• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Historisch Nieuwsblad 5/2020

    Veilige haven gezocht

    De helse tocht van vluchtelingenschip St. Louis

    Door: Rob Hartmans

    Het weer is prachtig, het eten goed, de bemanning gedraagt zich hoffelijk. Het lijkt wel alsof de Joodse passagiers op de St. Louis op vakantie zijn. Maar in het zicht van hun bestemming – de haven van Havana – blijkt pas hoezeer ze zich vergissen.

    Hamburg, 13 mei 1939. Op de kade van rederij HAPAG (Hamburg-Amerikanische Packetfahrt-Actien-Gesellschaft) is het een drukte van belang. Honderden mensen gaan aan boord van het passagiersschip St. Louis, dat koers zal zetten naar de Cubaanse hoofdstad Havana. Op de kade hebben zich talloze familieleden en vrienden van de passagiers verzameld. Er wordt volop met koffers en kratten gesjouwd, want dit zijn geen vakantiegangers, maar landverhuizers. Om de stemming te verhogen speelt een band vrolijke deuntjes. Aan boord rennen kinderen nieuwsgierig rond, opgewonden door het grote avontuur dat gaat beginnen. Aan de reling turen hun ouders en andere volwassenen naar de mensenmassa beneden op de kade om te zien of ze bekende gezichten herkennen. Er wordt gezwaaid en geroepen, en hier en daar wordt een traan weggepinkt.

    Op het eerste gezicht is dit een normaal tafereel, dat zich in de tijd voor de doorbraak van de burgerluchtvaart in havens over de hele wereld had kunnen afspelen. Maar dit is Duitsland, en het is mei 1939. Wie goed kijkt, ziet dat het hier niet gaat om een groep gewone emigranten. Zowel bij de landverhuizers als bij de uitzwaaiers op de kade zijn veel bedrukte gezichten te zien. Nu is afscheid nemen altijd moeilijk, maar hier lijken veel mensen toch wel erg nerveus. En wat ook opvalt is dat er onder de passagiers verschillende mannen zijn met kale hoofden.

    Tekst loopt door onder de afbeelding

    Voorbijgangers bekijken de schade na de Kristallnacht. Berlijn, november 1938.

    De 937 emigranten aan boord van de St. Louis zijn namelijk geen ‘gelukzoekers’ die hopen in een ander land meer kansen op welvaart te vinden, maar op een enkele uitzondering na wanhopige Joden. De mannen met kale hoofden zijn net vrijgelaten uit een concentratiekamp nadat ze een verklaring hebben getekend dat ze onmiddellijk het land zullen verlaten en nooit meer zullen terugkeren.

    Aan boord is ook de 12-jarige Hannelore Klein, die in 1971 de moeder van Arnon Grunberg zal worden. Haar vader heeft de laatste tijd al niet meer thuis geslapen, maar bij alleenstaande vrouwen, onder wie zijn zuster: ‘Daar zocht de SS niet naar Joodse mannen. De SS ging bij voorkeur ’s nachts op Jodenjacht.’

    1400 synagogen verwoest

    Al meteen na de machtsovername door Adolf Hitler, op 30 januari 1933, was het duidelijk dat Duitsers met een Joodse achtergrond het zwaar zouden krijgen. Ze werden slachtoffer van pesterijen, mishandeling, vernieling en een eindeloze reeks discriminerende maatregelen waardoor ze in toenemende mate buitengesloten werden. Van de circa 500.000 Joden die Duitsland begin 1933 telde, waren er vijf jaar later bijna 130.000 geëmigreerd. De meerderheid van de Joodse Duitsers hoopte dat als ze zich maar heel stil hielden en zich aanpasten, de ijzige wind van het antisemitisme na verloop van tijd weer zou overwaaien. Per slot van rekening waren zij altijd goede staatsburgers geweest, en veel Joodse mannen hadden tijdens de Eerste Wereldoorlog voor Duitsland gevochten.

    Na de Kristallnacht van 9 november 1938 probeerden steeds meer Joden alsnog te emigreren. Er waren toen 1400 synagogen in vlammen opgegaan, ruim 7500 Joodse winkels en bedrijven vernield, 30.000 Joden opgesloten in concentratiekampen en honderden mensen omgekomen. De Joden waren bang voor een volgende uitbarsting van haat. Bovendien hadden ze te maken met nog meer discriminerende maatregelen. Een enigszins normaal leven was niet meer mogelijk. Hannelore Klein zat al enkele jaren op een speciale Joodse school, maar nu ging die helemaal dicht. ‘De droom van de Duitse Joodse burger was uitgedroomd,’ schreef ze in haar memoires.

