Vroege MiddeleeuwenDe ondergang van het Romeinse Rijk markeert het begin van de vroege Middeleeuwen. Nadat het Romeinse leger was vertrokken uit de Lage Landen, raakten diverse Romeinse verworvenheden in verval. De bevolkingsaantallen namen af en de economie werd weer voor het grootste deel zelfvoorzienend. De infrastructuur werd niet onderhouden en ook de Romeinse cultuur - in de vorm van rechtspraak en geschreven taal - verdween. Het schrift was pas een paar honderd jaar later weer in opkomst.Marco Mostert, mediëvist aan de Universiteit Utrecht, zegt in een interview met Historisch Nieuwsblad (2009/9) echter te betwijfelen dat het schrift geheel verdween: 'In de late Oudheid zijn hier veel mensen weggetrokken. Deze gebieden werden veel dunner bevolkt. Ik vermoed dat je ook daardoor veel minder schrift uit deze periode ziet.' Het Frankische Rijk Uit de resten van het Romeinse Rijk ontstonden in de vijfde eeuw stammenrijken, die naast Germaanse eigenschappen ook duidelijk Romeinse trekken vertoonden. Het Frankische Rijk werd het belangrijkste en de Merovingische vorst Chlodowech (Clovis) speelde hierin een voorname rol. Ook de Lage Landen maakten deel uit van dit rijk.Het nieuwe rijk, dat zich langzaam maar gestaag zou uitbreiden, erkende nog in enige mate het oppergezag van het Romeinse Rijk, dat toen beperkt was tot Byzantium. In de Frankische besluitvorming was inspraak door de vrije stamleden bindend. Bovendien speelden de gewoonterechten een grotere rol dan het systeem van geschreven wetgeving dat de Romeinen hadden ontwikkeld. Binnen het Frankische Rijk golden hierdoor meerdere rechtssystemen van verschillende stammen. Afstamming woog zwaarder dan politieke grenzen, wat het bewaren van bestuurlijke eenheid in een groter geografisch gebied bemoeilijkte. Het rijk dat Chlodowech had weten op te bouwen werd na zijn dood verdeeld over zijn vier zonen. Kerstening: Willibrord en Bonifatius In de zevende eeuw werd de inlijving van de Friezen voor de Merovingers prioriteit. Hier lag een drietal redenen aan ten grondslag. Ten eerste was het politiek van belang om het eigen gebied te vergroten. Economisch gezien wilden de Franken profiteren van de handelsroutes over de Noordzee en de Baltische Zee. Ten slotte was religie van belang. De Merovingische koningen speelden een voorname rol in het op gang brengen van de christelijke missionering. In het huidige Nederland speelde Bonifatius een belangrijke rol als missionaris. Hij bezocht Willibrord, de 'aartsbisschop van de Friezen', die sinds 695 zetelde in Utrecht. De kerstening ging gepaard met veel machtsvertoon. 'Het ging erom de macht van God te laten zien,' zegt Marco Mostert. 'Dat was een belangrijk argument om je te laten bekeren. Daarom waren wonderen ook zo belangrijk: die lieten zien wat de God van de christenen allemaal kon.' De Friezen lieten zich echter niet zonder slag of stoot bekeren. In 754 werd Bonifatius door trouwe heidenen te Dokkum vermoord. Karolingische periode In de achtste eeuw wist Pippijn III (die dankzij een overwinning op de Mohammedanen het aanzien van zijn geslacht had weten te vergroten) de gunst van de paus te verwerven door hem van de dreiging van de Longobarden te redden. Als dank zalfde de paus Pippijn tot 'koning van de Franken'. Hiermee namen de Karolingen de plaats in van de Merovingen. Ze voerden een expansieve politiek en wisten hun invloedssfeer uit te breiden door plaatselijke aristocraten te fêteren met bestuursfuncties en kerkelijke ambten. ![]() De Karolingen - de naam is afgeleid van Karel de Grote, zoon van Pippijn III - kregen grotere territoriale ambities. De paus kroonde Karel de Grote in 800 tot 'keizer van de Romeinen'. Net als het Frankische Rijk hinkte ook deze heerschappij op twee gedachten: enerzijds was het een rijk naar Germaanse traditie, anderzijds een staat naar Romeins concept. Het idee van erfopvolging werd echter gehandhaafd en slechts door toeval hoefde het rijk na de dood van Karel de Grote niet opgedeeld te worden. Hij werd opgevolgd door zijn enige nog levende zoon: Lodewijk de Vrome. Feodaal stelsel Het rijk kende enkele structurele zwakheden, waarvan de erfopvolging er één was. Daarnaast was er - mede door de slechte infrastructuur - sprake van een beperkte communicatie. Het gebrek aan financiële middelen was ook niet bevorderlijk voor de ontwikkeling van het rijk. Goed bestuur in het onmetelijke rijk moest beloond worden. Diensten werden vergoed met gronden en de opbrengsten ervan en hieruit ontwikkelde zich het zogenaamde feodale of leen-stelsel. Toen na enige tijd de 'lenen' overerfbaar werden, onstond een nieuwe sociale laag: de adel. Hoewel de leenmannen regeerden in naam van de keizer, gingen zij zich gedragen als lokale potentaten. Daardoor was Europa tijdens de Middeleeuwen in een lappendeken van min of meer zelfstandige gebieden, die dikwijls onderling oorlog voerden. Na de dood van Lodewijk in 840 werd het Karolingische rijk verdeeld over zijn drie zoons. Zo ontstonden het West-Frankische Rijk (Frankrijk), het Oost-Frankische Rijk (Duitsland) en een zogenaamd Middenrijk. Het huidige Nederland was onderdeel van dit Middenrijk, maar omdat het rijk al gauw werd opgeslokt door de buurrijken, kwam het gebied onder het gezag van de Duitse keizer. (tekst: Simone Olsthoorn) Hoofdrolspelers★ 672 of 674 - † 754 Eén van de belangrijkste missionarissen en kerkhervormers in het Frankische Rijk. Vermoord bij Dokkum in Friesland. Chlodowech★ 465 - † 511 Ook wel bekend als Clovis. Hij was koning der Franken en legde de basis aan het Frankische rijk, dat een groot deel van Europa zou gaan beheersen. Rond 500 bekeerd tot katholieke christendom. Karel de Grote★ 747 of 748 - † 814 Vanaf 768 koning der Franken, vanaf 800 keizer van het Westen. Regeerde over een rijk dat onder andere Oostenrijk, Noord-Italië, Tsjechië, Slowakije, Noord-Spanje, West-Duitsland, België en Nederland omvatte. Hierdoor ook wel bekend als 'Pater Europae' (vader van Europa). Hij liet scholen stichten, voerde een (niet metriek) geldstelsel in, liet de wetten van de Saksen en Friezen op schrift vastleggen en vulde het Frankische wetboek, de Lex Salica, verder in. Onder zijn gezag kreeg het feodalisme (leensysteem) gestalte. Karel Martel★ 689 - † 741 Hofmeier van het Frankische Rijk. Hij werd zo machtig, dat hij de plaats van de Merovingische koningen innam en stamvader van de Karolingen werd. Lodewijk de Vrome★ 778 - † 840 Volgde zijn vader Karel de Grote in 814 op als koning van de Franken. Beroemd om zijn vroomheid.
|