Holocaustherdenking Servië krijgt weinig aandacht
zaterdag 24 december 2011Servië was een der eerste landen die van de nazi’s het weinig begerenswaardige predicaat
judenfrei kreeg. Dus toen onlangs in Belgrado een herdenking van de Holocaust plaatsvond, was het niet vreemd dat maar enkele overlevenden kwamen opdagen. Wat de bijeenkomst opmerkelijk maakte, was de afwezigheid van niet-Joodse Serviërs.
24 december 2011 | Cees van Zweeden
In enkele maanden werd in 1941-’42 80 procent van de 33.000 Servische joden geëlimineerd. Het concentratiekamp Semlin in de Servische hoofdstad Belgrado, plaats van de handeling, was het grootste in Zuidoost-Europa.
Maar die feiten zijn in Servië nauwelijks bekend. Tegenwoordig wordt de plek van het kamp geassocieerd met een nabijgelegen winkelcentrum. Zelfs in veel geschiedenisboeken, zoals het laborieuze
The Serbs van de Britse auteur Tim Judah, ontbreekt elke verwijzing naar de massamoord.
De herdenking van 8 december vond plaats bij het voormalige nazi-politiebureau in de George Washingtonstraat. Van daaruit werden op die dag in 1941 enkele duizenden Joodse vrouwen en kinderen naar het kamp gebracht. Hun mannen en vaders waren op dat moment al geëxecuteerd.
Veel vrouwen en kinderen waren bij aankomst in het kamp al dood. Hun transport bestond uit ‘ontluizingstrucks’, een Duitse uitvinding. De gassen uit de uitlaatpijp werden rechtstreeks een afgesloten ruimte in de truck ingeleid waarin honderd joden zaten. Een rit van amper een kwartier was genoeg om de inzittenden te vergiftigen.
Hoewel met name in het Servische deel van Joegoslavië het verzet tegen de nazi’s soms heroïsch was, werd de Holocaust na de oorlog nooit herdacht. Onder hun leider Josip Broz Tito weigerden de communisten veertig jaar lang onderscheid te maken tussen slachtoffers van het fascisme; de Joden waren voor hen slechts één etnische groep.
De nationalisten, die eind jaren ’80 in Servië kwamen bovendrijven, herschreven de geschiedenis. De Joden waren op massale schaal vermoord, maar daarin het de Kroatische Ustashe een hoofdrol in gespeeld. Het Semlin-kamp werd volgens de Servische propagandisten gerund door deze fascistische organisatie.
Serviërs en Joden waren volgens deze lezing in gelijke mate slachtoffer geweest van de Duits-Kroatische terreur. Dat niet alleen: de geschiedenis herhaalde zich. In 1992 schreef Dr. Klara Mandic, secretaris-generaal van de Servisch-Joodse Vriendschap Vereniging, dat een oude joodse vrouw een jaar eerder door ‘Kroatische extremisten’ was doodgemarteld. Dat was volgens Mandic het begin van een nieuwe Holocaust in Kroatië.
Inmiddels staat vast dat de vrouw werd omgebracht door Servische milities, die ook de joodse synagoge van Dubrovnik, de tweede oudste van Europa, in brand schoten.
In een artikel in de
Monthly Jewish Review weerlegde Dr. Philip Cohen destijds de claim dat Servische nationalisten, de Cetniks, tijdens de Tweede Wereldoorlog de natuurlijke bondgenoten van de Joden waren geweest. In werkelijkheid had Cetnik-leider Draza Mihailovic vanaf 1942 openlijk met Hitler samengewerkt.
Winston Churchill liet in 1942 een SAS-officier, Fitzroy MacClean, boven Bosnië uit een vliegtuig liet springen met een eenvoudige opdracht: ‘Vis uit wie er meer Duitsers doodschiet, Mihailovic of Tito.’ MacClean had weinig tijd nodig voor zijn antwoord: Tito.
Antisemitisme was voor de Tweede Wereldoorlog wijdverbreid in Servië, wat het gemak verklaart waarmee het land ‘
judenfrei’ kon worden gemaakt. Joden mochten alleen maar in Belgrado wonen, waar ze waren uitgesloten van banen bij de politie.
De Duitsers installeerden Milan Nedic als president die op zijn beurt de fascistische leider Dimitrije Ljotic tot rechterhand benoemde. Diens militie speelde een belangrijke rol bij de arrestatie en executie van Joden.
De belastende feiten werden verzwegen na de oorlog, door de communisten geportretteerd als een broederlijke strijd tegen de nazi-bezetter. Na de val van Tito bleven de nationalisten de Servische collaboratie verzwijgen, maar schreven die daarentegen volledig op het conto van de Kroaten.
'Mensen in Servië begonnen te zeggen dat Semlin eigenlijk een Kroatisch kamp was geweest,’ zei Aleksandar Lebl, een Servische Holocaust-overlevende die bij de herdenking was. Milosevic liet in de buurt van het toenmalige kamp zelfs een monument verrijzen ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de Ustashe.
De herdenking van 8 december was een poging de Servische Holocaust aan de vergetelheid te ontrukken en de feiten naar boven te brengen. Een plan om een herdenkingsmuseum op de plaats van het kamp te bouwen, staat echter al vier jaar in de ijskast.
Cees van Zweeden is correspondent op de Balkan, in Frankrijk en in Noord-Afrika