    Uitbarsting van haat – Na de Kristallnacht proberen steeds meer Joden te emigreren

    Velen zochten hun toevlucht in een van de buurlanden van Duitsland, maar omdat de oorlogsdreiging in Europa toenam probeerden veel anderen zo ver mogelijk weg een veilig heenkomen te zoeken. Vooral de Verenigde Staten waren favoriet. Maar dit land kende sinds 1924 een zeer strikte immigratiewet, met vaste quota per jaar. Nog voor de Kristallnacht had de Amerikaanse consul-generaal in Berlijn aan Washington gemeld dat er dagelijks duizenden mensen om een visum kwamen vragen. Het quotum voor immigranten uit Duitsland was voor dat jaar vastgesteld op 27.000, terwijl het consulaat inmiddels 125.000 aanvragen had ontvangen. ‘Nieuwe gegadigden moeten nu drie tot vier jaar wachten,’ aldus de consul-generaal.

    Portret Hitler verwijderd

    Ook de passagiers van de St. Louis hebben in meerderheid een visum voor de VS aangevraagd, maar dat nog niet gekregen. In plaats daarvan hebben ze wel certificaten bemachtigd die zijn uitgegeven door de directeur van de Cubaanse immigratiedienst – die er minstens 500.000 dollar aan heeft verdiend – en die het recht geven om als ‘toerist’ op Cuba te verblijven en toelating tot de VS af te wachten. Deze ‘toeristenvisa’, die via verschillende tussenpersonen worden verhandeld, hebben behoorlijk wat geld gekost, en ook de overtocht is niet goedkoop. De 400 passagiers van de eerste klassen hebben 800 Reichsmark per persoon betaald, en degenen die tweede klasse reisden 600 RM. Hier komt per ticket nog eens een toeslag van 230 RM bovenop, voor ‘onvoorziene omstandigheden’ – dat wil zeggen, als het schip de passagiers weer terug naar Duitsland moet brengen.

    Tekst loopt door onder de afbeelding

    Joodse passagiers worden in de haven van Havana onder militair toezicht weer aan boord gebracht

    Voorlopig wil niemand aan die mogelijkheid denken, en wanneer het schip op die 13de mei de haven van Hamburg uit vaart, zijn de passagiers opgelucht en vol hoop. De St. Louis is een modern schip, dat tien jaar geleden van stapel is gelopen en wordt voortgestuwd door vier dieselmotoren. De Duitse bemanning is hoffelijk, iets wat de Joodse passagiers niet meer gewend zijn, en het eten is goed. Kapitein Gustav Schröder ziet erop toe dat het de passagiers aan niets ontbreekt en laat het officiële portret van Hitler uit de balzaal verwijderen, zodat die kan worden gebruikt voor religieuze bijeenkomsten. Hannelore Klein zal zich later herinneren: ‘Het weer onderweg was onwaarschijnlijk mooi. Er werden concerten gegeven, bokbier- en kostuumfeesten. De reis met deze vriendelijke kapitein en bemanning (…) was als een lang niet genoten vakantie.’

    Er lijkt dus geen vuiltje aan de lucht, maar kapitein Schröder maakt zich niettemin zorgen. Op 5 mei is namelijk het bericht gekomen dat de Cubaanse regering het immigratiebeleid heeft aangescherpt, maar voor de HAPAG is dat geen reden geweest de reis te annuleren. Op 23 mei, tien dagen na vertrek, krijgt Schröder een telegram van zijn rederij waarin wordt gemeld dat de verstrekte certificaten ongeldig zijn verklaard. Maar helemaal duidelijk is de situatie nog niet, zodat hij opdracht krijgt zijn koers te vervolgen.

    Niemand van boord

    Vier dagen later, in de vroege ochtend van 27 mei, komt de Cubaanse kust in zicht. De passagiers haasten zich aan dek en turen in het halfdonker naar het exotische landschap. Als het schip de haven van Havana binnenvaart is de opwinding groot. Merkwaardig is wel dat de St. Louis niet aanmeert aan de steiger die gereserveerd is voor HAPAG-schepen, maar in het midden van de haven voor anker gaat. Aanvankelijk drukt dit de opgewekte stemming nog niet, maar dit verandert als er politie aan boord komt. Sommige passagiers hebben familieleden op Cuba, en enkelen daarvan charteren motorbootjes om naar het schip te varen. De politiemannen zien er echter scherp op toe dat niemand van boord gaat. Bovendien beginnen ze alle paspoorten te controleren. In totaal zijn er 22 Joodse passagiers die een officieel Cubaans visum bezitten, en zij mogen wel aan land, evenals de vier Spaanse en twee Cubaanse passagiers. De overigen zien tot hun ontsteltenis dat de politie een dikke ‘R’ in hun paspoort stempelt – Retorno.

