Historisch Nieuwsblad

Hoe word je een beroemde historicus?

Algemeen - Historiografie

De methode Van Rossem

dinsdag 14 oktober 2008Maarten van Rossem is sinds oktober met pensioen. Een nieuwe generatie historici staat te trappelen om net zo beroemd te worden als hij. Maar hoe doe je dat? De meester zelf onthult het geheim van zijn succes in een exclusief marathoninterview met de makers van Maarten! en Historisch Nieuwsblad. Tien stappen om een beroemd historicus te worden.



DE METHODE VAN ROSSEM

Of: Hoe word je een beroemde historicus?


door Bas Kromhout en Frans Smits

‘Jij denkt zeker dat je beroemd wordt, maar dat kun je vergeten,’ zei zijn oom in 1963. Inmiddels is Maarten van Rossem de populairste historicus van Nederland. Hoe heeft hij dat voor elkaar gekregen? Een cursus in tien stappen.

‘Natuurlijk had mijn oom Jan het grootste gelijk van de wereld. De kans dat je, als je geschiedenis gaat studeren, beroemd wordt is klein.’ Maar daar trok Maarten zich niets van aan, toen hij in januari 1963, negentien jaar oud, zijn farmacieopleiding verruilde voor een studie geschiedenis. In het geheim, want zijn familie was er faliekant op tegen. ‘Iedereen zou zeggen: “Iemand zoals jij, die goed is in bètavakken, is een ongelooflijk uilskuiken als hij dan geschiedenis gaat studeren.” Maar ik vond de farmaciestudie een gruwel, vooral het practicum. Ik dacht: ik ga geschiedenis doen, dan ben ik van het gelazer af.’
Het bleek een gelukkige keuze. Vijfenveertig jaar na dato is Maarten een veelgevraagde gast op televisie en radio, trekt hij als spreker volle zalen, heeft hij diverse bestsellers geschreven, en draagt zelfs een heuse glossy zijn naam. Tien cruciale stappen in Maartens leven markeren zijn weg naar de top. Wie hem wil volgen, neme deze ter harte.

Stap 1. Ontwikkel een oprechte historische belangstelling

Zonder een authentieke geschiedeniskronkel is het onmogelijk om een beroemde historicus te worden. Daarom kunnen geschiedenisleraren carrières maken en breken. Maarten trof een goede: meneer De Jong. ‘Hij was eigenlijk geen historicus maar meester in de rechten. Een heel lange, wat zwierige man. Altijd keurig gekleed in driedelig grijs. En hij deed die geschiedenislessen ook op een zwierige en zeer inspirerende wijze.’
In Maartens tijd werd geschiedenisonderwijs gegeven volgens de semi-concentrische methode. ‘We begonnen bij de Soemeriërs en de Egyptenaren en via de Grieken en Romeinen kwamen we dan in de Middeleeuwen terecht. Je kon grote vellen krijgen waarop allemaal plaatjes stonden van bijvoorbeeld Soemerische bodemvondsten. Ik had daar heel romantische gedachten bij. Ik wilde toen archeoloog worden, dat leek mij een schitterend beroep. Dat je dan ’s avonds in de woestijn in je tent zat onder een stralende sterrenhemel en dan al die mooie dingen bekijken die je had opgegraven in dat Ur.
Ik ben toen meteen begonnen met plaatjes uitknippen en kaartjes kleuren, om die dan weer in plakboeken te plakken. Ik vraag me achteraf af waar ik de tijd vandaan haalde. Samen met een klasgenoot, die later mijn zwager werd, begon ik aan een soort atlas van het oude Egypte. Hij zou de tekst maken en ik de plaatjes. Wij waren enorm onder de indruk van die atlassen van Elsevier, schitterende dingen met plaatjes en tekst. Die van ons is nooit iets geworden natuurlijk.’
Maartens belangstelling bleef niet beperkt tot dode beschavingen. ‘Naarmate ik het gymnasium doorliep verschoof mijn interesse naar het meer eigentijdse, naar history in the making. Ik las altijd de krant. Mijn vader was soms geëmotioneerd door de wereldgebeurtenissen. Diep verontwaardigd was hij over de inval van de Russen in Hongarije in 1956. Wij waren geabonneerd op de Groene Amsterdammer en daarin stonden toen dingen als dat die Hongaren allemaal fascisten waren en dat het toch maar mooi was wat de Russen deden. Mijn vader heeft toen de Groene opgezegd.’
Maarten besprak de toestand in de wereld ook met zijn schoolvrienden. ‘We waren wel pretentieus, hoor. We hadden het bijvoorbeeld over het existentialisme, al geloof ik niet dat we er veel van begrepen hadden. Ik kan me nog een verhitte discussie herinneren over de vraag of wat Stalin had gedaan in de jaren dertig gerechtvaardigd was. En ik zei toen dat als je een omelet wilde bakken, je eieren moest breken - dat werk. Maar mijn klasgenoot Jan Thurlings zei toen: “Nee, dat was absoluut niet juist” en hij had groot gelijk. Ik heb nog spijt van mijn uitspraak.’

