden van de stad laten bouwen: het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal.

Elias beperkt zich niet tot de wapenhandel. Hij koopt ook veel aandelen-VOC en wordt bewindvoerder, met een riant salaris. Dankzij die positie kan hij makkelijk de hand leggen op scheepsladingen specerijen en indigo, die hij met grote winst verkoopt. Met zijn neus voor handel haalt Trip een miljoen gulden binnen - en legt hij de basis voor een familie-imperium.
 

Slimme carrièremaker
Joan van Hoorn (1653-1711)

Als Joan van Hoorn tien jaar oud is, ziet zijn toekomst er slecht uit. Zijn vader is een berooide ondernemer die noodgedwongen een gok neemt. Hij begint een nieuw bestaan in Azië, in dienst van de VOC. Kleine Joan gaat mee. De verhuizing pakt goed uit. Vader Pieter van Hoorn maakt carrière bij de VOC en stort zich op de landbouw. Joan volgt hem op. Hij plant op Java koffiebomen, een nieuw gewas in Indië. Daarnaast verdient hij goed door boeren te dwingen hun oogst aan hem te verkopen. Bij de VOC klimt Joan op tot gouverneur-generaal, maar die hoge positie weerhoudt hem er niet van ook een illegaal eigen handeltje te beginnen – zoals zovelen. Op die manier verdient hij een ‘onnoemelyken schat’, zo schrijft een tijdgenoot. Bij zijn dood bedraagt die zo’n 800.000 gulden.
 

Corrupte controleur
Joannes van der Straaten

In Azië bloeit in de zeventiende eeuw de opiumhandel, en de VOC doet daar enthousiast aan mee. De drug is zo populair dat kooplui hem ook gebruiken als betaalmiddel, naast goud en zilver.

De VOC koopt haar opium vooral in Bengalen (Bangladesh), een gewilde post voor werknemers. Ze gaan er vaak hun eigen gang en ontduiken op grote schaal het VOC-monopolie door onderhands zelf opium te verhandelen. Eind zeventiende eeuw wordt ‘fiscaal’ Joannes van der Straaten naar het gebied gestuurd om een einde te maken aan die smokkel. Maar hij blijkt net zo corrupt als de mannen die hij moet controleren. In zeven jaar maakt hij 175.000 gulden over naar huis, terwijl zijn maandloon maar 100 gulden bedraagt.

Blijf op de hoogte via onze nieuwsbrief

Gouden Eeuw

Eerste Wereldoorlog

Tweede Wereldoorlog

VOC

Middeleeuwen