    Teruggestuurd – De politie stempelt de R van ‘Retorno’ in hun paspoort

    De Cubaanse regering heeft hiertoe niet alleen besloten vanwege de corruptie van de immigratiedienst, maar ook vanwege de een economische crisis in het land. Vakbonden en media maken stemming tegen nieuwkomers, die een bedreiging zouden vormen voor de werkgelegenheid. Bovendien zijn er allerlei fascistische groeperingen actief die Joden zonder meer gelijkstellen aan communisten. Op 8 mei heeft in Havana een antisemitische demonstratie plaatsgevonden waaraan maar liefst 40.000 mensen hebben deelgenomen.

    Kapitein Schröder is niet van plan rechtsomkeert te maken en de autoriteiten willen niet toegeven. Dit is een patstelling, die enkele dagen duurt. ‘Het eerste Spaanse woord dat ik leerde was mañana,’ vertelde de toen 12-jarige Herbert Karliner later. Ondertussen arriveert een vertegenwoordiger van de American Jewish Joint Distribution Committee – de grootse Joodse hulporganisatie in de VS, die in de wandeling meestal ‘de Joint’ genoemd wordt – in Havana om met de Cubaanse regering te onderhandelen. President Frederico Laredo Bru eist 450.000 dollar (500 dollar per persoon), en wanneer Lawrence Berenson van de Joint met een tegenbod komt, breekt Bru de onderhandelingen af. Ondertussen wordt de stemming aan boord steeds wanhopiger. Op 30 mei snijdt een van de passagiers zijn polsen door en springt overboord. Deze man, Max Loewe, was in de Eerste Wereldoorlog onderscheiden met het IJzeren Kruis en liep mank sinds hij in concentratiekamp Buchenwald door bewakers in elkaar was geslagen. De Cubaanse politie vist hem uit het water en brengt hem over naar een ziekenhuis.

    Tekst loopt door onder de afbeelding

    Op 7 juni zet het schip weer koers naar Europa. De passagiers zijn niet welkom in Cuba, Canada of de VS.

    Onverbiddelijk

    Op 2 juni is duidelijk dat het geen zin heeft om voor anker te blijven liggen, zodat de St. Louis vertrekt uit Havana. Maar kapitein Schröder is niet van plan meteen terug te varen naar Hamburg. Traag vaart hij langs de kust van Florida, geëscorteerd door schepen van de Amerikaanse kustwacht die erop toezien dat er geen passagiers van boord springen om naar de kust te zwemmen. Ondertussen proberen een comité van de passagiers en vertegenwoordigers van de Joint koortsachtig toestemming te krijgen om in de VS aan land te gaan. President Franklin D. Roosevelt weet dat het Congres nooit zal instemmen met de wijziging van de quota, zodat zijn regering op 4 juni officieel laat weten dat de St. Louis de toegang geweigerd wordt. Ook Canada is onverbiddelijk. De minister van Immigratie van dit land, Frederic Blair, komt met een nog altijd bekend argument: ‘Als deze Joden hier zouden worden toegelaten, zouden ze worden gevolgd door nog meer scheepsladingen – ergens moet een grens worden getrokken.’

    Terwijl Hannelore Klein en de andere kinderen aan boord vrolijk spelen en nog steeds genieten van deze bijzondere vakantie, worden de volwassen passagiers steeds wanhopiger. Sommigen stellen voor te dreigen met collectieve zelfmoord, in de hoop dat de Amerikaanse overheid dan zwicht. Omdat alle havens gesloten blijven en de stookolie dreigt op te raken, zet kapitein Schröder op 7 juni koers naar Europa. Hij speelt even met het plan om voor de kust van Engeland net te doen of het schip averij heeft opgelopen, zodat wellicht de passagiers van boord mogen.

    Grens getrokken – ‘Als we deze Joden toelaten, volgen meer scheepsladingen’

    Op 13 juni krijgt Schröder bericht dat de inspanningen van de Joint en Joodse organisaties in enkele West-Europese landen iets hebben opgeleverd. Engeland, Frankrijk, België en Nederland zijn bereid de vluchtelingen van de St. Louis op te nemen. De euforie onder de passagiers is enorm en vier dagen later meert het schip aan in de haven van Antwerpen. Engeland neemt 287 mensen op, terwijl Frankrijk, België en Nederland respectievelijk 224, 214 en 181 passagiers opvangen.

