‘Irak-onderzoek had sneller gekund’
Politieke geschiedenis
maandag 25 januari 2010
Als de regering-Balkenende eerder had besloten om onderzoek te laten doen naar de Nederlandse steun aan de Irakoorlog in 2003, dan zou het werk van de commissie-Davids eenvoudiger zijn geweest. Commissielid en historica Marjan Schwegman: ‘Het jarenlange verzet van de regering is voor het onderzoek nadelig geweest.’
25 januari 2010 | Bas Kromhout
Schwegman, directeur van het Nederlands Instituut voor Oorlogsdocumentatie (NIOD), vormde samen met Cees Fasseur het geschiedkundige smaldeel binnen de zevenhoofdige commissie-Davids. Op 12 januari presenteerde de commissie haar rapport. ‘Het is echt een collectief werk’, zegt Schwegman. ‘Alle commissieleden deden zelf onderzoek deden en schreven. Zelf deed ik bovendien samen met Davids de eindredactie.’ Nu het rapport ruim een week oud is, mag de inhoudelijke discussie over de besluitvorming die leidde tot de Nederlandse steun aan de inval in Irak, wat Schwegman betreft eindelijk beginnen. ‘Er zijn bijna alleen nog maar politieke vragen gesteld.’
Direct na verschijnen van het Irak-rapport op 12 januari jongstleden barstte een politiek steekspel los tussen de regering en de oppositie. Wat vond u daarvan?
Schwegman: ‘Het is de vraag wat voor een politicus verstandig is om te doen: meteen reageren of zeggen dat je over enige dagen met een meer bezonken reactie komt. Het viel op dat het eerste het geval was en het tweede niet. Als commissielid werk je hard om een inhoudelijk interessant rapport af te leveren, maar politici lezen jouw werk heel anders. Ik was voorbereid door de ervaring rond het Srebrenica-onderzoek in 2002. Toen trok premier Wim Kok ogenblikkelijk na de presentatie van het rapport zijn politieke conclusies, en hoefde er geen inhoudelijk debat meer te worden gevoerd. Nu met het Irak-onderzoek is dat anders. Toen wij als commissie-Davids afgelopen dinsdag werden gehoord door de Tweede Kamer, kon je merken dat er al veel beter kennis van ons rapport was genomen dan een week eerder. De media-aandacht was wel gelijk een stuk minder.’
Toen premier Balkenende in het voorjaar van 2009 de commissie-Davids instelde, werd dat in de pers uitgelegd als een meesterzet om het stekelige Irak-dossier voorlopig van de politieke agenda te voeren. Hebben de commissieleden dat ook zo opgevat?
‘Over wat de premier kon hebben bewogen hebben wij onderling niet gesproken. Wel hebben de beweringen als zouden wij een “doofpotcommissie” zijn, ons geprikkeld om nog beter ons werk te doen en onze onafhankelijkheid extra te bewaken. Het NIOD verricht veel onderzoek in opdracht en vanuit die ervaring weet ik dat het belangrijk is om afstand te bewaren tot de opdrachtgever, zodat er sprake is van onafhankelijk onderzoek. Dat speelde extra zwaar bij de commissie-Davids. Om die reden heeft de commissie-Davids uitdrukkelijk laten weten dat zij niet gediend was van pogingen om invloed uit te oefenen. Daar is ook geen poging toe gedaan. Overigens is het Irak-rapport algemeen ontvangen als kritisch, maar dat stond niet van tevoren vast. Toen wij aan ons onderzoek begonnen, wisten wij niet meer dan ieder ander.’
Het Srebrenica-onderzoek werd vanuit het NIOD gedaan door een commissie van louter historici. In de commissie-Davids hadden slechts twee van de zeven leden een historische achtergrond. Waarom?
‘Davids heeft de commissie samengesteld. Ik denk dat zijn eigen achtergrond een heel belangrijke rol heeft gespeeld; hij is jurist. Vanaf begin af aan was duidelijk dat de kwestie van het volkenrechtelijk mandaat voor de inval in Irak een belangrijk punt zou worden, dus dan wil je juridisch goed beslagen ten ijs komen. Het interessante van een commissie met veel juridisch geschoolde mensen was, dat zij anders kijken. Historici zijn meer gericht op het reconstrueren, terwijl juristen daarnaast sterker geneigd zijn om tot een vonnis te willen komen.’
Heeft u de uitzending van Andere Tijden van 14 januari gezien? Daarin mopperde oud-minister Jan Pronk dat het Srebrenica-rapport wel erg historisch was: het ging helemaal terug tot de Middeleeuwen en was daardoor veel te dik geworden.
‘Het is waar dat historici zijn gericht op context. Maar hoe breed je die context neemt, verschilt per historicus. Ik vind dat de commissie-Davids best ver is gegaan door de jaren negentig in haar onderzoek te betrekken. De historici binnen de commissie hebben daar stevig voor gepleit, maar alle leden begrepen dat je de kwestie-Irak niet kon beschrijven zonder de jaren negentig erin mee te nemen.’
