Historisch Nieuwsblad

De Bezetting

Tijdens de Eerste Wereldoorlog respecteerden de strijdende machten het neutraliteitsprincipe van Nederland. Met de Duitse inval in Nederland op 10 mei 1940 kwam er een einde aan de Nederlandse neutraliteit. Na een vijfdaagse oorlog werd Nederland bezet door Duitsland. De regering en de Koninklijke familie zochten een veilig heenkomen in Engeland en Nederland kreeg een nieuw regeringshoofd. Binnen een paar maanden werden de eerste anti-Joodse maatregelen getroffen, de deportaties volgden enige jaren later. Niet lang daarop werden jonge Nederlandse mannen verplicht tewerkgesteld in Duitsland. Enkele duizenden Nederlanders gingen in het actieve verzet, terwijl anderen collaboreerden met de bezetter.



Inval en bestuur
Aangezien Nederland zich relatief snel - na een oorlog van vijf dagen - over moest geven aan de Duitse overmacht, is een beeld ontstaan van een onvoorbereid Nederlands leger, dat werkte met zwaar verouderd materieel. Dit beeld verdient enige nuancering. Daags voor de Duitse inval in Polen had de Nederlandse regering namelijk een voormobilisatie aangekondigd en enkele dagen later volgde de algemene mobilisatie. Doordat Nederland vertrouwen bleef houden in het neutraliteitsprincipe, richtte de mobilisatie zich echter op de opbouw van verdedigingswerken. Nederland kende wel een gewapende neutraliteit, het kon actief aan de strijd meedoen om tijd te winnen zodat de bondgenoten te hulp zouden kunnen komen.

De strategie van de Nederlandse legerstaf was om te wachten op hulp van Frankrijk, maar die hulp zou uitblijven. Nederland speculeerde erop dat geen van de drie grote mogendheden het bezit van Nederland aan een ander zou gunnen en dat het land dus altijd op bondgenootschappelijke steun zou kunnen rekenen. Een ander onderdeel van de strategie was dat vooral het centrum van de macht, de Randstad, hardnekkig moest worden verdedigd.

Aangezien de hulp van de Fransen uitbleef, was de strijd in feite al op 12 mei gestreden. Die dag was bepalend, omdat West-Brabant in Duitse handen was gekomen. Zowel de Duitse legerleiding als de Nederlandse opperbevelhebber Henri Winkelman zagen in dat de eindstrijd was begonnen. De Koninklijke familie en de regering maakten zich klaar om het land te verlaten en Winkelman kreeg van het kabinet de order om de strijd vol te houden (dat wilde Winkelman zelf graag), maar er zorg voor te dragen dat er geen onnodige offers zouden vallen.

Toen de Duitsers besloten tot een luchtaanval op Rotterdam, waren er net onderhandelingen op gang gekomen tussen het Nederlandse leger - vertegenwoordigd door de officieren Scharroo en Wilson - en de Wehrmacht. De Duitse generaal Schmidt wilde het bombardement in afwachting van de uitkomst van de onderhandelingen uitstellen. Daartoe liet hij, zoals afgesproken met de piloten, vuurpijlen afschieten. Eén formatie bommenwerpers zag het signaal hiertoe echter niet, waardoor het verwoestende bombardement toch werd uitgevoerd. Hierop kwam Winkelman tot de conclusie dat het principe van het voorkomen van onnodige offers en het volhouden van de strijd niet meer te rijmen waren en dat de overgave moest worden aangeboden. Dit gebeurde inderdaad de volgende dag.

Regering in Londen

De Nederlandse regering vormde in Londen een regering-in-ballingschap, met vanaf september 1940 Piet Gerbrandy van de ARP als premier. Hij koos met steun van koningin Wilhelmina actief voor de kant van de geallieerden. Zijn voorganger Dirk de Geer had nog vastgehouden aan zijn hoop op vrede met Duitsland. De volgende zorg was om na te denken hoe het (moreel) gezag in Nederland te herstellen. Hiertoe werd een propaganda-apparaat opgesteld, waar Radio Oranje het belangrijkste onderdeel van zou gaan vormen. Tot midden 1943 was het erg moeilijk om het bezette gebied hiermee te bereiken, maar in de loop van 1944 wist het station enige invloed te krijgen op de gebeurtenissen in het thuisland.