Stap 2. Durf (tegen) te spreken

Maarten dankt zijn succes voor een groot deel aan zijn vermogen om onderhoudend te spreken. Liefst zo lang mogelijk. Dat heeft hij van geen vreemde. ‘De Van Rossems zijn allemaal spraakwatervallen. Mijn zus en mijn broer doen dat ook en mijn vader kon ongelooflijke monologen afsteken. Die lulde je de oren van het hoofd, over van alles en nog wat.
Toen ik nog een jongetje was wandelden wij nogal vaak en mijn vader had altijd fantastische verhalen over de historische elementen van het landschap. Lag in de verte een eenzame boerderij, dan verzon hij dat die vroeger aan de andere kant van de rivier stond. Hij heeft me ooit wijsgemaakt dat de paaltjes langs de weg de graven waren van Romeinse centurions. Ik was later nog bitter teleurgesteld dat dat niet zo was.’
Maar de speeches van Maartens vader waren nog niets vergeleken met de bomen die zijn tante Mary kon opzetten. ‘Haar noemden we de Oriënt Expres, want als die trein eenmaal vertrokken was dan reed ie door tot Istanboel.’ Zelf was Maarten als kind eerder verlegen. ‘Ik kon wel praterig zijn, maar dan toch alleen binnen mijn vriendenkring. Samen met mijn beste vriend Frank van Wijk heb ik heel wat afgeluld in die jaren. Maar dat spreken in het openbaar dat is pas veel en veel later gekomen.’ Toen Maarten na zijn studie ging hospiteren bij een leraar op een middelbare school, merkte zijn welbespraaktheid op. ‘Die zei: “U bent een natuurtalent”.’
Een vlotte babbel alleen is niet genoeg; het gaat erom wát je zegt. Liefst iets origineels en tegendraads. Het gebeurde in de derde klas van het gymnasium. Maarten kreeg geschiedenisles van juffrouw Admiraal, de opvolgster van meneer De Jong. ‘Zij zat iets te vertellen en ondertussen las ik mee in het boek. En daar zag ik heel andere dingen staan dan wat juffrouw Admiraal zat te beweren. Lichtelijk verbaasd stak ik mijn vinger op: “Juf, het staat hier heel anders.” En wat zei dat mens? “Doe jij je boek maar dicht, ik wil jou niet meer horen.”’
Het was niet de laatste keer dat Maarten in aanvaring kwam met juffrouw Admiraal. ‘Het was een schat van een mens maar zij had de wonderlijkste opvattingen over geschiedenisonderwijs. We sloegen bijvoorbeeld het marxisme over, want dat wisten we nou allemaal wel dat iedereen hetzelfde moest hebben en dat kon toch helemaal niet. Wij sloegen ook de Eerste Wereldoorlog over. “Juf, juf, waarom slaan we de Eerste Wereldoorlog over?” – “Ja hoor eens, wij waren neutraal dus daar hoeven we het niet over te hebben.” Echt onderwijs van een miserabel niveau. Ik heb al die jaren doorgebracht met een dichtgeslagen boek en in protesthouding.’
Ook tijdens de drie maanden dat hij in militaire dienst was, botste Maarten met het gezag. ‘Ik was 27, het was na mijn studietijd. Ik zat bij de cavalerie in Amersfoort. Van tevoren werd je onderworpen aan een selectie en ik was volledig ongeschikt om officier te worden. Waarschijnlijk wegens tegenspreken. Ondertussen was ik namelijk een geschoold tegenspreker geworden. In dienst was dat alleen niet zo gemakkelijk, want ze konden steeds sancties treffen. Heel vervelend.’
Dus moest Maarten geregeld zijn tong afbijten. ‘Meestal ging het om rare regeltjes. Je moest bijvoorbeeld je onderbroeken mesbreed opvouwen en dat werd geïnspecteerd. Dat deed ik dus niet en als mijn kastje werd opengetrokken, dan lag het daar gewoon op normale stapeltjes. Zij zeiden: “Het ligt niet mesbreed.” Ik zei: “Nee, dat hoeft tegenwoordig ook niet meer.” Ik had namelijk in de krant gelezen dat al die onzinnige bepalingen waren afgeschaft door het ministerie. Ik zeg: “Uw hogergeplaatsten hebben deze wonderlijke en infantiele regels afgeschaft.” Nou, dan werd er meteen gezegd: “Goh, jij wilt zeker het weekend binnen blijven.”’
Zijn tegendraadsheid is inmiddels Maartens handelsmerk geworden. In zijn columns, lezingen en televisieoptredens spreidt hij steevast een dwarse kijk op de wereld tentoon. Toch is het geen truc, zegt Maarten. ‘Ik ben nooit expres in de contramine. Maar als ik merk dat anderen de grootst mogelijke onzin verkopen, dan laat ik mij niet als mak schaap wegleiden. Dan zeg ik daar iets van.’
Natuurlijk is niet iedereen daarvan gediend. ‘Veel van wat ik schrijf is nogal ergerniswekkend. Zestig procent van de mensen vindt me leuk en veertig procent kan me wel schieten. Toch heeft Maarten veel bekendheid verworven met zijn dwarse opinies. Het lijkt erop dat een meerderheid van de Nederlanders gecharmeerd is van een dwarsligger. ‘Er is altijd een zekere behoefte aan de hofnar. Dat is een raar mannetje met een bochel die tevoorschijn springt en zegt: “Het is helemaal niet zoals jullie denken, het is heel anders.” Waar vervolgens niemand zich iets van aantrekt, want daar moet je vrij realistisch in zijn.’

