WederopbouwNa de bevrijding in 1945 begon Nederland voortvarend aan de wederopbouw. Ook werd een begin gemaakt van de ontwikkeling van een moderne verzorgingsstaat. Bovendien nam Nederland afscheid van de neutrale buitenlandse politiek en zocht het internationaal aansluiting in verbanden als de NAVO en de EGKS. Het idee dat Nederland de voorspoedige wederopbouw te danken zou hebben aan de calvinistische waarden van hard werken en sober leven, is een mythe. Nederland profiteerde van de groei van de wereldeconomie.Marshallhulp De Nederlandse infrastructuur, landbouw en industrie hadden zwaar te lijden gehad onder de Tweede Wereldoorlog. Om met een schone lei te kunnen beginnen moest Nederland 'gezuiverd' worden: van de puinhopen, de 'foute' Nederlanders en het zwarte geld. De overheid moest de schone lei invullen en niet alleen tastbare zaken moesten opnieuw opgebouwd worden, maar ook de geest en het moreel van het Nederlands volk was - zo vond men - aan renovatie toe. Voorname doelen van het sociaal-economische beleid waren volledige werkgelegenheid, economische groei en sociale zekerheid.De materiële wederopbouw verliep voorspoedig, al in 1947 bereikte de Nederlandse industriële productie het niveau van 1938. Om de industrie bij te benen was het nodig om brandstof en graan uit de Verenigde Staten te importeren. Heel West-Europa had hiermee te kampen en er ontstond dan ook een tekort op de West-Europese handelsbalans. Hiermee ging een gebrek aan buitenlandse valuta gepaard. Nederland had dollars nodig om te kunnen investeren in de industrie en om consumptiegoederen te kunnen aanschaffen voor de bevolking. De Europese afzetmarkt was essentieel voor de Amerikaanse economie en deze dreigde nu juist verloren te gaan. De Marshallhulp kwam als een geschenk uit de hemel en zonder zou de Nederlandse wederopbouw nooit zo'n voorspoedig verloop hebben gehad. Althans, zo is het beeld van de steun vaak. Zonder Marshallhulp zou de wederopbouw van Nederland uiteindelijk ook succesvol zijn geweest, het herstel zou alleen langer de tijd nodig hebben gehad. Verzorgingsstaat Na de Tweede Wereldoorlog werd de regering ruim een decennium gevormd door rooms-rode coalities: een samenwerking tussen de Katholieke Volkspartij (KVP) en de Partij van de Arbeid (PvdA). Het voorspoedige herstel na de Tweede Wereldoorlog maakte de weg vrij voor onze verzorgingsstaat. Het begin ervan werd gemarkeerd door de Noodwet Ouderdomsvoorziening, die in 1947 werd aangenomen. Deze wet - die ook wel is vernoemd naar Willem Drees, die hem had ingediend - was de voorloper van de AOW en bood iedereen voor het eerst een verplichte verzekering voor de oude dag. In de aanloop naar de verkiezingen van 1946 was al in vrijwel alle verkiezingsprogramma's gepleit voor een verbetering van de ouderdomsvoorziening. Nationale solidariteit vormde de ideologische basis hiervan.Tijdens de Grote Depressie had de overheid ingegrepen om de economie op gang te krijgen en ook na de Tweede Wereldoorlog werd vastgehouden aan het principe van overheidsinvloed. Het Centraal Planbureau - opgericht in september 1945 - hielp middels wetenschappelijke studies het economisch beleid te bepalen. De eerste directeur van het CPB was de bekende Nederlandse econoom Jan Tinbergen. Het idee dat de overheid ook inbreng van het bedrijfsleven nodig zou hebben, leidde in 1950 tot de oprichting van de Sociaal-Economische Raad (SER). De regering voerde een geleide loon- en prijspolitiek om de internationale concurrentiepositie van Nederland veilig te stellen. Het beleid werkte nivellerend, maar de doelstelling werd bereikt: de Nederlandse export nam toe. De geleide loonpolitiek zou echter onhoudbaar blijken en in 1963 maakten werkgevers en werknemers samen een einde aan het beleid. Door de krapte op de arbeidsmarkt boden werkgevers hogere lonen. Economische voorspoed en consumptiemaatschappij In de jaren vijftig zou het aangezicht van Nederland voorgoed veranderen. Zowel de stad als het platteland moderniseerden. De agrarische productie groeide, maar het aandeel landbouwers in de beroepsbevolking nam in snel tempo af. Na de Tweede Wereldoorlog