Beste minister van Financiën (keuzelijst)
Politieke geschiedenis
woensdag 1 april 2009Nicolaas PiersonStapte als minister van Financiën in zijn eigen kabinet (1987-1901) de twintigste eeuw binnen. Pierson had toen al naam gemaakt als grondlegger van de inkomstenbelasting. Hij was een liberaal, maar met laissez-faire had Pierson weinig op. Zijn kabinet stond bekend als ‘kabinet van sociale rechtvaardigheid’ en bracht veel sociale wetten tot stand. Als hoogleraar economie en oud-president van de Nederlandse Bank bezat Pierson een groot gezag in Den Haag.
Jan Harte van TecklenburgWas als rooms-katholiek minister van Financiën in het enige kabinet van de gereformeerde Abraham Kuyper (1901-1905). Zijn belangrijkste wapenfeit was een ontwerp-Tariefwet, die de buitenlandse import moest beperken en zo de eigen economie ondersteunen. Het voorstel, dat Harte van Tecklenburg in 1903 naar de Tweede Kamer stuurde, werd niet afgehandeld en door het volgende kabinet ingetrokken.
Theodoor de Meester
Was van 1905 tot 1908 minister van Financiën en premier tegelijk. Het liberale kabinet-De Meester kon niet steunen op een vaste Kamermeerderheid. Daarom werd het een ‘kabinet van kraakporcelein’ genoemd, hoewel sympathisanten liever spraken van ‘de Staalmeesters’. De Meester voerde een behoedzaam en zuinig financieel beleid. Hij introduceerde als norm dat buitengewone uitgaven alleen mochten worden gefinancierd uit leningen, als zij direct productief waren.
Max KolkmanDeze katholieke minister in het kabinet-Heemskerk (1908-1913) stond bekend als slagvaardig. Dankzij Kolkman kreeg Nederland een motorrijtuigenbelasting, werden erfenissen progressief belast en kwamen staatsbedrijven onder toezicht van de Algemene Rekenkamer. Zijn Tariefwet uit 1911, die de vrijhandel moest beperken, sneuvelde echter in de Tweede Kamer.
Anthonij BertlingTrad als onervaren politicus toe tot het kabinet van Cort van der Linden. Toen de Eerste Wereldoorlog uitbrak, wisselden de liberalen hem in voor een zwaargewicht. Desondanks bracht Bertling in een jaar tijd veel tot stand. Vóór zijn aftreden in 1914 zorgde hij nog voor een aantal oorlogswetten, die het de overheid mogelijk maakten zilverbons als betaalmiddel te verspreiden en tijdelijk de beurshandel stil te leggen.
Willem TreubWas verantwoordelijk voor ’s lands financiën terwijl Europa in brand stond door de Eerste Wereldoorlog. De flamboyante vrijzinnig-democraat, die bekend stond om zijn zijden dassen, had een groot organisatietalent. Om de mobilisatiekosten te kunnen opbrengen voerde Treub in 1914 een gedwongen staatslening door. Van 1916 tot 1917 was hij tijdelijk minister-af vanwege een geschil met de Kamer over de pensioenen. Op de achtergrond speelde dat Treub een relatie had met een getrouwde vrouw.
Anton van GijnVolgde Treub op in 1916. Als thesaurier-generaal was hij sinds 1909 een belangrijke man achter de schermen van de overheidsfinanciën. Van Gijn maakte in 1917 schenkingen belastbaar. Hij voerde de Wet op de oorlogswinstbelasting in, waardoor Nederlanders die profiteerden van de oorlogssituatie extra werden belast. Van Gijn trad na een jaar af vanwege onenigheid met collega-ministers over de besteding van oorlogskredieten.
Simon de Vries Czn.
Werd in 1918 minister van Financiën in het eerste kabinet-Ruijs de Beerenbrouck, nadat anderen hadden geweigerd. De ARP’er moest de rijksfinanciën na de Eerste Wereldoorlog op orde brengen. Hij voerde een nieuwe gedwongen staatslening door, maar schafte de oorlogswinstbelasting af. De Vries stelde in 1918 het centrale arbeidsvoorwaardenoverleg voor ambtenaren in. In 1921 viel het kabinet over de grondbelasting.
Dirk de GeerWas tussen 1921 en 1940 in vijf kabinetten minister van Financiën. Van twee was hijzelf premier. De Geer bracht in 1922 de Pensioenwet tot stand, waardoor ambtenaren voortaan op hun 65e konden stoppen. In 1929 verving hij de gemeentelijke inkomstenbelasting door het Gemeentefonds, waaruit gemeenten naar ratio worden bedeeld. De crisis van de jaren dertig ging De Geer te lijf met bezuinigingen op de ambtenarensalarissen, invoerrechten en benzineaccijns.