De commissie schrijft dat het onderzoek ‘op eenvoudiger wijze’ had kunnen worden uitgevoerd, als de regering zich er niet zeven jaar lang tegen had verzet. Voor een historicus is zeven jaar toch niets?
‘Die opmerking slaat vooral op de herinnering van de betrokkenen. Hoe langer geleden de periode waarover je mensen interviewt, hoe meer problemen zij hebben met hun geheugen. Veel mensen die wij hebben geïnterviewd waren bovendien inmiddels naar een andere functie gegaan. Daarom is het lange verzet van de regering nadelig geweest. Maar ook, omdat daardoor de indruk werd gewekt dat er iets heel belangrijks was, dat de regering niet in de openbaarheid wilde hebben. Dan begin je aan zo’n onderzoek met een bepaalde verwachting, waardoor je je misschien blind staart op sommige aspecten. Ik denk niet dat dat gebeurd is, maar zoiets zou een ongunstige factor kunnen zijn. Dat het Irak van na Saddam niet is geworden wat de Amerikanen en de Britten ervan gedacht hadden, heeft ieders oordeel over de oorlog en over de steun van Nederland beïnvloed. Ook daar moet je je als commissieleden van los maken. Als we qua tijd dichter op de Amerikaanse inval hadden gezeten, dan hadden we misschien minder ballast hoeven afwerpen.’
In het rapport staat dat het lang duurde voordat alle commissieleden de vereiste inzagebevoegdheid voor bepaalde documenten kregen. Is dat de reden waarom het rapport twee maanden later uitkwam dan gepland?
‘Mede. Het kwam door een aantal factoren. We wilden ook extra materiaal bekijken. Maar het feit dat het lang duurde voordat iedereen alle documenten mocht inzien heeft zeker een rol gespeeld.’
Waarom duurde dat zo lang?
‘Je kunt daar ontzettend veel interpretaties op loslaten. We hebben ons daar maar verre van gehouden. Wel hebben we er bij de betreffende instanties steeds op aangedrongen om alle praktische zaken snel in orde te maken. Zo kost het ook wel enige tijd om een geheel beveiligde omgeving te creëren waarin een onderzoekscommissie ongestoord kan werken. Maar het had sneller gekund.’
De commissie uit ook kritiek op het protocol rond geheime staatsdocumenten. Wat is het probleem?
‘Sommige stukken hebben het stempel “staatsgeheim” niet omdat zij nu nog echt een gevaar zouden vormen voor de staatsveiligheid, maar gewoon omdat het om een bepaald type document gaat dat automatisch als zodanig wordt aangemerkt. De commissie vraagt zich af, of je niet eens in de zoveel tijd die documenten opnieuw zou moeten bekijken en dan op grond van de inhoud zou moeten vaststellen, of zij de status “geheim” nog wel verdienen. Het zou bijvoorbeeld kunnen dat sommige stukken uit het archief van de krijgsmacht geen enkel probleem opleveren voor de staatsveiligheid, terwijl zij ontzettend interessant zijn voor historici.’
Is uw beeld van hoe Nederland wordt bestuurd veranderd?
‘Ik weet nu veel beter hoe het werkt - vooral het ambtelijk apparaat. Ik begrijp nu, dat informatie die uiteindelijk uitkomt bij de minister een enorm voortraject heeft, en dat het heel interessant is om dat te bestuderen. Ik zeg niet dat de minister onbelangrijk is. Maar ook nadat minister van Buitenlandse Zaken Jaap de Hoop Scheffer in de zomer van 2002 in principe de beleidslijn had uitgezet, speelden ambtenaren een heel belangrijke rol in het traject dat heeft geleid tot het besluit van 18 maart 2003 om de Irakoorlog te steunen. Het had best nog een andere kant op kunnen gaan. Dat dat niet is gebeurd, daar hebben ambtenaren een belangrijke bijdrage aan geleverd doordat de advisering een bepaalde richting kreeg. Geluiden die daarvan afweken hebben zij niet doorgegeven of op een zijspoor geschoven. Hadden zij het anders gedaan, dan zou dat wellicht hebben uitgemaakt voor het standpunt van de minister.’
Kan het Irakraport aan dergelijke besluitvormingsprocessen iets veranderen?
‘Als je naar de volkenrechtelijke discussie kijkt, valt me op dat de discussianten eigenlijk nog nauwelijks kijken naar de inhoud van het rapport, maar bijna alleen politieke vragen stellen. Ik ben het meest benieuwd naar wat er gebeurt met die onderdelen waarover nog niet veel is gezegd. Zo geeft de commissie concrete adviezen over de juridische advisering binnen Buitenlandse Zaken. Die gaat via het Directoraat-Generaal Politieke Zaken (DGPZ), waardoor er binnen het departement een machtig lichaam bestaat dat dingen kan tegenhouden. Bij Defensie gaat informatie veel meer rechtstreeks naar de minister. Ik hoop dat daar discussie over komt. Zal het rapport leiden tot verandering? Ik ben vooralsnog hoopvol, al stemt de ervaring met het Srebrenica-onderzoek bescheiden.’