De regering-in-ballingschap riep de ambtenaren op niet mee te werken met de Duitsers, zeker niet wat betreft het wegvoeren van Joden en Nederlandse arbeiders. Veel impact hadden deze orders niet, omdat de ambtenaren in Nederland het idee hadden beter dan de mensen in Londen te weten wat onder de omstandigheden verstandig was.



Bestuur in Nederland

'In het belang van de bevolking' bleven de secretarissen-generaal van de departementen op hun post. Zij werden in feite een soort ministers. Deze ambtenaren bleven, omdat zij vertrouwen hadden in hun eigen kunnen, maar ook vanwege hun afkeer van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Ze wilden de NSB buiten de deur houden en waren bang dat hun plaatsen ingenomen zou worden door NSB'ers als zij op zouden geven. Ze geloofden het gemeenschappelijk belang te dienen.

Het Duitse bestuur in Nederland bestond uit een aantal fanatieke nationaal-socialisten onder leiding van rijkscommissaris Arthur Seyss-Inquart, en werkte samen met de Nederlandse overhDe Oostenrijker Arthur Seyss-Inquart was tijdens de bezetting rijkscommissaris van Nederlandeid. Eind 1941 verbood de bezetter alle politieke organisaties, met uitzondering van de NSB. Dit had onder andere te maken met de doelstellingen van de bezetter, met op de eerste plaats het overtuigen van de bevolking van het nationaal-socialisme. De andere twee doelen waren het inschakelen van Nederland voor de oorlogsinspanning en het uitroeien van de Joodse bevolkingsgroep.

De laatste doelstelling werd in Nederland bijna behaald. Maar liefst driekwart van de joodse bevolking in Nederland kwam om. Wat de oorlogsinspanning betreft ging het de Duitsers ook voor de wind. Nederlandse bedrijven voerden in opdracht van de Duitse oorlogsindustrie werken uit en Nederlandse mannen werden als arbeiders in de industrie ingezet. Later werd het Nederlandse mannen verplicht gesteld om in Duitsland te gaan werken. In mei 1943 waren dit nog de mannen van 18 tot 35 jaar, in 1944 werd de 'totale arbeidsinzet' afgekondigd voor mannen van 16 tot 40 jaar. Uiteindelijk zijn 500.000 Nederlandse mannen in Duitsland tewerkgesteld, 30 procent van het aantal dat in aanmerking kwam.

Verzet en collaboratie
De meeste Nederlanders kozen tijdens de bezetting niet actief partij, maar schikten zich naar de omstandigheden. Ongeveer 45.000 mensen sloten zich aan bij het verzet. Hun acties waren niet altijd even succesvol, en hadden soms zelfs een averechts effect. De sabotages, liquidaties en stakingen lokten vaak represailles uit, waarbij onschuldige burgers omkwamen. Van de verzetsdaden nemen vooral de drie grote bedrijfsstakingen een belangrijke plaats in het collectieve geheugen van de bezetting in. Aan de stakingen namen dan ook veel meer mensen deel dan alleen de verzetslieden, wat duidde op een zekere algemene verzetsgeest.

Heleen Kuipers-Rietberg gaf leiding aan de grootste verzetsorganisatie van NederlandHet belangrijkste onderdeel van het georganiseerde verzet was de steun aan de onderduik. Degene die hier de meest prominente rol in speelde, was Heleen Kuipers-Rietberg - 'tante Riek' - uit Winterswijk. Deze moeder van vijf kinderen gaf leiding aan de LO, de Landelijke Organisatie voor Hulp aan Onderduikers. Ongeveer 300.000 onderduikers in Nederland wist zij met haar organisatie te voeden, te verzorgen en aan onderdak te helpen. In 1944 werden tante Riek en haar man verraden en opgepakt. Enkele maanden later overleed ze aan tyfus in concentratiekamp Ravensbrück.

Er was ook een beperkte groep Nederlanders die zich juist actief inzette voor de Duitse overheerser. Velen sloten zich aan bij de NSB van Anton Mussert, op het hoogtepunt ongeveer 100.000. Zo'n 25 duizend Nederlanders meldden zich vrijwillig om voor de nazi's te vechten aan het oostfront. Zij deden dit uit ideologische overtuiging, avonturisme of omdat zij weinig kansen hadden in de burgermaatschappij.


Jodenvervolging
De Duitsers gingen in Nederland voortvarend aan de slag met hun anti-Joodse politiek. Al in oktober 1940 werd de Ariërverklaring ingevoerd. Elke Nederlander moest op een formulier aangeven wie zijn voorouders waren en wie van die voorouders Joods waren. De efficiënte Nederlandse bureaucratie vergemakkelijkte de registratie en het nieuwe persoonsbewijs - dat erg moeilijk te vervalsen was - maakte het lastig om de registratie te ontlopen.