Stap 3. Oriënteer je zo breed mogelijk en vermijd het onderwijs

Natuurlijk moet een beroemd historicus in spe geschiedenis gaan studeren. Toen Maarten begin 1963 deze cruciale stap nam, ging het er op de Nederlandse universiteiten volstrekt anders aan toe dan tegenwoordig. ‘Ik begon in Utrecht in een groep van zeventien eerstejaars. Daarvan er zijn er elf afgestudeerd. Het gerucht ging altijd dat de eerste die afstudeerde zendeling in Nieuw-Guinea was geworden en al vrij vroeg door de Papoea’s was opgegeten. Ik kan niet voor de waarheid van dit verhaal instaan, maar ik hoop dat het waar is. Het is wel zielig natuurlijk, maar toch, het moet heerlijk zijn zo’n malse jonge historicus op te eten.’
De studie zelf viel Maarten vies tegen. ‘Je moest van die tergende handboeken lezen. De onderwerpen die werden behandeld waren ronduit zonderling. Franse mandaatgebieden in het Midden-Oosten tijdens het Interbellum, de berekening van de Paasdatum - sorry hoor, maar er zijn interessantere thema’s te bedenken. Het was een volkomen beschimmelde wereld. Dat ik niet eerder ben weggevlucht kwam vooral omdat ik dat al een keer had gedaan.’
Omdat de studie Maartens honger naar informatie niet kon stillen las hij alles wat los en vast zat. ‘Het had iets obsessiefs. Ik heb honderden boeken gelezen, in sommige perioden één per dag. Lang niet allemaal geleerde kost, hoor; ik las detectives, thrillers, science-fiction. Ik heb altijd een brede belangstelling gehad. Je kunt het zo gek niet verzinnen of ik vind het wel interessant. Als in de wetenschapsbijlage van NRC Handelsblad een stuk staat over de veredeling van wortels dan denk ik: zo, dat is interessant. Ik lees al jaren de Scientific American. Ik ben altijd zo verbaast dat andere mensen dat niet hebben. Dat die zich niet afvragen: ja maar, hoe zit dat dan?’
Maarten kreeg meer lol in zijn geschiedenisstudie, toen hij in voor de kandidaatstentamens zelf zijn literatuurlijsten mocht samenstellen. ‘Ik heb geweldige boeken gelezen over de Atheense democratie, het oude Rome, Middeleeuwen. Drie jaar lang had ik gedacht: wat een klotestudie, maar toen werd ik er toch wel door gegrepen.’
Toch scheelde het niet veel of Maarten was, zoals zoveel geschiedenisstudenten, voorgoed verdwenen in het anonieme lerarenbestaan. ‘Ik heb mijn bevoegdheid voor het middelbaar onderwijs gehaald op een gymnasium in Amersfoort, bij meneer De Vries. De kinderen waren enorm lief. Als De Vries even weg ging dan braken ze niet de boel af maar kon ik een leuk verhaal vertellen. Al herinner ik me ook dat ik een schitterende les had gegeven over Trotski, vond ik zelf. Maar toen de les was afgelopen en iedereen opstond, bleef één jongen zitten omdat hij in een diepe slaap was gevallen. Ik had er helemaal geen bezwaar tegen gehad om leraar te worden. Ik vind het nog steeds een prachtberoep.’
Daar dacht Maartens familie heel anders over. ‘Mijn vader zei, meer als grap: “Dat is de dood in de pot.” Hijzelf was een aantal jaren biologieleraar geweest. Toen zat hij allemaal leuke dingen uit te leggen over plantjes en dieren, maar tachtig procent van de leerlingen was nergens in geïnteresseerd behalve in een sigaret roken en neuken. Dat was toen een heel spannend onderwerp.’
Maar de echte reden dat Maarten niet voor de klas is gaan staan, had minder te maken met de leerlingen dan met de collega-leerkrachten. ‘Het was 1968 en ik was volledig vervuld van de dood van Martin Luther King en Bobby Kennedy en het Tet-offensief in Vietnam. Maar in die lerarenkamer in Amersfoort werd daar nooit een woord over gezegd. De gesprekken gingen erover, welke ouders gingen scheiden, wie er binnenkort jarig was, of de taartjes bij de vorige verjaardag lekker waren geweest en van wie die dan afkomstig waren. Het was van zo’n platheid en banaliteit, dat ik dacht: is dit nou de wereld van de leraren? Daar wil ik dan toch niks mee te maken hebben.’

Stap 4. Kies een strategisch onderwerp (China!)

