In memoriam: E.H. Kossmann (1922-2003)
Historiografie
woensdag 3 december 2003door Wim Berkelaar
In het weekend van 8 november is de Groningse historicus E.H. Kossmann overleden. De liberaal Kossmann staat wel bekend als de vader van de ironische, gedistantieerde geschiedschrijving en geldt als de belangrijkste historicus van zijn generatie. Een faam die hij vooral dankt aan zijn standaardwerk De Lage Landen, waarvan de eerste druk in 1976 verscheen. Verscheidene lichtingen geschiedenisstudenten kregen dit werk als handboek voorgeschreven. In kleinere kring genoot Kossmann aanzien als de man die de politieke theorie, voor 1950 een verwaarloosd genre, in de Nederlandse geschiedschrijving introduceerde.
Kossmann maakte deel uit van een generatie historici die in de jaren zestig en zeventig gezichtsbepalend was aan de Nederlandse universiteiten. Naast Kossmann (Groningen) maakten J.C. Boogman (Utrecht) en I. Schöffer (Leiden) deel uit van deze groep. Het drietal was in de jaren vijftig hecht met elkaar bevriend geraakt toen ze werkzaam waren als assistent van hun hoogleraren: Boogman was assistent van P. Geyl in Utrecht, Schöffer van J. Romein in Amsterdam en Kossmann van Th.J. Locher in Leiden.
Schöffer bewaart goede herinneringen aan Kossmann. In 1950 maakte hij een reis naar Duitsland met hem, en samen met Boogman vormden zij een kring van promovendi. 'Ik was paranimf bij Kossmanns promotie in 1954 en twee jaar later opponeerde hij vanuit de zaal bij mijn promotie aan de Universiteit van Amsterdam.' Ook nadat Kossmann naar Engeland was vertrokken als hoogleraar Nederlandse geschiedenis in Londen, bleef het contact bestaan. Schöffer logeerde nog wel eens in Engeland, maar nadien verwaterde het contact.
Schöffer bleef de eruditie van Kossmann op afstand bewonderen: 'Hij was zeer breed ontwikkeld. Als jonge man had hij een uitgebreide kennis van de literatuur; hij was zeer goed op de hoogte van het werk van Ter Braak en Du Perron. Hij hield ook de vaktijdschriften goed bij, wist bijvoorbeeld veel over het werk van de Franse Annales-historici in een tijd dat die in Nederland nog betrekkelijk onbekend waren.'
Volgens Schöffer had zijn generatie een andere kijk op de geschiedenis dan hun leermeesters Geyl en Romein. 'Met Romeins linkse kijk op de politiek en geschiedenis waren we het principieel oneens. Geyls liberale kijk was vertrouwder, maar hij was zeer gepolitiseerd. Eigenlijk stond Huizinga nog het dichtst bij ons. Dat gold zeker voor Kossmann. Hij heeft een belangrijke rol gespeeld bij de totstandkoming van de Verzamelde Werken van Huizinga, die hij beschouwde als de grootste Nederlandse historicus.'
Kossmann, die nooit erg mededeelzaam was over zijn persoonlijk leven, schreef op verzoek van het Historisch Nieuwsblad in 1997 en 1998 enkele 'kleine geschiedenissen'. Daarin vertelde hij over zijn familieverleden. In 1999 werkte hij de stukken uit tot de heuse autobiografie Familiearchief, al gaf hij die een bescheiden ondertitel mee: 'Notities over voorouders, tijdgenoten en mijzelf.'