CDA schudt confessionele veren af
donderdag 3 november 2011Op het partijcongres van het CDA van afgelopen weekend bleek er ernstige verdeeldheid te zijn, voornamelijk over de kwestie Mauro. Sinds de oprichting van het CDA is het aantal zetels volgens de peiling van Maurice de Hond nog nooit zo laag geweest. Een christelijke partij in de huidige seculiere samenleving heeft het niet makkelijk, beseften de oprichters al in 1980.
3 november 2011 | Marloe van der Schrier
In de jaren zestig en zeventig begon in Nederland een proces van secularisatie en vergaande ontzuiling. Gegarandeerde stemmen die voorheen uit de brede katholieke en protestantse achterbannen kwamen, waren voor de christelijke partijen geen zekerheid meer. De gebondenheid van mensen aan een zuil werd minder.
In 1967 leverde dit voor het eerst problemen op. Drie afzonderlijke christelijke partijen – ARP, CHU en KVP – behaalden bij Tweede Kamerverkiezingen geen gezamenlijke meerderheid. Dat was voor de eerste keer sinds de invoering van de evenredige vertegenwoordiging in 1917. De handen moesten ineen worden geslagen. Onder leiding van de Groep van Achttien, van elke partij zes afgevaardigden, probeerde de drie partijen tot samenwerking te komen.
Hans-Martien ten Napel, gepromoveerd op de totstandkoming van het CDA, vertelt: ‘Het vormen van een nieuwe partij ging moeizaam. De partijen waren toch erg uiteenlopend. Er was een katholieke partij en er waren twee protestantse partijen, en zelfs tussen deze twee laatste partijen zaten grote verschillen.’ Er volgden langdurige discussies, bijvoorbeeld of lidmaatschap van de partij mogelijk was zonder christelijk te zijn.
Dertien jaar later, op 11 oktober 1980, was de oprichting van het Christendemocratisch Appèl, het CDA, een feit. Het zou een volkspartij moeten worden, open voor iedereen, maar daarnaast stond het christelijk geloof centraal. Dit laatste punt was direct na de oprichting het belangrijkste punt van discussie over het CDA. Ten Napel: ‘Van buitenaf leidde de oprichting van een christen-democratische partij tot kritiek. Was er nog wel toekomst voor een confessionele partij, nu steeds minder mensen gelovig waren? De omgeving was vijandig naar de nieuwe partij.’
Het CDA kende de afgelopen dertig jaar bloeiperioden, met name onder Ruud Lubbers. Hoogtepunten werden echter afgelost door grote elecorale verliezen. In 1994 maar liefst twintig zetels. Tijdens de Paarse kabinetten (1994-2000) moest het CDA zich ‘bezinnen’ in de oppositiebanken. Daarna ging het met Jan-Peter Balkenende als politiek leider weer beter met de partij. In 2010 daalde het aantal zetels echter van 41 naar 21.
‘De afgelopen decennia is de grote lijn in de discussie rondom het CDA, dat er geen toekomst is voor een confessionele partij,’ aldus ten Napel. Ik heb eigenlijk altijd tegen de stroom ingeroeid. Zelfs na de enorme verkiezingsnederlaag in 1994 was het voor mij geen uitgemaakte zaak dat er geen toekomst zou zijn.’
Terug naar het partijcongres van afgelopen zaterdag. Dat verandering binnen de partij noodzakelijk is, was al langer duidelijk. De commissie
Nieuwe woorden, nieuwe daden werd in het leven geroepen, omdat er behoefte was aan een ‘eigentijdse vertaling van de christendemocratische uitgangspunten’.
Voorzitter Jacobine Geel presenteerde zaterdag de bevindingen. De commissie stelde voor het vanaf nu om ‘compassie’ gaat. ‘Voor zover ik weet is dat voorstel positief ontvangen,’ zegt Ten Napel. Het streven is dat de partij nieuwe uitgangspunten hanteert: ‘Nederland maken we samen’, ‘we zijn betrokken en nabij’, ‘rechtvaardig en betrouwbaar’ en ‘samen zorgen we voor de aarde’. Deze waarden zijn niet specifiek christelijk. Het lijkt erop dat het CDA zijn confessionele veren afschudt om het electoraat terug te winnen.
Of dat zal leiden tot een nieuwe bloeiperiode? Voor Ten Napel is de toekomst nog steeds geen uitgemaakte zaak. ‘Ik roei weer tegen de stroom in, maar dit keer ben ik sceptisch over de toekomst van het CDA. Dat terwijl iedereen nu denkt dat het wel los loopt.’