Maarten zou een proefschrift schrijven over een onderwerp uit de recente Amerikaanse politieke geschiedenis. Zo werd hij ‘Amerikadeskundige’, het label waaronder Maarten bekendheid verwierf en waarmee hij nog altijd wordt aangeduid in de media. Dat de Verenigde Staten als grootmacht en bondgenoot al een paar decennia voortdurend in het nieuws zijn, heeft daar enorm aan bijgedragen.
‘Als je als historicus bekend wilt worden, dan moet je een breed en aansprekend onderwerp nemen..Ga niet te veel af op het nieuws van het moment – niet bijvoorbeeld denken: verrek, Georgië is al een week elke dag op tv, zal ik Georgië eens gaan doen – maar kies een thema dat op de langere termijn actueel blijft. Dan moet je ook nog afwachten of het wat wordt. Iemand die nu aan de universiteit zit kan denken aan Chinakunde.’ Bijkomend voordeel is dat weinig historici het Chinees machtig zijn; exclusiviteit is dus (nog) gewaarborgd. ‘Toen ik voor Amerikanistiek koos, werd er in Nederland betrekkelijk weinig historische aandacht besteed aan de Verenigde Staten. Overigens maakte ik die keuze niet met het oog op de media, daar had ik nog geen benul van.’
Historische niches heeft Maarten altijd gemeden. ‘Wij beoefenen een vak dat aan elke geïnteresseerde lezer uitstekend uitgelegd kan worden. Als je dan toch vlucht in de ivoren toren van allerlei academische preoccupaties dan vind ik dat vrij bezwaarlijk. Sterker nog, ik denk dat je het bestaan van het vak ondermijnt, omdat het uiteindelijk zijn betekenis verliest als het geen enkele rol meer speelt in het brede maatschappelijk debat. En dat gebeurt wanneer je genderkwesties in de vroege achttiende-eeuwse kinderpoëzie tot de allerbelangrijkste onderwerpen van historische studie verklaart. Je leeft dan alleen in die geglobaliseerde wetenschappelijke wereld waarin iedereen elkaar die in steenkolenengels gestelde artikeltjes toezendt en voorleest, die gaan over onderwerpen die in academische kring in de mode zijn.’
Maartens interesse voor de Verenigde Staten werd gewekt door het boek The Making of the President van Theodore White. ‘Dat boek kocht ik zoals zoveel boeken, bij impuls. Ik heb het vrij snel gelezen, vond het opwindend interessant. Ik dacht: dat is nog eens politiek. Heel wat anders dan dat gezeik in Nederland. Zo ben ik eraan begonnen.’
Niet lang daarna volgde Maarten een werkcollege bij de Amerikaanse gastdocent Bernard Bellush over de New Deal. ‘Dat heeft zeker ook een rol gespeeld. Maar Bellush was een nogal autoritaire ouderwetse man, die niet graag tegengesproken wilde worden. Dat ging niet goed met mij. Zo had ik iets gelezen over Roosevelt en dat hij gestorven was in de armen van zijn vriendin Lucy Mercer, dus ik vroeg: “Goh, hoe zit dat eigenlijk met die vriendin?” Nou zeg, ik kreeg me daar toch een uitbrander. Dat ik daar niks mee te maken had en dat ik daar nooit meer iets over… - nou ja, belachelijk toch?’
In 1967 kwam Hermann von der Dunk naar Utrecht als hoogleraar nieuwste geschiedenis. ‘Hij gaf een werkcollege over de Koude Oorlog en ik dacht: potverdrie, wat interessant en actueel, dat wil ik doen. Maar ik had al drie werkcolleges gevolgd dus eigenlijk mocht ik niet meer. Ik heb toen zelf aan Von der Dunk gevraagd of ik toch mee mocht doen. Ik ben als een scheet over die Koude Oorlog gaan lezen. Zo werd ik al gauw de meest actieve deelnemer.’
Ondertussen was Maarten naarstig op zoek naar een onderwerp voor zijn doctoraalscriptie. ‘Eerst dacht ik aan de introductie van de inkomstenbelasting, eind negentiende eeuw door Nicolaas Pierson. Maar Boogman vond dat helemaal niet nuttig, want daar was net al iets over geschreven. Typisch Nederlands is dat: er is al een boek over Napoleon en dan gaan we er niet nog één schrijven. Toen wilde ik iets doen over wat de Duitsers tijdens de bezetting voor maatregelen hadden genomen die na de Tweede Wereldoorlog waren gecontinueerd. Want ik dacht: ze moeten toch ergens ook iets positiefs hebben gedaan.
Met dat idee ging ik naar Jan Hegeman, maar die verschoot van kleur. “Jong, dat is levensgevaarlijk, je maakt jezelf tot een paria als je dat doet.” Zo heb ik mij laten afbluffen. Toen kwam Von der Dunk met de Koude Oorlog en heb ik besloten om mijn doctoraalscriptie daarover te schrijven. Ik vond dat een fascinerend onderwerp en met Von der Dunk kon ik goed overweg. Hij was ontzettend levendig en geïnteresseerd en ik kon leuk met hem discussiëren. Ik vond het geweldig.’