ontwikkelde Nederland zich al snel in een industrie- en dienstenland. De economie ontwikkelde zich voorspoedig, de verzorgingsstaat kreeg meer en meer vorm en de stabiliteit in de samenleving leek gewaarborgd. Vanaf eind jaren vijftig, met het langzaam loslaten van de geleide loonpolitiek, kwam de economische voorspoed bovendien in toenemende mate direct aan de bevolking ten goede. Dankzij ongekende loonsverhogingen - in het bijzonder die van 1963 - konden steeds meer huishoudens zich een bepaalde luxe veroorloven. Huishoudelijke machines, de televisie, auto, buitenlandse vakanties; ze waren allemaal niet meer voorbehouden aan een kleine groep. De levensstijl veranderde en men kreeg het idee dat er aan de materiële welvaart geen einde meer kon komen. Het feit dat economen en politici dit gevoel deelden, onder andere door de aardgasvondsten, versterkten de zekerheid. Hiermee ontstond de moderne consumptiemaatschappij. Dankzij de stijgende welvaart en de toegenomen industrialisatie, hadden Nederlanders meer geld en vrije tijd om te consumeren en recreëren. Koude Oorlog en internationale samenwerking De wederopbouw verliep dan wel voorspoedig, de status van Nederland als grote koloniale mogendheid was afgelopen en in de wereld waren nieuwe machtsverhoudingen ontstaan (met als zwaargewichten de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie). Dit was de eerste vijftien jaar van de Koude Oorlog nog even wennen voor met name de conservatieve en confessionele Nederlandse politici. Nederland was niet onverdeeld positief over de Verenigde Staten, maar van de Sovjet-Unie moesten de meeste Nederlandse politici en partijen sowieso niets hebben. Al voor de Tweede Wereldoorlog heerste overigens een anticommunistische en anti-Sovjetstemming. Met de oprichting van het IJzeren Gordijn vanaf 1948 versterkten deze gevoelens. Nederland besefte dat aansluiting bij de westerse machten onder Amerikaanse leiding de beste keuze was. Daarom trad Nederland in april 1949 toe tot de NAVO. Hierbij speelden economische motieven - de Marshall-hulp van de VS - ook mee.In 1951 was Nederland betrokken bij de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), waarin zes landen - waaronder de gezworen tegenstanders Duitsland en Frankrijk - samenwerkten voor een voorspoedige economische ontwikkeling. Het succes zou aanleiding zijn voor een steeds verdergaande samenwerking, culminerend in de Europese Unie. Door de internationale aansluiting nam Nederland afscheid van de neutraliteitspolitiek. Vooral begin vijftiger jaren werden diverse initiatieven ondernomen om de weerbaarheid van Nederland te vergroten. Met het trauma van de Tweede Wereldoorlog nog niet ver achter zich, moest Nederland voorbereid zijn op de Sovjetdreiging. Ter voorbereiding op een eventuele Sovjetaanval en -bezetting werden de Bescherming Bevolking (BB) opgericht, en ook een geheim stay-behind-netwerk. (tekst: Simone Olsthoorn) Hoofdrolspelers Carl Romme★ 1896 - † 1980 Carl Romme, politicus van de KVP, domineerde samen met Willem Drees de politiek in de na-oorlogse jaren. Jan Tinbergen★ 1903 - † 1994 Wordt beschouwd als de grondlegger van de econometrie, ontving de "Nobelprijs" voor economie en adviseerde diverse organen op economisch gebied. Mede-opsteller van het Plan van de Arbeid en de eerste directeur van het Centraal Planbureau. Johan Willem Beyen★ 1897 - † 1976 Johan Willem Beyen was in 1952 tot 1956 minister van Buitenlandse Zaken. Hij had een belangrijk aandeel in de tot standkoming van de EEG. Hij wilde graag economische samenwerking, toen hij door had dat politieke samenwerking op Europees niveau er nog niet in zat. Joseph Luns★ 1911 - † 2002 Joseph Luns was een Nederlandse politicus, lid van de KVP. Van 1956 tot 1971 was hij Minister van Buitenlandse Zaken. Van 1971 tot 1984 was hij Secretaris-Generaal van de Navo. Louis Beel★ 1902 - † 1977 Hoewel hij na de oorlog eigenlijk de wetenschap in wilde, werd het de politiek. Dankzij zijn ambtelijke ervaring en zijn onberispelijk gedrag tijdens de bezetting, zou hij deel uitmaken van het eerste naoorlogse kabinet; als minister van Binnenlandse Zaken.
|