
klik om een oordeel te geven!
Het was een tijdje stil rond het beruchte Nationaal Historisch Museum en eerlijk gezegd was ik zelf ook wel een beetje klaar met het geneuzel rond wel of niet Arnhem, wel of niet chronologisch, wel of niet virtueel, wel of niet met twee directeurtjes, wel of niet een mooi automatiek.
Maar nu vijftien zeer gewaardeerde collega's in een brief aan de Volkskrant hebben bepleit de zaak alsnog naar Soestdijk over te brengen, en het begrip maar vooral ook onbegrip dat daar op volgde en een scherpe discussie op linked-in onder de aldaar aanwezige Nederlandse historici, begon het toch weer te jeuken. Of jeuk de basis is voor een goed museum of commentaar op een museum, weet ik niet. Wat ik wel weet is dat de brief gewaardeerd moet worden om wat zij is, en dat dit, gezien alle heftige reacties, uitleg behoeft.
De brief is volgens mij een uiterste en oprechte poging om vanuit de academische wereld de grondgedachte te redden dat er een fysiek museum over het verleden van Nederland moet komen. Dit is een opdracht die het Rijksmuseum oorspronkelijk had moeten vervullen. Vanaf de jaren tachtig deed het hiertoe ook dappere pogingen, maar het Rijks laat deze klus nu ietwat liggen.
Ik begrijp die brief wel, want vanaf het moment dat de politiek een nieuw verhaal van Nederland bestelde, al ver voor het museum überhaupt in beeld was, hebben vakgenoten deze opdracht aangegrepen om aandacht te besteden aan wat zij het belangrijkste pijnpunt vinden: de problemen in het geschiedenisonderwijs. Zij zien in het NHM een bijdrage aan een oplossing voor achterstallige historische kennis, besef en vorming onder jonge Nederlanders.
Deze opdracht is in menig opzicht doordrongen van politiek, wetenschap, onderwijs- en cultuurbeleid. Deze praktijk heeft iets negentiende-eeuws. Net als de oorsprong van het vakgebied van historici. En net als de praktijk van indirecte democratie in een parlementaire vertegenwoordiging. Daar is veel, maar niet alles aan veranderd en misschien is dat maar goed ook; gelukkig houdt de politiek zich bezig met de kwaliteit van het onderwijs, los van de vraag of zij dat op de goede of verkeerde manier doet. En gelukkig doen historici dat eindelijk ook weer.
Wel vind ik het ongelukkig dat de historici zich in hun brief enthousiast uitlaten over de prestaties van het NHM tot nu toe. Die zijn niet om over naar huis, laat staat naar de volkskrant te schrijven, en dat weten de ondertekenaars van de brief ook wel. Het hangt er echter van af wat nu belangrijker is; de basisgedachte redden of de huidige situatie evalueren. De historici kiezen nu voor het eerste. En daarna is het weer tijd voor opbouwende kritiek. Want er is veel meer nodig dan een brief en een leeg paleis om het sprookje van het NHM werkelijkheid te laten worden.