Stap 5. Laat je protegeren door een enthousiaste hoogleraar

‘Von der Dunk heeft mij mogelijk gemaakt,’ zegt Maarten, zonder een zweem van ironie. ‘Ik denk dat hij iets in mij zag wat hem verwant voorkwam.’ Het resultaat was dat Von der Dunk zijn protégé alle ruimte en tijd gunde om zijn eigen interesses en grillen te botvieren. ‘Twee jaar heb ik aan die doctoraalscriptie zitten werken en daarnaast deed ik niks behalve boekjes lezen. Het is veel te dik geworden: zo’n tweehonderd bladzijden. Hermann schreef erboven: “U schrijft geen handboek!”’
Uiteindelijk studeerde Maarten in 1970 af. Cum laude. Maarten moest in militaire dienst, maar werd na drie maanden gered door Von der Dunk. ‘Hij vroeg of ik geen zin had naar Mainz te gaan en een dissertatie te schrijven over de zogenaamde realisten in de Amerikaanse politiek. Dat waren mensen als Hans Morgenthau en George Kennan, die zo tussen 1947 en 1960 een groep vormden die vond dat buitenlandse politiek moest worden gevoerd op basis van national interest. Maar dan stuit je al meteen op een probleem, want wat is dat nationale belang precies? Ik heb in Mainz alle boeken van die lui gelezen en ik vond het maar vaag gelul.’
Ondertussen had Von der Dunk ervoor gezorgd dat Maarten per 1 september 1971 wetenschappelijk medewerker werd. ‘Ik ben ervan overtuigd dat geen van die andere hoogleraren mij ooit zouden hebben aangenomen. Toen heb ik tegen Hermann gezegd dat ik die realisten eigenlijk een strontvervelend onderwerp vond en dat ik iets anders wilde. Vond hij geen probleem.’
Maartens tweede poging bracht hem in het land dat hem gegrepen had: de Verenigde Staten. ‘Ik ging onderzoek doen naar de ideeën van Reinhold Niebuhr over het realisme als begrip in de binnenlandse politiek. Na een maand of zeven in Amerika dacht ik bij mezelf: wat is dit een ongelooflijk vervelend onderwerp. Toen vroeg een baliemedewerkster van de Butler Library in Columbia, waar ik elke avond van negen tot elf zat te werken, of ik wel eens in het blad Partisan Review had gekeken. Daar had ik nog nooit van gehoord – zo deskundig was ik dus – maar ik wilde wel eens kijken. Ik begon in die Partisan Review te lezen en na twee dagen dacht ik: dit is het, dit is mijn onderwerp.’
Al vier jaar had Maarten ‘verlummeld’, toen hij terugkeerde naar Utrecht en meedeelde dat hij voor de twee keer van thema wilde veranderen. De gemiddelde promotor zou van zoiets goed wanhopig worden. Zo niet Von der Dunk. ‘Hermann zat er helemaal niet mee, die vond dat ik iets moest doen wat ik leuk vond.’ Uiteindelijk zou Maarten twaalf jaar over zijn dissertatie doen. ‘Mijn opa vroeg me altijd of ik al klaar was. Dan antwoordde ik van niet en dan riep hij altijd: “Ik had je allang ontslagen!” Het was ook bijzonder dat ik er zo lang over kon doen, zonder te worden gestraft. In de moderne omstandigheden was ik geëindigd met twee van die plastic zakken in het Wilhelminapark.’
Als wetenschappelijk medewerker had Maarten drie hoofdtaken: onderzoek, bestuurswerk en onderwijs. ‘Aan archiefonderzoek heb ik altijd een hekel gehad. Ik heb een keer onderzoek gedaan in het IISG, omdat ik samen met Jan Bank een studie zou maken over de Partij van de Arbeid. Het was afschuwelijk. Meestal viel ik ’s middags tegen twee uur in slaap. Ik had altijd een bloknootje bij me om mijn archiefvondsten in te noteren Als ik om vijf uur terug naar huis ging was het bloknootje soms nog helemaal leeg. Van dat project is nooit iets terechtgekomen.’
Het bestuurswerk kon Maarten evenmin bekoren. ‘Ik was heel idealistisch begonnen. We zijn jaren bezig geweest met een project om de verschillende introductiecursussen die je toen nog had, te bundelen. Ik had de indruk dat de afdelingen dat ook wilden. Maar toen we tenslotte met een plan kwamen, is dat afgeschoten. Toen was ik zo pisnijdig, dat ik heb gezegd: “Ik wil nooit meer in dit kutbedrijf nog maar iets met dit kutbestuur te maken hebben.” En daar heb ik me zeer systematisch aan gehouden.
Ik ben ook voorzitter van de instituutsraad geweest. Dat was een volstrekt wansucces, want alle vergaderingen onder mijn leiding waren na anderhalf uur klaar. Dat was helemaal de bedoeling niet. Ik had hoogleraren het woord ontnomen en zo. En er waren allemaal linkse studenten die moties indienden over de strijd van hun kameraden in Patagonië tegen de verschrikkelijke onderdrukker, en dat kapte ik dan af. Daarom ben ik al vrij snel afgezet.’
College geven beviel Maarten beter. Hij begon met een werkgroepje contemporaine geschiedenis. ‘Ik was er vrij nerveus voor en bang dat ik te weinig stof zou hebben. Maar ik bleek me voldoende te hebben voorbereid om nog jaren door te kunnen praten. Ik kreeg er al snel ontzettend veel plezier in om onderwijs te geven. Begin jaren tachtig vroeg Hermann of ik zijn hoorcollege wilde overnemen. Zelfde verhaal. Ik vond het leuk om op te treden en begon een beetje de pias uit te hangen.’

Stap 6. Schrijf een leuk en leesbaar boek

In 1983 kon Maarten eindelijk zijn doctorsbul in ontvangst nemen. Nog altijd was hij géén beroemde historicus. Sterker, zegt Maarten, ‘ik was een volledige mislukking. Zoals zoveel wetenschappelijk medewerkers tegen hun veertigste volstrekte mislukkingen blijken te zijn.’ Het leek er sterk op dat oom Jan gelijk zou krijgen. Maar er kwam redding van buitenaf. ‘Een maand of twee na mijn promotie belde uitgever Bas Hesselink mij op om te vragen of ik geen boekje wilde schrijven over de recente Amerikaanse geschiedenis. Het idee was een vrij dun overzichtswerkje te maken dat geschikt was voor leerlingen en leraren in het voortgezet onderwijs.’
Dat Maarten over schrijverstalent beschikte, had hij tijdens zijn studie al ontdekt. ‘In het eerste jaar had ik een scriptietje geschreven over het tolerantieprobleem in de late zestiende eeuw. Daarvoor moest ik allemaal Latijnse teksten lezen. Daar kon ik als bèta geen touw aan vastknopen. Dus heb ik mijn informatie zo’n beetje bij elkaar gerommeld uit de encyclopedie. Voor die scriptie kreeg ik een vijf, mijn enige onvoldoende ooit. “Je hebt er niet veel van begrepen,” zei mijn docent Hans Wansink, “maar schrijven kun je wel.”’
Maarten pakte het aanbod om een lesboekje te schrijven dan ook gretig aan. ‘Ik had twaalf jaar gemodderd aan die dissertatie en nu wilde ik wel even vlot doorschrijven. In zes maanden was het boek klaar. Terwijl ik bezig was met schrijven dijde het enorm uit.’ Het werden tenslotte 350 pagina’s, onder de titel Amerika in de twintigste eeuw. ‘Bas was in zijn wiek geschoten, want die dacht natuurlijk dat hij maximaal driehonderd van die dikke boeken kon verkopen. Maar het liep als een trein. Binnen no time moest er een herdruk komen.’
Het contrast met de magere respons op Maartens proefschrift kon niet groter zijn. ‘Zo gaat het met proefschriften: die worden in de wetenschappelijke bladen besproken en het duurt meestal tot vlak voor het overlijden van de schrijver voordat dat zo’n bespreking verschijnt. Ik had tegen iedereen gezegd: “Als mijn proefschrift slecht besproken wordt dan schrijf ik nooit meer wat.” Gelukkig plaatste Vrij Nederland een zeer positieve recensie van Bart Tromp.’
Aan nieuw wetenschappelijk onderzoek zou Maarten zich echter niet meer wagen. ‘Ik ben helemaal niet geschikt voor het echte academische werk. Ik bleek veel meer plezier te hebben in populariserend schrijven. Je neemt een stapel boeken en dat ga je allemaal zitten lezen en dan maak je daar iets leuks van.’ Eindelijk had Maarten zijn roeping gevonden. De weg naar beroemdheid lag open.