De stap die op registratie volgde, was uitsluiting. Allereerst werden Joden ontslagen uit overheidsdienst en het onderwijs. Deze maatregel leidde vrijwel nergens tot protest. Een belangrijke uitzondering vormde de Rijksuniversiteit Leiden, waar rechtsgeleerde Cleveringa een vurig betoog voor zijn Joodse collega had gehouden en de studenten in staking gingen. Seyss-Inquart nam geen halve maatregelen en sloot de universiteit, die pas na de oorlog de deuren weer zou openen. In de maanden hierop werd de ene na de andere uitsluitingsmaatregel ingevoerd. De meest in het oog springende was de verplichte Jodenster die ze vanaf mei 1942 op de kleding moesten dragen. De meest vergaande maatregel was de deportatie die in juli van dat jaar begon. Vanaf april 1943 mochten Joden alleen nog in Amsterdam wonen, of in de kampen Westerbork of Vught. Met steeds grotere regelmaat vertrokken vanuit deze plaatsen treinen vol joodse mensen naar vernietigingskampen als Mauthausen, Sobibor en Auschwitz.

Onderdeel van de uitsluiting van joden was dat zij in aparte wijken moesten wonen

De Februaristaking in 1941 was de laatste openlijke uiting van solidariteit met de Joodse bevolking. Weinig mensen durfden zich tegen de maatregelen te verzetten. Dit kwam de bezetters uiteraard goed uit, zij wilden de Jodenvervolging het liefst zo geruisloos mogelijk doorvoeren. De Joodse Raad kreeg hierbij van de Duitsers een belangrijke rol toebedeeld. Dit orgaan moest telkens de afweging maken tussen zo veel mogelijk levens redden en meewerken om erger te voorkomen.

Een aantal Joodse Nederlanders probeerde middels de onderduik te ontkomen aan het verschrikkelijke noodlot dat ze te wachten stond in de vernietigingskampen. Het was echter ontzettend moeilijk om een geschikt onderduikadres te vinden, en weinig mensen wisten op deze manier te overleven. Nederland zou het hoogste deportatiepercentage kennen in West-Europa.

Toen de overlevenden van de kampen uit het oosten van Europa terugkeerden, werden ze in Nederland allerminst met open armen ontvangen. In Nederland kon men maar weinig begrip opbrengen voor de traumatische ervaringen van de Joodse overlevenden.

Bevrijding in twee etappes
Op Dolle Dinsdag dacht een aanzienlijk deel van de Nederlandse bevolking dat de bevrijding gevierd kon worden. Het was echter pas 5 september 1944 en voor het grootste deel van het land zou het nog een tijd duren voor de bevrijding daadwerkelijk een feit zou zijn. De geallieerden waren dan wel aan een snelle opmars begonnen vanuit het zuiden, maar deze stokte bij de Rijn met de mislukking van operatie Market Garden, die tot doel had de bruggen over de grote rivieren te veroveren zodat de hoofdmacht snel kon oprukken. Door deze tegenslag bleef het Nederland boven de grote rivieren nog ruim een halfjaar bezet gebied.

De schaarse middelen werden tijdens de bezetting via een distributiesysteem verdeeld en de voedselvoorziening bleef tot aan het laatste oorlogsjaar redelijk. In dat laatste jaar werd de Nederlandse economie en vooral de agrarische sector echter veel meer schade aangericht dan de gehele bezettingsperiode ervoor. De geallieerden waren begonnen aan hun opmars en Nederland was bijna een jaar lang frontgebied. De infrastructuur kreeg zware klappen te verduren, waardoor het distributiesysteem niet meer naar behoren kon functioneren en de voedselaanvoer naar het westen van Nederland bijna volledig staakte. De spoorwegstaking van 1944 verergerde deze situatie. Het jaar 1944 werd bovendien gekenmerkt door een ongekend strenge winter, terwijl de aanvoer van kolen wegviel en gas en elektriciteit afgesloten werden. Ongeveer 20.000 mensen stierven van de honger.

Het oosten en noorden van Nederland werden in april 1945 bevrijd door de Canadezen, het westen moest geduld hebben tot 5 mei, toen de Duitse strijdkrachten in Nederland capituleerden.

