Spaanse Republiek liet fascisten werken
Sociale geschiedenis
maandag 18 januari 2010Wie tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-1939) verdacht werd van sympathie voor de vijand, belandde dikwijls in een interneringskamp. Niet alleen Franco’s nationalisten hadden zulke kampen, maar ook de republikeinse tegenstanders. Zij lieten de gevangenen dwangarbeid verrichten.
18 januari 2010 | bron:
BBC History MagazineHistoricus Julius Ruiz heeft onderzoek gedaan naar de grotendeels vergeten republikeinse kampen. In het Britse vaktijdschrift
Contemporary European History (editie 18, nummer 4) vertelt Ruiz dat de republikeinse autoriteiten duizenden mensen opsloten die werden verdacht van nationalistische sympathieën of die zich hadden onttrokken aan de dienstplicht.
Een groot aantal kampen werd beheerd door de SIM, de geheime dienst van de Republiek. De kampgevangenen moesten er dwangarbeid verrichten. Wie weigerde kon worden doodgeschoten. Zo werden eenentwintig gevangenen het kamp Omells de Na Gaia geëxecuteerd omdat zij te moe of te hongerig waren om te werken.
Wie meer geluk had kwam terecht in een van de kampen die vielen onder het directoraat-generaal voor het gevangeniswezen (DGP). Deze hadden als doel, de geïnterneerden door zwaar lichamelijk werk opnieuw op te voeden tot goede republikeinen. Volgens de toenmalige minister van justitie GarcÃa Oliver was dwangarbeid als middel volkomen gerechtvaardigd. ‘Er is geen menselijke reden die zegt dat soldaten, priesters en miljonairszoontjes niet net zo zouden kunnen werken als de rest’, aldus Oliver. ‘De fascistenbende zal al werkende meehelpen ons land in een prachtige boomgaard te veranderen.’
De overwinning van Franco in 1939 betekende het einde van de republikeinse interneringskampen, net als van Spaanse Republiek zelf. De nationalistische kampen daarentegen bleven nog jarenlang bestaan. Zo bouwden republikeinse dwangarbeiders in de jaren vijftig een enorme onderaardse basiliek in de Valle de los Caidos (Vallei der Gevallenen), de laatste rustplaats van fascistenleider Primo de Rivera en - sinds 1975 - van Franco zelf.