Stap 7. Kom zo vaak mogelijk met je kop in de media

‘Twee weken na het verschijnen van Amerika in de twintigste eeuw werd ik gevraagd om voor de NCRV commentaar te leveren bij het debat tussen de twee toenmalige vicepresidentiële kandidaten, de oude George Bush en Geraldine Ferarro. Dat was in Wissels, zo’n middagshow met Dick Passchier en Legien Kromkamp. Zij stelde werkelijk de meest stompzinnige vragen die niets te maken hadden met wat ik in het voorgesprek had gezegd. Ik was gedwongen om het gesprek helemaal over te nemen, maar dat beviel me enorm goed. En ik kreeg een bos bloemen, waar ik ook al erg verbaasd over was.’
Toen Hilversum Maarten eenmaal had ontdekt, nam het aantal uitnodigingen snel toe. ‘Ik heb dat jaar twee, drie keer in Het Capitool gezeten en ook af en toe bij het radioprogramma Met het oog op morgen, met Wim Bosboom. Die was het altijd volstrekt met mij oneens en dat gaf wel een leuke spanning. Toch was dit allemaal nog betrekkelijk incidenteel. Totdat in 1991 de Golfoorlog uitbrak. Vandaar dat ik altijd zeg, dat ik veel aan Saddam Hussein te danken heb.’
Terwijl Amerikaanse bommenwerpers hun lading op Bagdad dropten, zaten de Nederlandse omroepen te schreeuwen om deskundigen om te interviewen. ‘De zogenaamde gezamenlijkheid was verplicht om de tijd tussen de journaals van acht en tien uur op te vullen. Ik werd vaak gevraagd om naar de studio te komen, waarschijnlijk omdat ik met mijn praatjes een hoop minuten wist vol te lullen. Daardoor was ik met een onwaarschijnlijke frequentie zeer langdurig in beeld.
Ik had nooit aan de consequenties daarvan gedacht, namelijk dat mensen zouden beginnen me op straat na te kijken en aan te spreken. Wat ik eigenlijk niet onaangenaam vond.’ Sindsdien verscheen Maarten met regelmaat op de buis. ‘Natuurlijk heb je mindere en betere tijden. Je bent eventjes in de mode en dan weer een tijdje niet. Dat zijn normale dingen waar je je niet door moeten laten ontmoedigen.’
Het is daarom zaak alles aan te pakken wat kan helpen om in de picture te blijven. ‘Je kunt het zo plat niet verzinnen of ik heb het gedaan. Maar ook high brow-programma’s zoals Zeeman met boeken. Ik heb me ook wel eens vergist in programma’s. Ik zat een keer in de KRO-radiostudio bij een hele jonge vrouw, die vroeg: “Houdt u van uw kinderen?” Ik zeg: “Ja natuurlijk, maar ik dacht dat we het over de wereldpolitiek zouden hebben.” Bleek niet zo te zijn.’ Er zijn grenzen. Soms betekent dat: een uitnodiging weigeren. ‘Van RTL Boulevard bijvoorbeeld hebben ze me meerdere malen gebeld. Ben ik nooit op ingegaan, omdat ik het journalistiek geen goed programma vind.’
Televisie draait om beeld. Wie een origineel uiterlijk bezit, heeft een streepje voor. Zo wordt Maartens imago bepaald door zijn stoppelbaard en zwarte truien. ‘Ik ben altijd slordig geweest. Als kind vond ik het verschrikkelijk als mijn moeder vond dat ik ergens opgepoetst heen moest. Dan moest ik een pullovertje met een stropdas aan en mijn haar moest gekamd. Ergens in de tweede helft van de jaren zestig heb ik daar een eind aan gemaakt. Met die baard ben ik begonnen, omdat ik de pest heb aan scheren.’
Maarten ontkent dat hij zijn imago bewust cultiveert. ‘Iedereen denkt dat er een plan of strategie achter zit, naar dat is nooit het geval geweest. Die zwarte truien koopt mijn vrouw Winnie bij de HEMA, tien stuk tegelijk voor een onwaarschijnlijk laag bedrag. En ze bevallen me goed; zwart kleedt af.’
Terwijl televisie vluchtig en onvoorspelbaar is, kan een column in een krant of tijdschrift zorgen voor een meer constante stroom van aandacht. Nadeel is alleen: er komt altijd een moment dat de redactie besluit zijn columnist te vervangen. ‘Dan komt er een nieuwe hoofdredacteur en die flikkert het hele adressenbakje van zijn voorganger weg. Maarten was jarenlang columnist voor de Volkskrant, totdat ook hier Maartens analyse van ‘11 september’ de redactie in het verkeerde keelgat schoot. ‘Als gevolg van de aanslagen heerste bij de Volkskrant een panische sfeer. Ze stonden daar op scherp, heeft hoofdredacteur Pieter Broertjes zelf gezegd. Redacteur Arie Elshout zei op televisie dat hij zich schaamde voor het feit dat ik in die krant schreef. Toen heb ik Broertjes boos opgebeld en gevraagd: “Denken jullie er zo over?” Ik heb nog tot augustus 2002 columns voor de Volkskrant geschreven en toen mocht ik vertrekken.”
Maartens stukjes in De Pers waren evenmin een lang leven beschoren. ‘Na drie maanden maakte de redactie er bezwaar tegen dat mijn columns altijd maar over Bush en Irak zouden gaan. Dat klopte niet, want ik had er achtentwintig geschreven en daarvan gingen er maar tien over die onderwerpen. Bovendien was ik aangenomen om over Amerika te schrijven. Toen zeiden ze: we vinden het te negatief, we willen het nieuws juist optimistisch brengen. Of ik niet wat meer aan human interest kon doen. Dat heb ik geweigerd. En ik ben toen maar gelijk met die columns gestopt, want ik ga niet op de schopstoel zitten en afwachten.’
Niet dat een beroemd historicus zich altijd strikt aan zijn eigen specialisatie moet houden. Zo schrijft Maarten nog columns voor Scientific American en De Accountant, en zelfs een rubriek over auto’s in M, het magazine van NRC Handelsblad. Risicospreiding heet dat. ‘Hier komen mijn brede interesses uitstekend van pas.’
En het mooie is: meerdere columns maken samen een boek. Maarten heeft al een aantal titels op zijn naam staan, die goed verkopen. En er staan meer publicaties op stapel. ‘Ik schrijf nu een boekje over de atoombom. Volgend jaar herfst moet er een geüpdate versie van Amerika in de twintigste eeuw in de winkel liggen, en dan moet ik maar eens beginnen aan mijn al vaak beloofde magnum opus over Nederland na 1945.’

