Bevolkingsregistratie niet doorslaggevend voor Jodenvervolging
Algemeen
maandag 31 augustus 2009
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden in Noordwest-Europa procentueel gezien nergens zoveel Joden gedeporteerd naar concentratiekampen als in Nederland. Lange tijd dachten historici dat dit kwam, doordat de nazi’s de Joden door het moderne Nederlandse bevolkingsregister gemakkelijk konden opsporen. Historicus Peter Tammes bestrijdt dat.
Hoe noodzakelijk was de vooroorlogse registratie van Joden voor het kunnen deporteren en vermoorden van Joden tijdens de Tweede Wereldoorlog? En was er zonder registratie geen vervolging mogelijk? Peter Tammes, verbonden aan het Instituut Geschiedenis van de Universiteit van Leiden, onderzocht deze vragen en komt in het
Tijdschrift voor Sociale en Economische Geschiedenis (nummer 2, 2009) tot een opmerkelijke conclusie. Het relatief hoge percentage Joodse slachtoffers in Nederland kan niet verklaard worden door de registratie van joden tijdens het begin van de bezetting.
Sommige historici verklaren het hoge percentage slachtoffers in Nederland door te wijzen op de in 1939 ingevoerde persoonskaart, waardoor Nederland op het gebied van bevolkingsregistratie in Europa voorop liep. Nadat Joden zich hadden aangemeld in hun woonplaats hoefden de nazi’s slechts het bevolkingsregister te raadplegen om de recente adressen van Joden te kunnen achterhalen. Tammes stelt dat deze verklaring maar ten dele klopt. In België waren namelijk ook alle Joden bekend bij de burgerlijke stand. Ondanks de gelijke registratie van Joden in Nederland en België was het percentage Joodse slachtoffers in Nederland beduidend hoger. Belangrijk was volgens Tammes de vraag, of de lijsten in handen kwamen van bijvoorbeeld collaborerende politieagenten.
Costijn van der Ploeg
31 augustus 2009