100 jaar Japanse diaspora in Brazilië
dinsdag 23 juni 2009Vanaf de negentiende eeuw trokken Japanners overzee om daar te werken als gastarbeider, bijvoorbeeld in Brazilië. Toen de Japanse economie na de oorlog weer aantrok, keerde een aantal van hen weer terug.
In Japan wonen zo’n 350.000 Brazilianen. Het zijn gastarbeiders, met hun familieleden. Ze werken bij Honda of Yamaha, dan wel bij kleine en grote bouwbedrijven. Op het eerste gezicht vallen ze niet op, want ze zijn van Japanse komaf. Dat verandert als ze hun mond opendoen; Japans spreken ze namelijk niet. Hun voorvaderen verlieten Japan begin twintigste eeuw om – ook als gastarbeiders – te werken overzee, op de koffieplantages rond São Paolo.
In 1868, het jaar waarin Japan zijn feodale structuren opgaf, zijn grenzen opende en het land aan een moderniseringskuur onderwierp, begon de Japanse diaspora. Nieuwe technologieën en sociale structuren hadden voor het platteland desastreuze gevolgen: massawerkloosheid en hongersnood. Officieel heette het ‘overbevolking’. Daarom mochten buitenlandse handelslui Japanners rekruteren voor overzeese plantages.
Vanaf 1885 voerde de regering zelf een actief emigratiebeleid. De arbeiders kregen van de staat driejarige werkcontracten voor Hawaii, de Verenigde Staten en ook Fiji, Australië en Nieuw-Zeeland. Later gingen ze naar Mexico en Peru.
Op 28 april 1908 vertrok de eerste boot met 781 Japanners naar Brazilië. Vele schepen volgden. Toen de Verenigde Staten en Canada in 1923 geen Japanse immigranten meer toelieten – hun aantal was te groot geworden –, ging de stroom bijna exclusief nog naar Brazilië. Dat zat te springen om goedkope arbeidskrachten. Men betaalde als tegemoetkoming de helft van de reiskosten, zoals dat was overeengekomen tussen São Paolo en de Japanse regering.
Veel Japanners kwamen na drie jaar terug, evenzovelen bleven in hun nieuwe land, richtten zelf plantages op en rekruteerden op hun beurt personeel uit Japan. Met een pauze rond de Tweede Wereldoorlog ging de emigratie in 1950 weer verder. Japan was in de wederopbouwfase een straatarm land.
Dit duurde ongeveer tot 1960, toen de Japanse economie zijn bloeiperiode in ging. Op het toppunt van die bloei, rond 1988, draaide de migratiestroom om. Japan had nu arbeidskrachten nodig, maar wilde geen ‘echte’ gastarbeiders. Het besloot daarom per wet buitenlanders met een Japanse achtergrond toe te laten, de zogenoemde Nikkei, tweede- en derde-generatie-Japanners, van wie er in Brazilië, na precies honderd jaar bilaterale betrekkingen, 1,4 miljoen wonen.
Judith Stalpers/Tokyo