8. Zorg af en toe voor een rel
‘Vermakelijke incidenten,’ zo noemt Maarten die paar keer dat hij heftig botste met de media vanwege zijn controversiële commentaar. ‘Hoewel ik het op het moment zelf toch vrij eigenaardig vond dat er zo fel werd gereageerd.’ Maartens eerste relletje ontstond op 20 januari 1989, de dag dat George Bush senior werd geïnaugureerd als president van de Verenigde Staten. Maarten zat in de NOS-studio met Pieter de Vink, terwijl Charles Groenhuijsen verslag deed vanuit Washington.
‘Het begon ermee dat Charles zei: “Daar komt het echtpaar Reagan; wat ziet Nancy er koninklijk uit.” Waarop ik tegen Pieter zei: “Nou, koninklijk, ik vind het een doodeng vogeltje, een slachtoffer van lamentabele plastische chirurgie.” Even later kwam er een heel zonderling moment. Billy Graham ging voor in gebed en wat hij zei kon je niet anders interpreteren dan dat Onze Lieve Heer er persoonlijk voor had gezorgd dat de Republikeinen opnieuw een president in het Witte Huis kregen. Dus ik zei: “Ik vind het eigenlijk een vrij zonderlinge hypothese, dat Onze Lieve Heer zich klaarblijkelijk direct bemoeit met de Amerikaanse verkiezingen, en als ze dan toch bezig zijn, kunnen ze dan maar niet beter Onze Lieve Heer zelf president maken.”
En zo railleerde ik maar door. Bush zei in zijn inaugurale verhaal dat hij een eind ging maken aan de drugsverslaving. Dus ik zei tegen De Vink: “Dat geloof jij toch ook niet? Natuurlijk maakt hij geen eind aan de drugsverslaving, dat zal zo’n beetje constant blijven de komende vier jaar.” Toen verscheen ineens de floormanager met een heel groot karton waarop stond geschreven: “Niet zo cynisch!” Bleek dat de telefoon al drie kwartier roodgloeiend stond van de protesten uit het land. Dat het schandelijk was dat zo’n mooie en ontroerende plechtigheid werd verziekt door zo’n cynische figuur. Terwijl ik alles nog wel zo vrolijk en luchtig had geformuleerd.’
De volgende dag kopte de Telegraaf: ‘Linkse deskundige beledigt Amerikaanse volk’. ‘Daar was ik apentrots op. Maar de EO diende een klacht in bij de NOS vanwege mijn blasfemische opmerking. En de NOS-bestuurders gaven de EO nog gelijk ook. Mij stuurden ze een lange brief waarin stond dat mijn optreden onprofessioneel was en dat ik niet meer zou worden uitgenodigd. Nou ja, geheugen hebben ze niet in Hilversum, dus na een half jaar waren ze het vergeten.’
In 2001 werd Maarten voor de tweede keer geëxcommuniceerd. Aanleiding was zijn televisieoptreden na de aanslagen op 11 september. ‘Iedereen was boven zijn theewater. De Derde Wereldoorlog zou uitgebroken zijn. Ik vond dat onzin en zei dat ook. Na drie dagen las ik in de Volkskrant dat de chef Actualiteiten van de NOS, Lars Andersson, het ‘nu wel even gehad’ had met de ‘ongepaste’ relativeringen van die Van Rossem.
Pisnijdig was ik. Ik heb Andersson opgebeld en gezegd: “U hebt altijd zo’n grote bek in Nederland over de vrije meningsuiting en zo en nu snijdt u mij gewoon de pas af, alleen omdat mijn opvattingen u niet welkom zijn. Ik kon wel horen dat hij dacht: ouwehoer, ik ben de baas hier toevallig. En zo was het ook. Als je iets zegt wat niet welkom is in de conventional wisdom van het moment, dan word je monddood gemaakt. De NOS heeft me opnieuw een half jaar niet meer uitgenodigd.’