Hendrikus ColijnStond als premier in de jaren dertig bekend als de bewaker van de gouden standaard, die hij als minister van Financiën van 1923 tot 1926 had hersteld. In 1924 sneed de antirevolutionair Colijn in de salarissen van ambtenaren en onderwijzers, bezuinigde hij op defensie en woningbouw, en verhoogde hij de belastingen. De rijwielbelasting – inclusief al dan niet geperforeerde fietsplaatjes – maakte Colijn niet geliefd. Toch werd hij ook bewonderd als krachtig leider.
Pieter Oud
Deze vrijzinnig-democraat was minister van Financiën in twee kabinetten-Colijn (1933-1937) en medeverantwoordelijk voor het zogenaamde ‘aanpassingsbeleid’. Nadat zich op de begrotingen van 1934 en 1935 tekorten voordeden, besloot Oud drastisch te bezuinigen op onder meer onderwijs, de gemeenten, de ambtenarensalarissen en wegenaanleg. Ook voerde hij een crisisinkomstenbelasting in. Om inflatie te voorkomen hield Oud vast aan de gouden standaard.
Jacob de Wilde
Deze antirevolutionair was twee jaar minister van Financiën (1937-1939) in het kabinet-Colijn IV. Hij nam het strakke begrotingsbeleid van Oud over, maar kwam in 1938 in conflict met zijn collega Romme van Sociale Zaken, die dure maatregelen wilde treffen om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. De Wilde dreigde met opstappen, maar bleef met het oog op de internationale oorlogsdreiging nog een jaar langer aan.
Charles Welter
De rooms-katholieke Welter vluchtte in 1940 als minister van Koloniën met de regering naar Londen. Nadat koningin Wilhelmina De Geer wegens defaitisme had ontslagen, kreeg Welter er de portefeuille Financiën bij, hoewel hij zelf ook twijfelde aan de geallieerde overwinning. Werd na een jaar vervangen door zijn partijgenoot Max Steenberghe.
Max SteenbergheVóór de oorlog wilde hij als minister van Economische Zaken de crisis aanpakken met stimuleringsmaatregelen, zoals een devaluatie van de gulden. Dit bracht hem in conflict met Colijn. In juli 1941 volgde hij Welter op als minister van Financiën. Vijf maanden later stapten zij gezamenlijk uit het kabinet omdat zij het niet eens waren met een ‘regeringsverklaring’ die door premier Gerbrandy zonder instemming van de ministerraad was verspreid.
Willem Albarda
Nam het stokje over van Steenberghe, en was daarmee de eerste sociaaldemocratische minister van Financiën. Hij vervulde die rol, naast zijn functie als minister van Waterstaat, tot 1942. Op 24 januari 1945 stapte hij geheel uit de regering, nadat hij premier Gerbrandy betichtte van ‘Perzische staatszeden’.
Johannes van den BroekVolgde in 1942 Albarda op als minister van Financiën. Hij zette zich in om de monetaire samenwerking in de Benelux te bevorderen. In 1944 was hij een van de eerste ministers die naar het bevrijde Zuid-Nederland gingen. Hij weigerde een jaar later om wederom minister van Financiën te worden, omdat hij, zelf liberaal, geen zitting wilde nemen in een kabinet zonder sociaaldemocraten.
Gerardus HuysmansDeze KVP’er diende in het laatste oorlogskabinet (februari-juni 1945). Hij versterkte het overheidstoezicht op de Nederlandse Bank. In het eerste kabinet-Beel werd hij minister van Economische Zaken, en zorgde hij voor de Wet inzake het Centraal-Economisch Plan. Deze gaf een wettelijke basis aan het Centraal Planbureau, dat voorop moest gaan in de wederopbouw.
Piet LieftinckStapte in 1945 over van CPU naar PvdA. Was verantwoordelijk voor de naoorlogse geldsanering en gaf iedere Nederlander een tientje. Hij trad vroegtijdig af, om bij de Wereldbank in Ankara te gaan werken. Lieftinck kreeg bijnamen als ‘De grootste boef van Nederland’, maar ook ‘De kei van de Kneuterdijk’. Hij was lid van vier kabinetten, tot 1952.
Johan van de Kieft
Deze PvdA’er kreeg te maken met de financiële gevolgen van de Watersnoodramp in 1953. Kieft verlaagde de belastingdruk en wist de staatsschuld licht te verminderen. In 1956 verruimde hij de beleggingsmogelijkheden voor pensioenfondsen, en zorgde hij voor algemene voorschriften voor het toezicht op kredietverstrekking door particuliere banken.
Henk HofstraDe beperking op overheidsuitgaven die hij tussen 1956 en 1958 doorvoerde zorgde ervoor dat de economie begin jaren zestig snel wist te herstellen. Het kabinet-Drees II viel toen de Kamer een amendement aannam het slechts met één jaar verlengen van enkele tijdelijke belastingen, waar Hofstra het niet mee eens was. Stond bekend als ‘de best geklede man van het Binnenhof’.