    Evenals de overige Joden die naar Nederland gaan worden Hannelore Klein en haar ouders per boot naar het quarantainestation Heijplaat bij Rotterdam gebracht, waar normaal zeelieden met besmettelijke ziektes worden geïsoleerd. ‘Met onze oranje bloem opgespeld – we kwamen op uitnodiging van koningin Wilhelmina – verdwenen we achter prikkeldraad. We wisten niet dat we onze vrijheid voor de komende zes jaren kwijt waren, en dat de meesten van ons, ook mijn ouders, de vrijheid nooit meer zouden beleven.’

    Ontluisterend – ‘Met onze oranje bloem opgespeld verdwenen we achter prikkeldraad’

    Na een verblijf van zes weken in Heijplaat mochten sommige mensen naar familie in Nederland, terwijl Hannelore Klein en anderen terechtkwamen in het Lloyd Hotel in Amsterdam, een failliet landverhuizershotel dat toen werd gebruikt voor de opvang van Joodse vluchtelingen. Na de Duitse inval werden ze overbracht naar kamp Westerbork. Via Theresienstadt, Auschwitz en nog enkele andere kampen belandde Hannelore in het Oostenrijkse concentratiekamp Mauthausen, waar ze op 5 mei 1945 werd bevrijd.

    Uiteraard hadden degenen die naar Engeland mochten geluk. Van de resterende 620 vluchtelingen wisten er 87 vóór mei 1940 te emigreren naar landen die niet door de Duitsers bezet zouden worden. Van degenen die niet die kans hadden kwamen er tijdens de Shoah 254 om, terwijl de rest de oorlog overleefde – de meesten waren in 1939 toegewezen aan Frankrijk en België.

    Uiteindelijk wist van de 937 oorspronkelijke passagiers ongeveer de helft alsnog de VS te bereiken, terwijl velen na de oorlog naar Israël emigreerden. Van de overlevenden bleef slechts een twintigtal in landen wonen die door de Duitsers bezet waren geweest. Ironisch was het lot van Max Loewe, de man die in Havana een zelfmoordpoging had gedaan: nadat hij in een Cubaans ziekenhuis was hersteld werd hij uitgewezen naar Engeland, waar hij de oorlog overleefde.

     

    Rob Hartmans is historicus, journalist en vertaler.

     

    Kader: Landen verbreken hun beloften – Nergens welkom

    Na de annexatie van Oostenrijk in maart 1938 steeg het aantal Joden in het Derde Rijk tot boven het half miljoen. Omdat de antisemitische politiek in Oostenrijk veel fanatieker was, nam het aantal Joden dat weg wilde enorm toe. Hoewel in veel landen de economische crisis inmiddels voorbij was, waren ze huiverig om vluchtelingen op te nemen. Op initiatief van president Franklin D. Roosevelt werd in juli 1938 in het Franse Évian-les-Bains een conferentie gehouden over het probleem van de Joodse vluchtelingen. Er werden veel hooggestemde verklaringen afgelegd. Landen beloofden, zoals de Braziliaanse afgevaardigde verklaarde, alles te doen ‘binnen de grenzen van ons immigratiebeleid’. Dus nagenoeg niets, aangezien elk land wel redenen wist te bedenken om vluchtelingen te weigeren.

    De VS hielden vast aan hun quota, de Britten weigerden Joden toe te laten tot hun mandaatgebied Palestina en Polen deed de grens hermetisch dicht toen Duitsland in augustus 1938 Joden van Poolse afkomst begon te deporteren. Nederland sloot in mei 1938 officieel de grens voor Joodse vluchtelingen. Over het algemeen werden degenen die toch het land binnen wisten te komen niet teruggestuurd. Na de Kristallnacht in november van dat jaar bleek de regering toch bereid enkele duizenden vluchtelingen op te nemen.

    Behalve de St. Louis voeren er in de zomer van 1939 nog circa twintig schepen met Joodse vluchtelingen rond, waarvan een deel de opvarenden illegaal in Palestina aan land wist te zetten.

     

    Meer weten:

    Refuge Denied. The St Louis Passengers and the Holocaust (2006) door Sarah A. Ogilvie en Scott Miller.

    Zolang er tranen zijn (2015) door Hannelore Grunberg-Klein.

    Aan de vooravond. Europese Joden voor de Tweede Wereldoorlog (2012) door Bernard Wasserstein.

    Voyage of the Damned (1976) speelfilm door Stuart Rosenberg.