9. Blijf verbonden aan een universiteit, maar doe alleen wat je leuk vindt

Sinds 1996 was Maarten bijzonder hoogleraar Nederlandse geschiedenis in internationale context aan de Universiteit Utrecht. ‘Het was gewoon fake. Ik was hoogleraar voor één dag in de week. Ik heb één keer een college gegeven over het onderwerp waarvoor ik officieel was aangesteld. Verder deed ik waar ik zelf zin in had.’
Volgens Maarten was zijn aanstelling een ‘troostprijs’, zij het een sympathieke. ‘Twee keer had ik gesolliciteerd naar een gewoon hoogleraarschap. De eerste keer ging het om een aanstelling bij moderne geschiedenis met de nadruk op Nederland. Daar was ik in feite inhoudelijk niet bijster geschikt voor, omdat ik Amerikanist was. Hans Righart is dat gaan doen; ik was kansloos.
Toen werd gezegd dat als Hermann wegging, ik hem zou gaan opvolgen als hoogleraar cultuurgeschiedenis. Maar de Utrechtse sociaalhistoricus Theo van Tijn wilde voor geen prijs dat ik het zou worden, want ik had mij regelmatig laagdunkend uitgelaten over het geiten tellen van de economisch- en sociaalhistorici. En dat was niet goed gevallen. Daarnaast werd een hoogleraar geacht belangrijk managementwerk te doen, en dat was ook niet mijn sterkste kant. En tenslotte zal dat geklets van mij op tv ook wel een nadelige indruk hebben gemaakt.’
Als beroemd historicus word je zelden gewaardeerd door je vakgenoten. Er is altijd kritiek en kinnesinne, al wordt die zelden openlijk uitgedragen. ‘Er zijn ongetwijfeld mensen geweest die mij een oppervlakkige lulhannes hebben genoemd, maar niet in mijn nabijheid. Behalve dan die fameuze Leidse hoogleraar die tijdens een feestje op mij toe schreed, op twee passen bleef staan en zei: “Ach, de televisieprofessor.”’
Op 1 oktober 2008 neemt Maarten afscheid van de universiteit. Hij vertrekt niet van harte. ‘Ik had het heel prettig gevonden om twee jaar door te gaan, maar onze faculteit had andere plannen. Ik hoorde al drie jaar de vraag: “Wilt u niet weg?” Tegen de mevrouw van personeelszaken zei ik: “Zet mij maar op de Balkenendelijst. Dat is een lijst van personen die door willen werken na hun vijfenzestigste, precies zoals de premier het graag ziet.” Ze dacht nog dat er echt zo’n lijst bestond, ook.’

Stap 10. Maak persoonlijk contact met je fans

Huisvrouwen, ambtenaren, managers, studenten, bejaarden, iedereen kan Maarten in levenden lijve bestellen. Overal in het land geeft hij lezingen, vaak meerdere keren per week.‘Ik denk altijd: als ze me willen dan kunnen ze me krijgen. Ik heb een aantal vaste thema’s, die ik zo uit mijn hoofd kan afdraaien. Soms vragen mensen me te komen spreken over een onderwerp waar ik niets van afweet. Dat biecht ik dan eerlijk op, maar dan zeggen zij dat ze dat juist leuk vinden. Nou ja, dan geef ik ze hun zin maar. Ik heb over van alles en nog wat gesproken, van kustbewaking tot computers.’
Wie Maarten wil boeken, moet contact opnemen met Speakers Academy. ‘Voordat ik bij dat bureau was aangesloten deed ik lezingen altijd voor niks. De eerste keer dat ik geld vroeg was bij een boeking door de Heidemij. Vijftienhonderd gulden, voor mij een megabedrag. Vrij kort daarna werd ik uitgenodigd door IBM - ik had namelijk een column geschreven over de internethype. Of ik tijdens een congres een beetje raillerend zou willen uitleggen dat het allemaal nogal meeviel met de zegeningen van computers.
Dat wilde ik wel en ik vroeg weer 1500 gulden. Ik vond mezelf een held dat ik dat durfde te vragen. Maar toen ik op het bewuste congres een andere spreker tegen het lijf liep, bleek dat hij meer dan drie keer zoveel kreeg: vijfduizend gulden. En hij had er niet eens zelf over hoeven onderhandelen, want hij was aangesloten bij de Speakers Academy. Ik heb gelijk de volgende ochtend gebeld om ook lid te worden van die club.’
Maarten geniet van het lezingencircuit. ‘Je komt op de gekste plekken, je spreekt wonderlijke mensen en het is leuk om te spreken voor een live publiek. Ik moet ondertussen al duizenden mensen hebben toegesproken.’
Zo heeft Maarten door persoonlijk contact een omvangrijke schare fans opgebouwd. Die kopen vervolgens ook zijn boeken en bundels, en zijn grotendeels verantwoordelijk voor het succes van Maarten!, het eenmalige personalitytijdschrift dat Historisch Nieuwsblad in de zomer van 2008 uitbracht in een oplage van 60.000.
‘Ik zei ja tegen het idee van zo’n eigen blad, vooral om te zien hoe de collega-historici zouden reageren. Het leek mij leuk dat als ze geabonneerd waren, ze dan dat hoofd van mij uit hun postbus zouden halen en zouden denken: “Sodeju, daar heb je die gek weer!”’

Gerelateerde artikelen



Login

Zoek

Deze maand

Geschiedenis 24