• Mijn account
  • Shop
  • Winkelmand
  • Log in

    Wachtwoord vergeten?

    Beeldessay



    In Artis gebeurde het


    Artis bestaat 175 jaar. Nu is het een dierentuin voor iedereen, maar in de negentiende eeuw was het een exclusieve sociëteit met een strikt deurbeleid. Niet het dieren kijken stond centraal, maar internationale wetenschap, lezingen en muziek. Artis was the place to be, zolang de gewone man maar buiten de poort bleef.

    door Annemarie Lavèn

    Een boekdrukker, een horlogemaker en een makelaar. Het waren weliswaar geen armlastige, maar verder toch gewone burgers die in 1838 besloten tot de oprichting van zoölogische sociëteit Natura Artis Magistra. Binnen een week na de lancering van hun plan hadden ze al 400 intekenaars bij elkaar, die voor 10 gulden per jaar lid wilden worden. Ruim een decennium later was het ledenaantal gestegen naar 2500.

    Onder de leden waren patriciërs, maar het waren vooral gegoede burgers. Ze verdienden geld als water met koloniale handel of het bankwezen. Ondanks hun dikke portemonnee kwamen ze niet in aanmerking voor lidmaatschap van de bestaande, oudere genootschappen.

    Bij Artis wel. Daar vormden ze een eigen sociëteit voor de nieuwe, burgerlijke elite. Dankzij de rijke leden kon Artis in 1839 zijn eerste grote collectie dieren aankopen voor maar liefst 34.000 gulden. Ook werd telkens meer grond aangekocht, zodat Artis binnen drie decennia enorm in omvang toenam.

    De gemeente zag weinig in de plannen van de exclusieve dierenclub. De parkachtige Amsterdamse Plantagebuurt werd steeds verder opgeslokt, terwijl de gewone Amsterdammer niet naar binnen mocht. Tegen de aankoop van grond was weinig te beginnen, maar de gemeente kon wel bouwvergunningen weigeren.

    Het getouwtrek leidde in 1852 tot een compromis. Artis mocht musea en dierenverblijven bouwen, maar moest zijn exclusiviteit een beetje prijsgeven: in de maand september gold een lagere toegangsprijs en kon de lagere middenstand voor het eerst ook de exotische dieren bewonderen. Toch bleef Artis voor een gewone arbeider ook in september onbereikbaar.

    Door het exclusieve karakter was Artis een echte hotspot geworden. De beste orkesten traden op, wetenschappers van internationale allure gaven lezingen, de mooiste collecties werden tentoongesteld – in Artis gebeurde het, Artis gaf de natie glans.

    Maar tegen het einde van de eeuw kreeg het dierenpark geduchte concurrentie. Je hoefde niet meer naar Artis om bij de culturele elite te horen; je kon ook naar het Rijksmuseum, het Concertgebouw of het Paleis voor Volksvlijt. Het ledenaantal nam af en voor het eerst had de sociëteit ernstige financiële zorgen.

    Er zat maar één ding op om de dierentuin van de ondergang te redden: de deuren opengooien. Het orkest werd ingeruild voor een fanfare, de wetenschappelijke lezing werd een praatje. Artis was niet meer van de elite, maar van het gewone volk dat aapjes wilde kijken.