De bevrijding gevierd

Na het einde van de oorlog begon de afrekening met degenen die 'fout' waren geweest in de oorlog. 'Moffenmeiden' werden kaalgeknipt en NSB'ers en andere 'politieke delinquenten' opgesloten in geïmproviseerde gevangenissen. De berechting van de ongeveer 120.000 'foute' Nederlanders duurde enkele jaren en uiteindelijk werden 34 verdachten geëxecuteerd. (tekst: Simone Olsthoorn)

Hoofdrolspelers


Anton Mussert
★ 1894 - † 1946
Oprichter en leider van de Nationaal-Socialistische Beweging (NSB). Verwelkomde de Duitse bezetting omdat hij hoopte op een zelfstandig Nederland onder zijn leiding, maar werd door de Duitsers slechts gebruikt. 

Arthur Seyss-Inquart
★ 1892 - † 1946
Hitlers rijkscommissaris in Nederland. Probeerde aanvankelijk de bevolking te paaien, toen dat niet lukte werd zijn beleid steeds repressiever. In 1946 in Neurenberg ter dood veroordeeld. 

David Cohen
★ 31 december 1882 - † 3 september 1967
Cohen werd in 1941 samen met Abraham Asscher door de Duitsers (ongevraagd) als voorzitter aangesteld van de Joodsche Raad. Via de raad gaf de bezetter de anti-Joodse maatregelen door aan de Joodse bevolking. Het voorzitterschap van de Joodsche Raad werd Cohen na de oorlog zwaar aangerekend.

Dirk Jan de Geer
★ 1870 - † 1960
Minister-president van het eerste oorlogskabinet, streefde naar vrede met Duitsland. In augustus 1940 moest hij aftreden en na de oorlog werd hij gerechtelijk veroordeeld. 

Gerrit-Jan van der Veen
★ 26 november 1902 - † 10 juni 1944
Gerrit-Jan van der Veen was de initiatiefnemer van de persoonsbewijzencentrale, waar in de Tweede Wereldoorlog ruim 80.000 valse persoonsbewijzen werden gemaakt. Juni 1944 is van der Veen gefusilleerd na een overval om verzetsvrienden te bevrijden.


Meer weten

Nieuws

Artikelen

 

Links

Tweede Wereldoorlog
Mooie webtentoonstellingen over verschillende onderwerpen

Het Scholtenhuis
Interactieve site over het SD-hoofdkwartier in Groningen

Het Achterhuis
Wandel online door de schuilplaats van Anne Frank

Verzetsmuseum Amsterdam
Begrijpelijke informatie voor de jeugd


Chronologie

1940
10 mei
Inval in Nederland door Duitsland
14 mei
Bombardement op Rotterdam, vooral de erdoor ontstane brand verwoestte een groot deel van de stad
15 mei
Generaal Winkelman tekent de capitulatie, de Duitsers ontbinden het Nederlands leger
zomer
Met de introductie van de Ariërverklaring begint de Jodenvervolging in Nederland

1941
De Joodse Raad wordt opgericht
25 en 26 februari
Op instigatie van de Communistische Partij Nederland vindt de Februaristaking plaats, de eerste grootschalige verzetsactie tegen de bezetter

3 mei 1942
Vanaf deze zondag moeten alle joden in Nederland de zespuntige 'Jodenster' dragen op hun kleding
1942
De deportatie van Joden naar concentratiekampen begint

1944
5 september
Nederlanders denken dat de geallieerden elk moment het land zullen bevrijden, de bevrijding zou echter nog op zich laten wachten. De dag staat bekend als Dolle Dinsdag
17 tot 25 september
Als onderdeel van Operatie Market Garden van de geallieerden vindt de Slag om Arnhem plaats, die minder succesvol is dan verwacht
september
De Spoorwegstaking, een nationale staking van het Nederlandse spoorwegpersoneel, die duurde tot de bevrijding

Winter 1944-1945
Een strenge winter, met vooral voor het westen van Nederland een grote schaarste van voedsel en brandstof, bekend als de hongerwinter

1945
4 mei
Von Friedeburg tekent de Duitse overgave in West-Europa
5 mei
Nederland is bevrijd, de voorwaarden voor capitulatie worden op 6 mei getekend
24 juni
Koningin Wilhelmina stelt het noodkabinet Schermerhorn-Drees in, het eerste naoorlogse Nederlandse kabinet
 

Login

Zoek

Deze maand

Geschiedenis 24