Jelle ZijlstraHij was minister van Financiën in de kabinetten Beel II en De Quay (1959-1963) en zijn eigen kabinet (1966-67), en werd daarna president van de Nederlandse Bank. Zijlstra koppelde de overheidsuitgaven aan de trendmatige groei van het nationale inkomen: de zogenaamde Zijlstra-norm. ‘Snelle Jelle’ kon complexe kwesties helder uitleggen.
Johan WitteveenWas minister onder Marijnen (1963-65) en De Jong (1967-71). Tijdens zijn eerste periode ontstond op de begroting het ‘Gat van Witteveen’. Revancheerde zich onder De Jong met beleid dat erop was gericht de uitgavenstijging achter te doen blijven bij de groei van het nationale inkomen. Ook bracht hij de BTW, een nieuwe inkomstenbelasting en een ‘wiebeltax’ om inflatie tegen te gaan tot stand.
Anne VondelingMinister van Financiën in het kabinet-Cals (1965-66). De overheidsuitgaven stegen onder hem, wat leidde tot belastingverhogingen. De coalitie van sociaal-democraten, katholieken en antirevolutionairen twijfelde aan de begroting van Vondeling. In de Nacht van Schmelzer trok de KVP daarom de stekker eruit.
Roelof NelissenDoor onder andere verhoging van enkele belastingen probeerde de KVP’er Nelissen tijdens het kabinet-Biesheuvel (1971-73) de inflatie en overbesteding terug te dringen. Doordat hij in 1972 achter zijn bezuinigingen bleef staan, stapten de ministers van DS’70 op, wat tot de val van het kabinet leidde.
Wim DuisenbergWas Den Uyls minister van Financiën van 1973 tot 1977. In eerste instantie was zijn beleid gericht op economische groei. Later beperkte hij de groei van de overheidsuitgaven: de 1%-norm. Na zijn functie als minister werd hij president van de Europese Centrale Bank, en was hij betrokken bij de invoering van de euro.
Frans AndriessenIn het kabinet-Van Agt I (1977-1980) was hij minister van Financiën. Hij voerde namens Nederland de onderhandelingen over het Europees Monetair Stelsel dat in 1979 werd ingevoerd. Andriessen trad af omdat hij vond dat er meer bezuinigd moest worden, maar de andere ministers het hier niet mee eens waren.
Fons van der Stee
Was minister tijdens de drie kabinetten van Van Agt (1980-1982). Kreeg te maken met financiële tegenvallers. Daarom kwam hij met de plannen voor de bezuiniging van maar liefst dertien miljard gulden. Deze voorstellen zorgde voor het uittreden van de PvdA- ministers en de val van het kabinet in 1982.
Onno RudingZette onder Lubbers (1982-1989) de trend van bezuinigingen voort, met lastenverlichting en terugdringen van het financieringstekort als voornaamste doel. Ruding slaagde erin de staatsschuld terug te brengen. Maakte in 1985 ministeries zelf verantwoordelijk voor het opvangen van overschrijdingen van de begrotingen.
Wim KokIn het kabinet-Lubbers III (1989-1994) werd na jaren van bezuinigingen gestreefd naar sociale vernieuwing. Toch moest ook dit kabinet een streng bezuinigingsbeleid voeren, vooral op het gebied van de sociale zekerheid. Het ombuigingsbeleid van Kok werd voortgezet onder zijn premierschap, toen de werkgelegenheid groeide.
Gerrit Zalm
De langst zittende minister van Financiën ooit. Eerst onder Kok (1994-2002) en daarna onder Balkenende (2003-2007). Voerde de euro in en bedacht de Zalm-norm. Mocht op Prinsjesdag meevallers uitdelen en hield triomfantelijk ‘het koffertje’ in de lucht. In de nieuwe eeuw moest Zalm de staatsschuld terugdringen met het oog op de vergrijzing.
Hans HoogervorstWas minister in het kabinet-Balkenende I (2002-2003). Liet in maart 2003 een gedragscode opstellen voor beursgenoteerde bedrijven. De verminderde economische situatie beperkte de ruimte voor investeringen in zorg en onderwijs. Hoogervorsts ministerschap kwam tot een voortijdig einde vanwege strubbelingen bij de Lijst Pim Fortuyn.
Wouter Bos
Sinds februari 2007 minister van Financiën. Stelde vanwege de internationale kredietcrisis vanaf september 2008 een verbod in op het speculeren op koersverliezen, compenseerde gedupeerde spaarders bij de IJslandse banken IceSave en hield banken die op omvallen stonden overeind met staatsgaranties.