
klik om een oordeel te geven!
Het gaat niet goed met de Arabische Lente. De veelbelovende Facebook-revolutie lijkt geen democratie naar westers model op te leveren, maar nieuwe dwingelandij van generaals of schriftgeleerden. De redenen zijn zonder twijfel complex en lokaal verschillend. Je kunt op je vingers natellen dat stammenrivaliteiten, machtshonger van politieke opportunisten, verschillen tussen stad en platteland en religieus fanatisme een rol spelen. Maar misschien hebben de regeringen in het Westen zichzelf ook iets te verwijten. Hebben zij met hun optreden in de wereld de waarden van vrijheid en democratie wel altijd goed verkocht?
Ik las laatst over de Franse bezetting van het Duitse Rijnland tussen 1919 en 1930. De bezetting was een onderdeel van het vredesverdrag van Versailles. De Fransen beschouwden het Rijnland in de eerste plaats als onderpand voor de herstelbetalingen, die Duitsland na de Eerste Wereldoorlog aan Parijs moest betalen. Daarnaast moest het Rijnland cultureel en politiek worden losgeweekt van Berlijn en strakker aan Frankrijk worden gebonden. Hiertoe gebruikten de bezettingsautoriteiten een tactiek van
pénétration pacifique (vreedzame penetratie). De Rijnlanders moesten onder andere via Franstalig onderwijs, literatuur en theater warm worden gemaakt voor de waarden van de Franse beschaving.
De plannen van het democratische Frankrijk gingen zelfs verder. Op 1 juni 1919 riepen separatisten een onafhankelijke
Rheinische Republik uit, daarbij gesteund door de Fransen. De bevolking keerde zich onmiddellijk tegen deze poging ‘het vaderland in stukjes op te breken’. Arbeiders legden het werk neer en trokken onder het zingen van nationalistische liederen door de straten. Toen Franse en Belgische troepen in 1923 ook nog het Ruhrgebied bezetten en Rijnlandse separatisten een tweede couppoging deden, kwam het tot geweldige confrontaties tussen bezetters en nationalisten.
Mede door de bezetting van het Rijnland kwam in de ogen van veel Duitsers alles wat met Frankrijk te maken had in een kwaad daglicht te staan. Dat gold ook voor de verworvenheden van de Franse Revolutie: vrijheid, burgerrechten, democratie. Dat Parijs zijn handelen baseerde op internationale verdragen, deed bovendien het vertrouwen van de Duitsers in de internationale rechtsorde geen goed. Zeker niet toen de geallieerden de uitslag van een referendum in het eveneens bezette Opper-Silezië over teruggave aan Duitsland negeerden, en het gebied aan Polen gaven.
De Franse bezettingspolitiek blies wind in de zeilen van ultrarechtse Duitse groeperingen. Tegenover het verlichte begrip van de natie, gebaseerd op staatsburgerschap, plaatsten zij de ondeelbaarheid van het Duitse volk. ‘Vrijheid’ , ‘democratie’ en ‘recht’ zouden slechts valse leuzen zijn die de vijand gebruikte om de Duitsers te vernederen. Wie zoals de Rijnlandse separatisten met de Fransen heulde, was een volksverrader. Veel Rijnlanders kozen voor de partij van Hitler, jonge intellectuelen voorop. De ervaringen tijdens de Franse bezetting speelden daarbij onmiskenbaar een rol.
Het was niet de schuld van de Fransen dat Hitler uiteindelijk aan de macht kwam. Maar hun egoïstische en arrogante optreden zorgde er wel mede voor dat het enige goede alternatief – vrijheid en democratie – van haar geloofwaardigheid werd beroofd. Daarmee bewezen ze de Republiek van Weimar en uiteindelijk ook zichzelf een slechte dienst. In onze tijd zouden westerse regeringen zich moeten afvragen of hun Midden-Oostenpolitiek, hun banden met corrupte leiders en hun met alle middelen gevoerde
War on Terror niet hetzelfde effect sorteren.